|
|
TERUG
NAAR GOLGOTHA
deel
2
Oorzaken
van de slechte toestand
van de gemeente van Jezus Christus
en de weg terug naar Golgotha
Printversie:
I.
Inleiding
Het
motief voor het schrijven van dit document is de deplorabele toestand van
het Christendom in de westerse wereld. Die gaat ons enorm aan het hart. De
laatste tijd hebben we ons ingespannen om bij het licht van de Bijbel aan
de hand van studieboeken, internetsites en eigen waarnemingen van de
afgelopen tientallen jaren mogelijke oorzaken van de huidige chaos op het
spoor te komen. Hoe komt het dat het huidige Christendom in de verste
verte niet meer lijkt op wat we daarover in het boek Handelingen lezen?
Bij dit onderzoek ontdekten we dingen, waar we enorm van geschrokken zijn.
Het is al heel vroeg mis gegaan. Bekende kerkvaders zijn wegen ingeslagen,
die volledig in strijd zijn met de boodschap van de Bijbel. De
voorspellingen van Petrus en Paulus zijn werkelijkheid geworden. De valse
leraars zijn gekomen met hun verderfelijke ketterijen (2 Petrus 2:1) en de
grimmige wolven hebben de kudde niet gespaard (Handelingen 20:29,30). Hun
invloed is vandaag de dag nog overal waarneembaar.
Bij het
schrijven van dit document is de Bijbel de basis en het ijkpunt geweest.
Daarom is het géén theologisch document. Gaandeweg het onderzoek zullen
we namelijk moeten vaststellen dat de theologie tegen de Bijbel ingaat.
Het Nederlandse woord voor ‘theologie’ is ‘godgeleerdheid’. Over
het leren kennen van God staan teksten in de Bijbel, die niet voor
tweeërlei uitleg vatbaar zijn. Zo lezen we bijvoorbeeld in Lucas 10:21,22
het volgende: “Terzelfder tijd verblijdde Hij Zich door de Heilige Geest
en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze
dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens
geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.
Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en niemand weet,
Wie de Zoon is, dan de Vader, en Wie de Vader is, dan de Zoon, en wie
de Zoon het wil openbaren.” Let wel: “wie de Zoon het wil
openbaren.” We moeten naar de Zoon, Jezus Christus, om de almachtige God
te leren kennen. Het kennen van God is 100 procent genade. Daarom is het
een illusie te denken dat men God kan leren kennen door te gaan studeren
aan een Theologische Universiteit of Faculteit. De almachtige God, de ‘Heer
des hemels en der aarde’ houdt de kennis over Hem juist verborgen ‘voor
wijzen en verstandigen’. Kinderen en zij die werkelijk God vrezen (Psalm
111:10) en daardoor het gehoorzame geloofsvertrouwen van een kind hebben,
kunnen God leren kennen. Op deze wijze leerde Abraham, de vader van alle
gelovigen, door zijn gehoorzaam geloof God stap voor stap meer kennen
tijdens zijn leven.
Dit is dus
geen theologisch document. Theologische documenten vergroten alleen maar
de chaos die er al is. Ons uitgangspunt is geweest om bij het lezen van de
Bijbel en de geschriften van de kerkvaders en latere kerkleiders
nuchterheid te betrachten. Paulus spoort de Corinthiërs aan tot ‘de
rechte nuchterheid’ te komen (1 Corinthiërs 15:34). Als er vandaag de
dag iets nodig is, dan is het nuchterheid. Nuchterheid ten opzichte van
ons eigen leven en het doel dat we ons daarin stellen, nuchterheid ten
opzichte van het enorme wonder van de schepping en de grootheid van de
Schepper, nuchterheid ten opzichte van onze dood en het moment waarop we
als individu verantwoording afleggen van wat we tijdens ons leven hebben
gedaan, gezegd, geschreven, gedacht en nagelaten.
De indeling
van het document is als volgt. Eerst wordt nagegaan wat er in de Bijbel
staat over het begrip ‘Christen’ en hoe daar gesproken wordt over de
gemeente van Jezus Christus. Daarna vindt een rondgang plaats langs de
diverse vormen van het hedendaagse Christendom om te toetsen in hoeverre
deze vormen in overeenstemming zijn met de Bijbel. Vervolgens worden de
twee belangrijkste historische ontwikkelingen besproken, die oorzaak zijn
van de huidige ellende. Tot slot staan we stil bij een aantal momenten in
de geschiedenis, waarop het ingrijpen van God in de chaos van dat moment
zichtbaar werd en trekken we onze conclusies voor de tijd waarin wij
leven. Een overzicht van de inhoud wordt in deze voetnoot [i]gegeven.
Ter
bescherming van de hier weergegeven tekst rust er op dit document
copyright. De copyrighthouder wordt aan het einde vermeld.
II.
Wie is Christen?
De vraag
“Wie is Christen?” valt in twee deelvragen uiteen. De eerste vraag is:
“Wat is het getuigenis van de Bijbel over Jezus Christus?” De tweede
vraag is: “Wat zegt de Bijbel over het deel krijgen aan Jezus
Christus?”
a. Wat is het getuigenis van de
Bijbel over Jezus Christus?
1. Getuigenis Oude Testament.
De
Bijbel is het verslag van Gods handelen met de mensheid in de loop van de
geschiedenis. In dit handelen van God neemt Jezus Christus de centrale
plaats in. Dit begint al in het Oude Testament. Het Oude Testament kan men
alleen maar begrijpen vanuit de vervulling ervan in het Nieuwe Testament,
vanuit de openbaring van God door Jezus Christus.
Bij het
begin van de Bijbel wordt al duidelijk, dat er een Redder nodig is. De
werkelijkheid en de wereld waarin wij leven, zijn door God goed geschapen.
Het was zeer goed (Genesis 1:31). De mens werd naar Gods beeld geschapen.
God schiep een persoon, een individu. Hieruit blijkt de almacht en de
enorme liefde van de Schepper. In het paradijs was er een zeer zuiver
contact tussen God en de mens. Dat contact werd verbroken, toen de mens
ervoor koos zich als Gods gelijke op te stellen (Genesis 3). God verbood
om van de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten. De
slang zei echter tegen Eva: “Dat is omdat je dan wordt als God Zelf.” Eva
luisterde naar de slang. Zij nam van de verboden vrucht. Ook Adam at
daarvan. De slang, de duivel, de vader der leugen (Johannes 8:44) was zelf
gevallen vanwege hoogmoed door te willen zijn als God. Hij verleidde de
mens tot dezelfde zonde als hij had gedaan. Deze geest van opstand tegen
God zien we overal om ons heen.
De zondeval
had vele gevolgen voor ons. Wij noemen de twee belangrijkste: de zonde
en de dood. Vanwege de vloek van
de zondeval worden wij allen als zondaar geboren. Dit is vanaf het
allereerste begin zichtbaar geweest. Gedreven door jaloersheid sloeg Kaïn
zijn broer Abel dood. Wie vandaag de dag om zich heen kijkt, ziet dat de
mens tegen alle wetten van God ingaat. Als we alleen naar de Tien Geboden
kijken, is er dan één bij, waar de hedendaagse mens niet tegen ingaat?
Over het andere gevolg van de zondeval, de dood, het volgende: alle mensen
sterven, allemaal zijn we op weg naar dat enige vaststaande punt in ons
leven: onze dood. Het is goed om ons dat persoonlijk te realiseren. Voor
deze twee grote gevolgen, de zonde en de dood, heeft geen mens een
oplossing. Heel de bekende geschiedenis door tot op de dag van vandaag
hebben filosofen en religieuze leiders van alles bedacht, gezegd en
gedaan, maar niets of niemand heeft deze twee gevolgen van de zondeval ook
maar één stap dichter bij een oplossing gebracht. Die oplossing kan niet
uit de mensheid komen, maar moet van bovenaf komen. God heeft de oplossing
gegeven door Zijn Zoon Jezus Christus als Redder naar deze aarde te
sturen. Jezus Christus stierf voor de zonden van de mensen aan het kruis
op Golgotha en daarna overwon Hij de dood door op te staan uit de doden.
Deze twee vreselijke gevolgen van de zondeval worden slechts in Jezus
Christus teniet gedaan. Wie de historiciteit van de zondeval loochent,
onderkent niet de absolute ernst van de zonde. Het scheidt de mens voor eeuwig van God,
tenzij er wordt ingegrepen door de Redder. Ook ziet zo iemand niet in,
hoezeer de dood de aartsvijand van de mens is, waar ieder mens het van
verliest, tenzij hij geborgen is in Jezus Christus, Die de dood heeft
overwonnen. Wie de zondeval loochent, dient zich goed te realiseren dat
hij daarmee feitelijk ook de Persoon en het werk van Jezus Christus
loochent. Helaas wordt in ‘Christelijk’ Nederland die historiciteit op
grote schaal geloochend onder druk van de bizarre evolutiehypothese.
Nogmaals, helaas, want de gevolgen hiervan zijn zeer ernstig. Hierover
later meer.
Als we
verder het Oude Testament lezen, komen we op veel plaatsen een
aankondiging tegen van de komst van Jezus Christus, de Messias. Een aantal
teksten, die hiernaar verwijzen, zullen we noemen. Het begint meteen al in
het Paradijs. Iemand uit het zaad van de vrouw, zal de kop van de slang
vermorzelen ten koste van Zijn eigen hiel (Genesis 3:15). Dat is gebeurd
op Golgotha, toen Jezus Christus de duivel versloeg en van zijn macht
beroofde. Als we verder lezen, komen we bij Abraham. Deze wordt door God
apart genomen en krijgt de belofte dat door hem alle geslachten van de
aardbodem gezegend zullen worden (Genesis 12:3). Paulus legt in Galaten 3
uit dat die zegen, waarover hier gesproken wordt, inderdaad gekomen is
door het geloof in dat ene Zaad van Abraham, Jezus Christus. Verderop in
het Oude Testament lezen we dat Mozes de komst van een groot Profeet
aankondigt (Deuteronomium 18:18), naar Wie het volk zal moeten luisteren.
Als het volk Israël reeds een tijdlang in Kanaän woont, kiest God een
man naar Zijn hart, David, die Hij tot koning maakt over heel het volk. In
het leven van David en in zijn psalmen, zijn veel dingen, die verwijzen
naar Iemand uit zijn geslacht, Die de Messias en de Koning der Joden zal
worden (Psalm 132:11). Jezus Christus wordt in het Nieuwe Testament ook
vele malen “Zoon van David” genoemd. In Psalm 22, een psalm van David,
lezen we hoe vreselijk het lijden van Jezus Christus op Golgotha zal zijn.
Bij de profeten, die later door God werden gezonden om het volk Israël te
waarschuwen, vinden we veel verwijzingen naar de Christus. Jesaja voorzag
Zijn geboorte uit een maagd (Jesaja 7:14) en het wonder van de
vleeswording van de Zoon van God door de naam “Immanuel”, God met ons.
Dat het geboren Kind ook God is, lezen we heel duidelijk in Jesaja 9:5:
“Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de
heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige
Vader, Vredevorst.” Het evangelie van de verlossing door Jezus
Christus, Zijn plaatsvervangend lijden en sterven, wordt door Jesaja zeer
duidelijk beschreven in hoofdstuk 53. Deze profetie werd vele honderden
jaren voorafgaande aan het leven van Jezus Christus hier op aarde reeds
geschreven. Het is het onomstotelijke bewijs dat Jezus van Nazareth de
Messias is, de door God Gezondene, Die stierf voor de zonden van de
mensen. Bij de profeet Micha lezen we aan het begin van hoofdstuk 5, dat
de Christus in Bethlehem geboren zal worden. Aan het eind van het Oude
Testament voorspelt de profeet Maleachi de komst van de heraut (hoofdstuk
4:5). Het zal iemand zijn die optreedt zoals de profeet Elia. Dit is
vervuld door het optreden van Johannes de Doper. Het is een wonder van God om te zien hoe al de voorzeggingen, die in het
Oude Testament over de Messias zijn gedaan, letterlijk zijn uitgekomen in
het leven van Jezus Christus hier op aarde.
2. Getuigenis Nieuwe Testament.
Het leven van Jezus Christus hier
op aarde is één groot wonder van Gods liefdemacht en Gods gerechtigheid.
Johannes schreef aan het begin van zijn evangelie: “Het
Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn
heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene des
Vaders, vol van genade en waarheid.” (hoofdstuk 1:14). Even verderop in
vers 18 schreef Johannes: “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren
Zoon, die aan de boezem des Vaders is, Die heeft Hem doen kennen.” Door
Zijn daden en woorden hier op aarde heeft Jezus Christus getoond Wie God
de Vader is. Jezus Christus heeft hierover Zelf tegen Zijn discipelen
gezegd: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan:
“Toon ons de Vader?” Gelooft gij niet dat Ik in de Vader ben, en de
Vader in Mij is. De woorden die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet,
maar de Vader, Die in Mij blijft, doet Zijn werken.” Zo krijgen we, als
we de vier evangeliën met een gelovig hart nauwkeurig lezen, uiteindelijk
een beeld van Wie Jezus Christus is en tegelijk ook een beeld van Wie God
de Vader, de almachtige Schepper van hemel en aarde is. Wat een enorme
liefde spreekt hieruit, dat die almachtige God Zich op deze wijze heeft
geopenbaard.
Voor de
bespreking van het hele getuigenis van het Nieuwe Testament over Jezus
Christus maken we een onderverdeling. Eerst willen we een aantal kenmerken
noemen van Zijn leven en werk hier op aarde. Daarna gaan we over tot de
bespreking van de geestelijke betekenis van het lijden van Christus aan
het kruis op Golgotha. Tenslotte staan we stil bij de blijde boodschap van
de opstanding van Christus en bij de positie, die Hij nu bekleedt.
Zijn
leven en werk hier op aarde
Het
optreden van Jezus Christus werd gekenmerkt door Zijn gezonden zijn door
God de Vader. Hij handelde en sprak niet op eigen initiatief, maar in
opdracht van God (Johannes 5:36; hoofdstuk 8:28,38; hoofdstuk 12:49,50;
hoofdstuk 14:10). De naam ‘Christus’, ‘Messias’ in het Hebreeuws,
betekent ‘Gezalfde’. Het betekent iemand die een speciale taak krijgt
opgedragen. Jezus, de Zoon van God, kreeg van God de Vader de speciale
opdracht hier op aarde het verlossingswerk tot stand te brengen en de naam
van God bekend te maken bij de mensen, die gered werden (Johannes 17:6).
Het gezag, dat Jezus Christus van God had gekregen, werd ook ervaren door
de mensen. In Mattheüs 5, 6 en 7 lezen we hoe Jezus Christus de
geestelijke betekenis van de wet uitlegde. Hij was niet gekomen om de wet
te ontbinden, maar om die te vervullen. De toehoorders ervaarden dat deze
Rabbi het recht had zo over de heilige wet te spreken. Dat gezag ontbrak
bij hun geestelijke leiders van dat moment (Mattheüs 7:48). Dit gezag was
ook zichtbaar toen Jezus de tempel reinigde door de kooplieden met hun
offerdieren en de geldwisselaars uit de tempel weg te jagen. Op een later
ogenblik hadden de overpriesters en de Farizeeën hun dienaren erop
uitgestuurd om Jezus in de tempel gevangen te nemen en bij hen te brengen.
Ze kwamen zonder Hem terug en zeiden tegen hun opdrachtgevers: “Nooit
heeft een mens zo gesproken als deze Mens spreekt” (Johannes 7:46).
Zonder omwegen ontmaskerde Jezus de huichelarij van de Farizeeën en
schriftgeleerden en waarschuwde Hij de mensen zich niet door deze blinden
te laten leiden (Mattheüs 15:14). Hij kon hun gesjoemel met Gods wet niet
verdragen (Marcus 7:8-13).
Een ander
opvallend kenmerk van het leven van Jezus is Zijn enorme bewogenheid met
de mensen en Zijn macht om krachtdadig in te grijpen. Hij genas zieken.
Blinden gingen zien, doven gingen horen en verlamden konden weer lopen.
Zij die enorm veel verdriet hadden, omdat er net een geliefde gestorven
was, werden getroost, doordat Jezus Christus de dode weer tot leven wekte.
Hij was met ontferming over de scharen bewogen, omdat ze voortgejaagd
werden als schapen, die geen herder hebben (Mattheüs 9:36). Daarom spande
Hij Zich in om zoveel mogelijk te vertellen over Wie God is en wat het
Koninkrijk der hemelen is en nodigde Hij de mensen uit tot Hem te komen om
rust te vinden (Mattheüs 11:28-30). Zo openbaarde Hij Zich als de goede
Herder, Die Zijn leven inzet voor Zijn schapen (Johannes 10:11,14).
Een kenmerk
dat steeds duidelijker werd tijdens het leven van Jezus hier op aarde, is
Zijn gehoorzaamheid. Hij wist dat Hij op weg was naar het kruis om daar te
sterven. In Lucas 12:50 lezen we dat Jezus zei: “Ik moet gedoopt worden
met een doop en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is.” Hij wist
dat Hij gevangen genomen zou worden, dat Hij bespot en gegeseld zou worden
en tenslotte gedood zou worden. Hij zou in de handen van zondige mensen
vallen en vreselijk lijden moeten ondergaan. Hij, Die rondgegaan was,
weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren
(Handelingen 10:38), zou worden bespuwd en vernederd door gewetenloze
soldaten. Zij verkleedden Hem als een koning, compleet met een
doornenkroon en een rieten staf als scepter, waarmee ze Hem op het hoofd
sloegen. Toen Hij aan het kruis hing, werd Hij bespot door Zijn vijanden.
Zij tartten Hem door te zeggen dat zij in Hem zouden geloven, als Hij van
het kruis afkwam. Notabene, Hij, de eniggeboren Zoon van God, door Wie de
wereld geschapen was, werd zo vernederd. In de hof van Gethsemané had Hij
gebeden: “Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij
voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.” Er was geen
andere weg en Hij was gehoorzaam tot en met Zijn dood aan het kruis. Dit
alles deed Hij uit liefde voor u en mij, om ons te redden uit onze zonden
en ons te verlossen uit de macht van de duivel.
Golgotha
Geen mens kan in dit leven volledig begrijpen wat er op Golgotha
gebeurd is. God handelde daar. Hoe zal een mens ooit het wonder en de
diepte van Gods handelen kunnen peilen? Ons past een diep besef van
eerbied voor God, wanneer we overdenken wat daar en toen op die heuvel
buiten Jeruzalem plaatsvond. Binnen het beperkte kader van dit document
willen we een aantal punten noemen.
- Op
Golgotha bewees God Zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog
zondaren waren, voor ons gestorven is (Romeinen 5:8). Hij gaf uit liefde
Zijn Zoon, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan,
maar eeuwig leven zal hebben (Johannes 3:16). Waarom moest God op deze
wijze Zijn Zoon geven? God is heilig en rechtvaardig. Daarom is het voor
Hem onmogelijk de zonde door de vingers te zien. Nooit zal Hij de wet
onrechtmatig terzijde stellen of Zijn waarheid aanpassen. De zonde moet
gestraft worden, anders is er voor eeuwig geen contact mogelijk met God en
is de mens voor altijd verloren. Paulus legt in Romeinen 3:25,26 uit hoe
door de dood van Christus de schuld van zondaren, die hun vertrouwen op
Jezus Christus hebben gesteld, is betaald en God op rechtvaardige wijze
deze mensen hun zonden kan vergeven. Deze liefde van God voor zondaren,
welke zichtbaar geworden is in Christus Jezus, is de grootst mogelijke
zekerheid, die er bestaat. Niets of niemand kan ons van die liefde
scheiden (Romeinen 8:38,39).
-
Aan het kruis op Golgotha is de liefde, die Jezus had voor verloren
mensen, zichtbaar geworden. Hij, het Lam Gods (Johannes 1:21), gaf Zijn
leven en droeg zo onze schuld. Iemand die oprecht berouw heeft van zijn
zonden en die eerlijk aan God belijdt, mag weten dat het sterven van Jezus
de “vaste rots van zijn behoud” is. Zijn zonden zijn hem werkelijk
vergeven (1 Johannes 1:9). De kruisdood van Christus is voor de gelovige
eveneens de toegangspoort naar het eeuwige leven. Immers, hij is toen met
Christus gestorven en daarna met Hem opgewekt om een nieuw leven te leiden
(Romeinen 6: vs 4 en 8). Onze oude mens is toen meegekruisigd, opdat wij
niet langer een slaaf van de zonde zouden zijn (vs 6). De gelovige is door
het sterven van Christus niet langer onder de wet, maar onder de genade (vs
14). Het is indrukwekkend om op diverse plaatsen in de brieven van Paulus
te lezen hoezeer hij persoonlijk getroffen is door deze liefde, die
Christus voor zondaren heeft. Zo schreef hij in Galaten 2:20: “En voor
zover ik nu nog in het vlees (lichaam) leef, leef ik door het geloof in de
Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.”
- Het kruis is een ergernis voor de natuurlijke, onveranderde mens
(Galaten 5:11). Het eigenlijke probleem van de mens kwam hierdoor aan het
licht. Hij is zondaar en totaal verdorven. Het gaat niet om één of ander
gebrek dat hem aankleeft en waar hij last van heeft vanuit zijn menszijn
en dat eventueel te repareren is met wat hulp van buitenaf. Nee, hij staat
persoonlijk schuldig voor God, omdat hij persoonlijk Gods wetten heeft
overtreden (Romeinen 3:23). Daarom rust de toorn van God op hem (Efeziërs
2:3, Johannes 3:36). Het kruis van Golgotha is het bewijs, dat de mens
zichzelf niet kan redden. Daarom is het kruis aanstotelijk voor hen, die
niet bekeerd zijn. Zij die bekeerd zijn, roemen erin, omdat het verwijst
naar hun redding (Galaten 6:14).
- Op
Golgotha werd duidelijk, dat deze wereld de vijand van God is en dat zij
er niets van begrepen heeft Wie Jezus Christus is, anders zouden de
‘beheersers van deze eeuw’ Hem niet hebben gekruisigd (1 Corinthiërs
2:8). De Bijbel getuigt van de verdorvenheid van deze wereld, waarin wij
leven. Deze wereld is Gods schepping, maar zij is door Hem aan de
vergankelijkheid onderworpen (Romeinen 8:20,21). Alleen door het kruis van
Golgotha kunnen mensen uit deze ‘tegenwoordige boze wereld’ gered
worden (Galaten 1:4).
- Aan het
kruis op Golgotha versloeg Jezus Christus de duivel en alle duivelse
machten. De kop van de slang werd daar vermorzeld (Genesis 3:15). In
Colossenzen 2:14 en 15 lezen we dat Jezus Christus aan het kruis de
overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld heeft. Zo heeft
Hij over hen gezegevierd. Door
Zijn dood heeft Hij de duivel, die de macht had over de dood, onttroond
(Hebreeën 2:14). Wie op Jezus Christus zijn vertrouwen stelt, is niet
langer slaaf van de angst voor de dood (vers 15). Hij mag met blijdschap
uitzien naar het moment, waarop hij zijn Here en Redder zal ontmoeten.
Opstanding en hemelvaart
Jezus
Christus heeft door Zijn leven en door Zijn sterven aan het kruis één
van de gevolgen van de zondeval, namelijk de zonde, teniet gedaan voor die
mensen, die hun vertrouwen op Hem hebben gesteld. Het andere reeds
genoemde gevolg van de zondeval, de dood, heeft Hij voor hen die Hem
toebehoren, teniet gedaan door Zijn opstanding uit de doden. De opstanding
van Jezus Christus is de
grote bron van hoop voor de Christen. Ieder mens zonder God voert zijn
leven lang een hopeloos en uitzichtloos gevecht tegen de dood, totdat hij
de nederlaag lijdt. Een Christen echter heeft hoop op de toekomst. Hij
wordt bij zijn bekering wedergeboren tot een levende hoop (1 Petrus 1:3),
want hij weet dat hij nu op weg is naar God, naar de hemel, in de
zekerheid dat hij tijdens de reis door dit leven in de kracht Gods bewaard
zal worden (vers 5). Dit maakt zijn leven totaal anders (Hebreeën 2:15).
De vaste grond voor deze hoop is één van de meest onweerlegbare feiten
uit de geschiedenis: de opstanding van Jezus Christus.
Alle vier
evangeliën doen uitgebreid verslag van de opstanding van Jezus Christus
en Zijn verschijningen daarna. Op Paasmorgen ging een aantal vrouwen naar
het graf om Zijn lichaam te zalven. Dat lichaam bevond zich niet meer in
het graf. Er waren daar wel engelen die de vrouwen vertelden dat Hij was
opgestaan uit de doden, zoals Hij gezegd had. Die dag verscheen Hij aan de
bedroefde Maria Magdalena. Later die dag verscheen Hij aan twee
volgelingen die onderweg waren naar het stadje Emmaüs. Zij herkenden Hem
eerst niet. Aan hen legde Jezus uit door middel van citaten uit het Oude
Testament, dat de Christus eerst moest lijden om tot Zijn heerlijkheid in
te gaan (Lucas 24:26). Diezelfde dag verscheen Jezus ook aan Petrus en aan
de elf discipelen. Op een bepaald moment verscheen Hij aan meer dan 500
mensen tegelijk. Paulus verwijst daarnaar in 1 Corinthiërs 15. Hij voegt
eraan toe dat de meesten nog in leven waren op het moment van het
schrijven van zijn brief. Met andere woorden: als de Corinthiërs het niet
wilden geloven, konden zij het feit van de opstanding van Christus
natrekken bij honderden ooggetuigen.
Tijdens
Zijn verschijning in Galilea heeft Jezus Christus het volgende tegen Zijn
discipelen gezegd: “Mij is gegeven alle macht in de
hemel en op de aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn
discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen
Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik
ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.” (Mattheüs
28:18-20). Dit is onze troost in de 21ste eeuw: Jezus Christus
is ook vandaag de Heer over alles en iedereen (Handelingen 10:36). En Hij
is bij hen, die Hem toebehoren.
Lucas
vertelt in Handelingen 1 hoe Christus bij Zijn laatste verschijning
uitlegde dat Zijn zichtbare koningschap over Israël nu nog niet aan de
orde is, maar dat dit later zal komen op Gods tijd. De apostelen kregen de
opdracht om in de kracht van de Heilige Geest Zijn getuigen te zijn tot
aan het einde der aarde. Daarna steeg de Here Jezus op naar de hemel. Twee
engelen vertelden de apostelen dat de Here Jezus op dezelfde wijze weer
terug zou komen. Wanneer Hij terugkomt, komt Hij terug als Rechter en zal
Hij heel deze wereld oordelen (Mattheüs 25:31, Handelingen 17:31). Nu is
Hij aan de rechterhand van God de Vader om voor ons te bidden (Marcus
16:19, Romeinen 8:34, Efeziërs 1:20, Colossenzen 3:1, Hebreeën 1:3,
Hebreeën 7:25). Jezus Christus leeft nu. Hij is gisteren en heden
Dezelfde, tot in eeuwigheid (Hebreeën 13:8).
Tot zover
het getuigenis van de Bijbel over Jezus Christus.
b. Wat zegt de Bijbel over het deel krijgen aan Christus?
Hoe
krijgt een mens deel aan Christus? Het antwoord op deze vraag is één van
de belangrijkste thema’s van het hele Nieuwe Testament.
In het
Nieuwe Testament komt meer dan 100 keer het woord ‘evangelie’ voor.
Het betekent ‘blijde boodschap’. Heel kort samengevat is de inhoud van
die blijde boodschap: Jezus Christus. Lucas zei
van Filippus, die aan de mensen in Samaria het evangelie bracht: “Hij
predikte hun de Christus” (Handelingen 8). Toen Paulus naar de
hoogbeschaafde Griekse stad Corinthe reisde om daar het evangelie te
brengen, had hij zich voorgenomen niet met geleerde woorden aan te komen,
maar het nergens anders over te hebben dan over “Jezus Christus en Die
gekruisigd” (1 Corinthiërs 2:2). De inhoud van het evangelie is de
Persoon en het werk van Jezus Christus. Hij is de Zoon van God, Die in de
wereld gekomen is om de mensen te redden van de zonde en van de dood. Door
Zijn sterven heeft Hij de zonden verzoend van allen, die in Hem geloven en
door Zijn opstanding heeft Hij voor hen de dood overwonnen. Wie dit
evangelie gelooft en zijn vertrouwen niet langer stelt op eigen goede
werken of eigen godsdienstigheid, maar alleen op Jezus Christus, wordt
gered en krijgt zo deel aan Hem. Jezus Christus is voor hem of haar
gestorven en opgestaan. God zij gedankt voor dit evangelie!
Er gebeurt
enorm veel in het leven van een mens, als hij last krijgt van zijn zonden
en zich begint te realiseren dat hij voor eeuwig verloren gaat en dat er
voor hem geen andere redding mogelijk is dan zijn vertrouwen op Jezus
Christus te stellen. Als hij zich dan helemaal overgeeft aan Hem, wordt
hij gered. De Bijbel noemt dit bekering, dat wil zeggen zijn leven krijgt
een totaal andere richting. Eerst leefde hij voor deze wereld, voor
zichzelf en voor zijn eigen eer. Nu leeft hij voor Christus, Die voor hem
gestorven is en opgewekt (2 Corinthiërs 5:15). De gelovige heeft berouw
gekregen van al zijn zonden. De Heilige Geest heeft hem van die zonden
overtuigd en hij belijdt ze van harte aan God. Hij wordt opnieuw geboren
(Johannes 3:7). Eigenlijk staat daar: ‘van bovenaf geboren’. Dat
betekent dat de Heilige Geest in hem komt wonen. Een jonggestorven Schotse
Puritein omschreef het geloof heel treffend als volgt: het geloof is het leven van God in
de ziel van een mens. Dat nieuwe leven van God spoort hem aan om
voor God vrucht te dragen (Romeinen 7:4). De gelovige krijgt ook een ander
thuis. Eerst bevond zijn thuis zich in deze wereld van zonde, ellende en
dood. Nu wordt de hemel zijn thuis (Galaten 1:4, Efeziërs 2:6,
Colossenzen 3:3, Hebreeën 11:13,14). Hij gaat behoren bij het Koninkrijk
der hemelen (Colossenzen 1:13).
Bij deze bekering
en de wedergeboorte van een mens is het kruis van Golgotha duidelijk
zichtbaar. De Christen krijgt namelijk deel aan de gekruisigde
Christus. Het laatste gedeelte van Johannes 12 spreekt daarover heel
duidelijk. In vers 24 kondigde Jezus aan dat Hij door Zijn dood veel
vrucht zou dragen met de woorden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien
de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf;
maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.” In vers 32 en 33
zei Hij: “Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij
trekken. En dit zeide Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou.”
Toen Jezus Christus aan het kruis genageld werd en daar stierf, trok Hij
allen die Hem toebehoren, tot Zich. Dat heeft vergaande consequenties voor
ons leven nu. We kunnen alleen maar deel krijgen aan de gekruisigde
Christus en eeuwig leven van Hem ontvangen, als wij ons eigen leven hier
in deze wereld niet meer liefhebben, maar haten, dat wil zeggen opgeven,
ervan afzien. Dit feit vinden we terug in ditzelfde gedeelte van Johannes
12 in de volgende woorden van Jezus: “Wie zijn leven liefheeft, maakt
dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het
bewaren ten eeuwigen leven” (vers 25).
Het
zojuist genoemde feit dat een mens alleen maar Christen kan worden door
het opgeven van zijn oude leven en door deel te krijgen aan de gekruisigde
Christus, wordt op meerdere plaatsen in de Bijbel bevestigd, o.a. in
Mattheüs 16. Daar zei Jezus Christus tegen Zijn discipelen: “Indien
iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis
op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal
het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil,
die zal het vinden” (vers 24, 25). Dit opgeven van het eigen leven om
Jezus’ wil is een daad van de enkeling. Geen mens kan hierin voor iemand
anders beslissingen nemen. God haat zoiets. Hij heeft de mens als enkeling
geschapen. Ieder mens is een individuele persoon met een eigen verstand,
een eigen wil en een eigen gevoel. Ieder mens draagt ook zijn eigen
individuele verantwoordelijkheid. Er bestaat niet één of andere vorm van
collectief deel krijgen aan Christus.
Het evangelie van Jezus Christus geloven en Hem vertrouwen is niet
een gecompliceerde zaak. Het is kinderlijk eenvoudig. Jezus Christus Zelf
zei daarover: “Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij
deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan
kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest
voor U” (Lucas 10:21). Helaas zijn er in latere tijden mensen geweest,
die er wel een gecompliceerde zaak van hebben gemaakt. Zij probeerden na
te gaan wat de rol van de mens is bij het ontvangen van de genade. Tot op
de dag van vandaag woeden hierover discussies die veel onheil aanrichten.
We vragen ons af hoe het mogelijk is dat mensen die de genade van God in
hun leven ervaren hebben, over zoiets nog kunnen discussiëren. Laat dit
duidelijk zijn: wie werkelijk Gods genade heeft ervaren, doordat hij gered
is, die weet dat hij in de verste verte die genade niet heeft verdiend.
Verdiende genade is per definitie geen genade. Niemand is Gods genade
waard. Onze redding vindt zijn oorsprong in God (1 Corinthiërs 1:30), ja,
in Gods liefde (Efeziërs 1:5). God is het die zowel het willen als het
werken in ons werkt (Filippenzen 2:13). Niemand kan zichzelf ‘van
bovenaf’ geboren laten worden (Johannes 3:7), evenmin als hij zijn
eerste geboorte als mens zelf heeft kunnen veroorzaken. Aan de andere kant
is het zeker zo dat God de mens niet als een robot behandelt. Diverse
keren deed Jezus Christus Zelf de oproep: “Bekeert u!” Tegen de lauwe
gemeente in Laodicea zei Hij zelfs: “Weest dan ijverig en bekeer u!”
(Openbaring 3:19). Zij moesten zich ervoor inspannen. Beide kanten zijn
waar en bij God is bekend hoe die twee kanten met elkaar in verband staan.
God heeft er een bedoeling mee gehad om ons mensen hierover verder geen
dingen in Zijn Woord te openbaren. Dat moet ons genoeg zijn en dat zal ons
genoeg zijn, als wij werkelijk eerbied voor God hebben en Hem vertrouwen
als een kind.
III. Wat is
de Gemeente?
Het antwoord
op deze vraag vinden we in het Bijbelboek Handelingen der Apostelen. Daar
wordt ons verteld hoe Jezus Christus na Zijn opstanding diverse keren aan
de discipelen verschenen is en hen van alles heeft uitgelegd over het
Koninkrijk Gods. Het ging en gaat niet om een zichtbaar Koninkrijk, maar
om een geestelijk Koninkrijk. In de toekomst zal Jezus Christus op
zichtbare wijze Koning worden over Israël en over heel de wereld, maar
dat is nu niet aan de orde. De apostelen moesten zich niet richten op de
vervulling van die profetie, maar zij werden uitgezonden om de getuigen
van Christus te zijn tot aan het einde der aarde.
Het is een
feest om het boek Handelingen te lezen. We zien hoe het handelen van Jezus
Christus in deze wereld niet beperkt is gebleven tot Zijn verblijf hier op
aarde, maar hoe Hij ook na Zijn hemelvaart is blijven handelen
(Handelingen 1:1), in en door Zijn gemeente. Het begint met de uitstorting
van de Heilige Geest op de Pinksterdag. Dit was een daad van Hem
(Handelingen 2:33). Na de toespraak van Petrus “werden er ongeveer 3000
zielen toegevoegd” (Handelingen 2:41). Dat bleef zo doorgaan. “En de Here voegde dagelijks toe aan de kring die behouden werden”
(vers 47). Het oorspronkelijke kleine groepje van 120 volgelingen
(Handelingen 1:15) groeide en groeide maar. Er zijn veel dingen die
opvallen bij de eerste gemeente. Er was blijdschap, oprechte liefde,
milddadigheid, volharding. Hoe de tegenpartij ook zijn best deed om de
gemeente kapot te maken door er huichelaars op af te sturen (Handelingen
5:1-10) of door vervolging (Handelingen 8:1), God bewaarde de gemeente. Er
heerste een grote onderlinge liefde en eenheid temidden van vervolging.
God werd verheerlijkt.
De enige
taak die de gemeente hier op aarde heeft, is getuigen van Jezus Christus
in woord en daad. Tegen de discipelen zei Jezus na de opstanding: “Vrede
zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u” (Johannes
20:21). Een paar dagen daarvoor had Hij tegen Pilatus gezegd: “Hiertoe
ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de
waarheid zou getuigen” (Johannes 18:37). Op dezelfde wijze zendt Jezus
Christus Zijn gemeente uit met de opdracht om te getuigen voor de waarheid
van het evangelie. “Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het
evangelie aan de ganse schepping” (Marcus 16:15). Dat blijft zo tot de
wederkomst van Christus. In Mattheüs 24:14 staat: “En dit evangelie van
het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis
voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.” Dit evangelie van
het Koninkrijk is de verkondiging van de gekruisigde en opgestane Christus
tot redding van zielen. Daar ligt het front. Als we willen nagaan hoe het
met het Koninkrijk der hemelen gesteld is in een bepaald land gedurende
een bepaalde periode, dan moeten we niet letten op uiterlijke dingen,
zoals een zogenaamd Christelijke beschaving, Christelijke politieke
partijen, orthodoxe theologie, rechtzinnige publicaties, kerkbezoek etc.,
etc., maar dan moeten we letten op
de kracht en de effectiviteit, waarmee het evangelie van Jezus Christus
wordt verkondigd tot redding van zondaren. Wat een tijd was dat,
toen Luther de genade verkondigde, zoals die is in Jezus Christus. Wat een
zegen heeft bijvoorbeeld de bediening van Whitefield gebracht. Wat heeft
God gewerkt in de Metropolitan Tabernacle te Londen door de prediking van
Spurgeon. God heeft zo heel veel mensen gebruikt. Er werden vele zielen
bekeerd en gered voor de eeuwigheid.
Aan
dit getuigenis van de gekruisigde Christus is een geestelijke strijd
verbonden. De overste van deze wereld, de duivel, zal alles in het werk
stellen om juist dat getuigenis te dwarsbomen, want hij gaat zijn
heerschappij over die geredde zielen kwijt en dat wil hij ten koste van
alles voorkomen. Daarom doet hij zijn best de gemeente te richten op
andere dingen dan de verkondiging van het evangelie en als het enigszins
mogelijk is, zal hij proberen een soort status-quo tot stand te brengen
tussen de gemeente en de wereld. De duivel vindt de oproepen “Bekeert
u” en “U moet wederom geboren worden” verschrikkelijk en hij zal
zich inspannen om die oproepen te voorkomen of om die een andere betekenis
te geven of om die in een verkeerd daglicht te stellen. De gemeente moet
daarop bedacht zijn en zich realiseren dat zij zich nooit mag laten
verleiden tot een soort wapenstilstand met het rijk van de boze. Het
eeuwig heil van zielen staat op het spel. Daarom moet de gemeente
voortdurend in de aanval zijn door haar getuigenis van de gekruisigde
Christus te blijven verkondigen. De eerste gemeente heeft dat gedaan. In
het boek Handelingen zien we hoe God haar daarin heeft geleid en hoe het
evangelie verspreid werd tot in Rome. Dit verspreiden is doorgegaan tot in
onze tijd. De tegenstand tegen de echte evangelieverkondiging heeft zich
ook voortgezet, want de overste van deze wereld doet nog steeds zijn
uiterste best om de zielen van de mensen gevangen te houden.
De rol van
de gemeente in deze wereld wordt duidelijk beschreven in het Nieuwe
Testament. Zij die door Jezus Christus gered worden, worden aan de
gemeente toegevoegd (Handelingen 2:47). Het is Jezus Christus Zelf, Die
aan Zijn gemeente toevoegt. Bekeringen zijn 100 procent het werk van God.
Aan zijn eigen bekering kan de mens zelf niets toevoegen; evenmin kan een
gemeente of kerk iets toevoegen aan de redding van een ziel. Met andere
woorden, de gemeente is geen heilsorgaan. Ze speelt geen rol bij het
uitdelen van de genade. Het enige wat zij kan doen, is gehoorzaam zijn aan
de opdracht van haar Heer en het evangelie verkondigen. Het geloof is uit
het horen (Romeinen 10:17) en wordt op geen enkele andere wijze
overgedragen. Het is nog steeds, ook in onze 21ste eeuw, Jezus
Christus Zelf Die de mensen redt. “Daarom kan Hij ook volkomen (‘tot
het uiterste’) behouden wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft
om voor hen te pleiten” (Hebreeën 7:25). Als God een mens genade
verleent, dan gebeurt dat door Jezus Christus Persoonlijk. Christus deelt
de genade niet uit via Zijn Lichaam, de gemeente. Hij alleen is de Weg, de
hele Weg. Er zit geen enkel stukje menselijke weg bij. Hij alleen redt
‘tot het uiterste’. Daarom zei Paulus ook: “Stel uw vertrouwen op de
Here Jezus en u zult gered worden” (Handelingen 16:31).
Wat betreft
het functioneren van de gemeente het volgende. Het Griekse woord voor de
gemeente betekent: de ‘eruit geroepenen’. Daarom kan de gemeente het
best worden gezien als een groep pelgrims, die samen op weg zijn naar de
eeuwigheid. In deze wereld zijn ze, evenals Abraham, vreemdeling geworden
door de stem van God te gehoorzamen. Ze voelen zich hier niet meer thuis
(Hebreeën 11:13-16). In hun gedrag zullen ze hun best doen zich te houden
aan de geboden van God. Daardoor functioneren zij in deze wereld als zout,
dat het bederf weert (Mattheüs 5:13). Verder zullen zij altijd bereid
zijn in een geest van zachtmoedigheid en eerbied verantwoording af te
leggen van de hoop die in hen is, aan een ieder die hen daarom vraagt (1
Petrus 3:15). En ze zullen zich door God de Heilige Geest laten leiden hoe
en waar zij kunnen getuigen van het evangelie.
De gemeente
als groep mensen past ook niet meer in deze wereld. Het gaat er totaal
anders aan toe dan men in de wereld gewend is. In de wereld zijn er altijd
machthebbers bezig, mensen die op de één of andere manier de baas spelen
en andere mensen manipuleren via de macht van het geld of de media en de
publieke opinie. In de gemeente van Jezus Christus is het precies
andersom. Hierover lezen we in Lucas 22:24-26: “Er ontstond ook
onenigheid onder hen over de vraag, wie van hen als de eerste moest
gelden. Hij (Jezus) zeide tot hen: De koningen der volken voeren
heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd. Doch
gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider
als de dienaar.” Machtsstrijd onder echte Christenen is ten enenmale
ondenkbaar. “Dient elkander door de liefde” (Galaten 5:13). Jezus
Christus Zelf gaf hiervan het voorbeeld, toen Hij de voeten van Zijn
discipelen waste (Johannes 13). Zij die van God genade hebben ontvangen
leiding te geven, zijn niet de meesters, maar de dienaren van de gemeente.
Er is nog
iets bijzonders aan de gemeente van Jezus Christus, vergeleken met de rest
van de wereld, waar alles bezig is uit elkaar te vallen. In de gemeente is
een levende harmonie en er heerst een zichtbare eenheid (Johannes
17:21,23). Dat kan immers ook niet anders. Een mens is Christen, omdat hij
deel heeft aan Christus. Dat is de bepalende factor, waardoor hij Christen
is. Er is maar één Christus, want Christus is niet gedeeld (1 Corinthiërs
1:13). Als het goed is, vormt een gemeente zo een eenheid. De vrede van
God regeert er in de harten van de gelovigen, die tot één Lichaam
geroepen zijn (Colossenzen 3:15). Er is veel mis in een verdeeld
Christendom. Het eigenlijke probleem zit dan niet in de onderlinge
relaties, maar in de relatie met Jezus Christus. De fundamentele vraag die
overblijft in situaties van verdeeldheid, is: “Ben ik
echt Christen?” Met andere woorden: “Heb ik echt deel aan die ene
Christus?” Het antwoord op die vraag is bepalend voor het beantwoorden
van alle volgende vragen. In de eerste gemeente was die eenheid er. Er
waren aanvallen, maar de boze werd weerstaan (1 Corinthiërs 1). Juist
door die eenheid en de onderlinge liefde is de gemeente een stad op een
berg, die niet verborgen kan blijven (Mattheüs 5:14). Zo is zij het licht
in deze donkere wereld.
Hierbij
hebben we nu aan de hand van de Bijbel de vragen besproken: Wie is er
Christen? en Wat is de Gemeente? We zullen nu verder gaan door de
antwoorden die de Bijbel geeft te vergelijken met de situatie in het
huidige Christendom.
IV. Hoe Bijbels is
het hedendaagse Christendom?
Er is een
zeer dringende reden om dit hedendaagse Christendom te toetsen. De zuivere
verkondiging van het evangelie van Jezus Christus staat op het spel. Wij
allen zijn afhankelijk van dat evangelie en ieder oprecht Christen
onderwerpt zich er van harte aan en heeft het lief. Wanneer hij ziet dat
het verdraaid wordt, kan hij zich niet afzijdig houden, want de eeuwige
redding van zielen staat op het spel. Paulus schroomde niet om in zo’n
situatie harde woorden te gebruiken. Aan de Galaten schreef hij: “Het
verbaast mij, dat gij u zo schielijk van degene, die u door de genade van
Christus geroepen heeft, laat afbrengen tot een ander evangelie, en dat is
geen evangelie. Er zijn echter sommigen, die u in verwarring brengen en
het evangelie van Christus willen verdraaien. Maar ook al zouden wij, of
een engel uit de hemel, [u] een evangelie verkondigen, afwijkend van
hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!” (Galaten 1:6-8). Er
vallen bij deze uitspraak van Paulus een heleboel dingen op. In de eerste
plaats de gedrevenheid van Paulus. Hij begint zijn brief niet met een
betoog om zo tot een duidelijke conclusie te komen, maar hij valt met de
deur in huis. Verder spreekt hij zijn veroordeling uit in zeer scherpe
bewoordingen. Ook betrekt hij zichzelf bij die vervloeking. Het betreft
hier immers niet een meningsverschil tussen twee partijen, maar het
evangelie zelf is in het geding. De waarheid van dat evangelie is ver
verheven boven alle menselijke meningen. Menselijke meningen zullen zich
overigens altijd verzetten tegen het evangelie, want het evangelie is niet
naar de mens (Galaten 1:12). Tenslotte, als Paulus het heeft over
“sommigen, die het evangelie van Christus willen verdraaien”, dan
houdt dat in dat het evangelie zich duidelijk laat omschrijven, zodat, als
iemand het werkelijk verdraait, dit objectief vastgesteld kan worden. Dit
vaste evangelie, waar Paulus het over heeft, verandert niet met de tijd
mee. Het is toen eenmaal de heiligen overgeleverd en wij behoren hiervoor
tot het uiterste te strijden (vergelijk Judas 1:3).
Nu is het
zo, dat de leiders uit verschillende stromingen binnen het huidige
Christendom de pretentie hebben dat hun manier van Christen zijn naar Gods
wil is en dat hun Christendom het Christendom van de Bijbel is. Dit feit
dwingt ons ertoe om aan de hand van de Bijbel een antwoord te geven op de
vraag: Hoe Bijbels is het hedendaagse Christendom?
Allereerst
een paar opmerkingen vooraf. Met “Christendom” bedoelen we hier de
uiterlijke vormen van het Christendom. Dat levert meteen al een probleem
op, want het hedendaagse Christendom is enorm gevarieerd. Op zich is dat
al een slecht teken. Er zijn wel een paar stromingen te onderscheiden,
namelijk, a. De Rooms-katholieke kerk, b. de Vrijzinnig Protestantse
kerken, c. de Orthodox Protestantse kerken, d. de Evangelische beweging.
Er zijn dwarsverbindingen, maar die laten we in dit document rusten. Per
stroming zullen we tot een soort beschrijving moeten komen. Hierbij dienen
we uit te gaan van waarneembare feiten. Niemand kan het hart van een
medemens voor 100 procent kennen. Dat kan alleen God. Aan de hand van de
vruchten zijn er echter wel conclusies te trekken (vergelijk Mattheüs
7:16,20). Die vruchten zijn objectief waarneembare feiten in iemands leer
en leven. Deze worden nu verder als uitgangspunt genomen.
Verder kan
een vergelijkende beschrijving alleen maar plaatsvinden aan de hand van
bepaalde criteria. Wij kiezen voor de volgende criteria: 1. Hoe is binnen
die stroming de houding ten opzichte van de Bijbel? 2. Welke definitie van
een Christen wordt er in de praktijk gehanteerd? 3. Hoe ziet men de
functie van de gemeente? Daarna formuleren we een conclusie.
a. De Rooms-katholieke kerk
1. Hoe is de houding ten
opzichte van de Bijbel binnen de Rooms-katholieke kerk?
Wie de
huidige Katechismus van de Katholieke kerk ter hand neemt, ziet achterin
een index met ongeveer 3000 verwijzingen naar Bijbelteksten. Dat lijkt erg
betrouwbaar, maar dat is het niet. Het gaat erom welk gezag er aan de
Bijbel wordt toegekend. In paragraaf 119 van deze Katechismus wordt
gesteld dat de kerk “de Goddelijke opdracht en de taak heeft om het
woord van God te bewaren en te verklaren.” De kans dat de
Rooms-katholieke kerk zich ooit zal laten corrigeren door de Bijbel, die
zijzelf bewaart en verklaart, is nihil. Het gezag van de kerk staat boven
het gezag van de Bijbel. Dat wordt daar nog eens met het volgende citaat
van Augustinus onderbouwd: “Ik zou het Evangelie niet geloven, als het
gezag van de katholieke Kerk mij er niet toe aanzette.”
Als een
Protestant een Katholiek erop zou wijzen, dat de Rooms-katholieke kerk
naast de Bijbel ook de Traditie als openbaring ziet, dan zal deze
Katholiek verwijzen naar paragraaf 66 van de Katechismus, waar staat:
“De Christelijke heilseconomie, die immers het Nieuwe en definitieve
Verbond (Testament) is, zal nooit voorbijgaan en er is geen nieuwe
publieke openbaring meer te verwachten vóór de glorievolle verschijning
van onze Heer Jezus Christus.” Zo op het oog lijkt de Rooms-katholieke
kerk dus ook te geloven dat de openbaring met de Bijbel afgesloten is.
Maar de volgende zin plaatst het in een heel ander daglicht: “Toch is de
openbaring, ook al is zij voltooid, niet geheel ontvouwd; het zal de taak
van het Christelijk geloof zijn in de loop der eeuwen geleidelijk de
gehele omvang ervan te begrijpen.” Zo wordt dus via een achterdeur het
gezag van de Traditie ‘gelegaliseerd’. Deze “logica” oftewel
“drogreden” – geen nieuwe openbaring, wel verdere ontvouwing – is
kenmerkend voor het hele Rooms-katholieke denken en zeer, zeer gevaarlijk
voor argeloze belangstellenden. De krantenberichten over discussies tussen
Protestantse en Rooms-katholieke theologen zijn erg verbazingwekkend. Hoe
is het bijvoorbeeld in vredesnaam mogelijk dat de Theologische
Universiteit Kampen (Gereformeerd (vrijgemaakt)) als één van de sprekers
voor een symposium over de geloofsbelijdenissen van de Reformatie dr. E.
de Jong, de hulpbisschop van Roermond, uitnodigde? Deze zei toen in dat
gezelschap: “Het Woord van God is nooit los van de Kerk verkrijgbaar.”
Vervolgens lees je niet, dat hij met zo’n uitspraak alle toehoorders
over zich heen heeft gekregen. Waar is het respect voor Gods Woord
gebleven? Hoe kunnen zondige mensen ooit de baas spelen over de Bijbel? En
waar was het historisch besef van dat geleerde gezelschap? Weten ze niet
meer hoe Wycliffe zich heeft ingespannen om de Bijbel beschikbaar te
krijgen voor de gewone mensen en hoe de Rooms-katholieke kerk ervoor
gezorgd heeft dat de resten van zijn lichaam 44 jaar na zijn overlijden
alsnog verbrand werden? Zijn ze Tyndale vergeten, die om dezelfde reden
door de Rooms-katholieke kerk in 1536 te Vilvoorde werd gewurgd en
verbrand? Weet men niet meer dat tot 50 jaar geleden de Rooms-katholieke
kerk het de leken verbood de Bijbel te lezen? Is het niet overduidelijk
dat de huidige leiding van de Rooms-katholieke kerk zich geen zier
aantrekt van wat er in de Bijbel staat? Anders had ze inmiddels radicaal
gebroken met haar verleden. Die zogenaamde “ontvouwing” van de
“voltooide openbaring” heeft een hele rij leerstukken opgeleverd, die
stuk voor stuk lijnrecht tegen de Bijbel ingaan. Het jaartal van de
invoering staat erbij.
- het vagevuur (593)
- aanbidding van beelden en relikwieën (786)
- celibaat van het priesterdom (1079)
- de Inquisitie (1184)
- verkoop van aflaten (1190)
- transsubstantiatie (1215)
- aanbidding van de hostie (1414)
- het verbod van de avondmaalsbeker voor de leken (1414)
- de Traditie op dezelfde voet geplaatst als de Bijbel (1545)
- apocriefe boeken aan de Bijbel toegevoegd (1546)
- onbevlekte ontvangenis van de Maagd Maria (1854)
- onfeilbaarheid van de paus (1870)
- lichamelijke hemelvaart van de Maagd Maria (1950)
Dit zijn de gevolgen als men zich niet aan het gezag van de Bijbel
onderwerpt. Dan kunnen dit soort erge dingen gebeuren. Verschrikkelijk is
het voor de mensen, die in dit warnet van leugens gevangen zitten.
In dit
document kunnen we niet alle genoemde punten behandelen. Sommige zullen
verderop nog aan de orde komen. In verband met de houding ten opzichte van
de Bijbel willen we hier wel de Mariaverering bespreken. Deze vindt geen
enkele grond in de Bijbel. Ze is ontstaan in de loop van de geschiedenis.
Er zijn haar, o.a. onder invloed van volksdevotie, zeer onbijbelse titels
gegeven, als “Moeder Gods” en “Koningin van de hemel”. Al vroeg in
de geschiedenis ontstond onder invloed van het neoplatonische
kuisheidsideaal ook het dogma, dat Maria altijd maagd is gebleven. In het
Nieuwe Testament wordt het tegenovergestelde gezegd. In Mattheüs 1:24,25
lezen we: “Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was, deed hij, zoals de
engel des Heren hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich. En hij had
geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had.” Hieruit
valt op te maken dat Jozef en Maria na de geboorte van Jezus een normaal
huwelijksleven hebben geleid. Ook wordt expliciet in bijvoorbeeld Mattheüs
13:55,56 gesproken over de broers en zussen van Jezus. Daar zeggen de
inwoners van Nazareth over Jezus: “Is dit niet de zoon van de timmerman?
Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en
Judas? En behoren zijn zusters niet allen bij ons?” Duidelijker kan het
niet. Hoe redt de Rooms-katholieke kerk zich hieruit? U kunt dat lezen in
paragraaf 500 van de Katechismus. Daar staat het volgende:
“Soms
brengt men hier tegenin dat de Schrift spreekt over broeders en zusters
van Jezus. De kerk heeft deze passages altijd zo verstaan dat hier geen
andere kinderen van de maagd Maria worden aangeduid: immers, Jakobus en
Jozef, ‘broeders van Jezus’ zijn de zonen van een Maria, een leerlinge
van Jezus, die veelbetekenend aangeduid wordt als ‘de andere Maria’ (Mattheüs
28:1). Het betreft naaste
verwanten van Jezus, overeenkomstig een uit het Oude Testament bekende
uitdrukking.”
Hier ontbreekt elke logica. De inwoners van Nazareth waren verbaasd over
het optreden van Jezus. Ze hadden het specifiek over Hem zoals ze Hem van
vroeger kenden: Jezus, de zoon van Jozef, de timmerman, die getrouwd was
met Maria. Hij had broers, die Jakobus, Jozef, Simon en Judas heetten en
Zijn zussen woonden nog steeds in hun midden. De bewering dat het hier
over een ‘andere Maria’ zou gaan is dus een heel kromme redenering.
Ook staat er in deze paragraaf nog een quasi-wetenschappelijke verwijzing.
Het Griekse woord ‘adelfos’ (= broeder) zou ook ‘naaste verwant’
kunnen betekenen. Deze door de Roomse kerk voorgestelde vertaling is een
slag in de lucht en zeker als geheel foutief aan te merken, gezien het
verdere gebruik van het woord ‘adelfos’ in het Nieuwe Testament. Het
woord komt er ongeveer 350 keer voor en wordt nooit anders vertaald dan
met ‘broeder’. Het is heel erg triest om te zien hoe menselijk denken
in staat is informatie, die niet duidelijker had kunnen zijn, toch op
zo’n manier te verdraaien, dat het gaat overeenstemmen met de dogma’s,
die men reeds heeft. Ook Luther en Calvijn zaten nog in de valkuil van
deze dwaalleer over Maria.
In de tijd,
toen ik zelf nog geen Christen was, heb ik meer dan een week lang
gesprekken gevoerd met Benedictijnse geestelijken in de St. Paulusabdij te
Oosterhout. Mij is toen dit ‘kromme’ Bijbelgebruik erg opgevallen. Pas
later, toen ik Christen geworden was, is tot me doorgedrongen wat voor een
geestelijke ramp het is, als door allerlei oorzaken de Bijbel het zwijgen
wordt opgelegd en het licht van het evangelie van Jezus Christus niet kan
doordringen. Ik kreeg het er achteraf benauwd van. Rooms-katholieke mensen
zijn zeer te beklagen. Ze hebben nog steeds geen Bijbel, geen openbaring
van God, omdat hun kerk nog steeds de baas speelt over hun denken.
b.
Welke definitie van een Christen
wordt er in de praktijk binnen de Rooms-katholieke kerk gehanteerd?
Wie in
de Rooms-katholieke kerk gedoopt is, wordt als ‘gelovige’ en dus als
Christen beschouwd. Volgens de Rooms-katholieke leer wordt door de doop de
erfzonde weggedaan, wordt de dopeling wedergeboren en lid van het Lichaam
van Christus, dat wil zeggen de kerk. Hij is nu in een toestand gekomen om
verder deel te kunnen nemen aan de sacramenten van de kerk, waardoor hij
genade kan verkrijgen. Het deelnemen aan deze sacramenten is
heilsnoodzakelijk. Het lukt nooit om in dit leven volledige zekerheid te
krijgen van de genade, want alle Rooms-katholieken gaan ervan uit dat ze
na hun dood in het vagevuur terechtkomen. Als ze niet in een staat van
doodzonde zijn gestorven en er missen voor hen worden gelezen en aflaten
gekocht, kan hun ziel na verloop van tijd uit het vagevuur in de hemel
komen. Als je wel in een toestand van doodzonde sterft, ziet het er slecht
voor je uit, want dan ben je voor eeuwig verdoemd.
Dit alles
staat in schrille tegenstelling tot wat de Bijbel hierover zegt in
bijvoorbeeld Efeziërs 2:8,9. “Want door genade zijt gij behouden, door
het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit
werken, opdat niemand roeme.” In de Rooms-katholieke kerk bestaat het
verkrijgen van de genade alleen maar uit werken. Je moet de mis bijwonen,
je moet ter biecht gaan, je moet, wil je goed sterven, het Heilig Oliesel
ontvangen en na de dood moet je lichaam worden begraven in gewijde grond,
je moet missen voor je zielenrust laten lezen, etc., etc.. Dit is geen
genade, geen vrije gift van God, maar genademechanica, uitgevoerd door de
kerk. En . . . er moet ook nog voor betaald worden.
In het
trefwoordenregister van de Rooms-katholieke katechismus verwijst het
begrip ‘bekering’ door naar ‘berouw’. Dat wordt zelf niet vermeld,
maar is terug te vinden onder ‘boete’. Het Bijbelse begrip
‘bekering’ bestaat in het Roomse denken niet. Zoals gezegd word je al
vanaf de doop beschouwd als Christen, dat wil zeggen je verkeert in een
toestand waarin je genade kunt ontvangen, als je maar deelneemt aan de
sacramenten. Dat is dus een verdienen van de genade, terwijl genade per
definitie onverdiend is. Wat een duisternis!
c. Hoe ziet men de functie van de
gemeente?
Ook bij
de behandeling van dit punt wordt op een schrijnende manier zichtbaar, wat
de gevolgen zijn als de Bijbel niet wordt aanvaard als het gezaghebbende
Woord van God en het licht van het evangelie niet kan schijnen. De
Rooms-katholieke kerk is een verschrikkelijke instelling. Zij heerst op
een afschuwelijke manier over de gelovigen door te zeggen, dat zij de
genade uitdeelt. Dat staat nergens in de Bijbel. De kerk kan een mens niet
redden, ook niet een beetje redden. Alleen Jezus Christus redt. Hij redt
nog steeds rechtstreeks ieder individu, dat niet langer zijn vertrouwen op
zichzelf, of op sacramenten, of op de kerk vestigt, maar zich
onvoorwaardelijk helemaal aan Hem toevertrouwt.
We zouden
een groot aantal bladzijden kunnen vullen met wat er allemaal niet klopt
in de Rooms-katholieke kerk, maar we zullen ons hier beperken door
puntsgewijs een aantal dingen bij langs te gaan:
* Zij meet zich de rol van de Moederkerk toe, maar zo’n rol staat
nergens in de Bijbel. De gemeente is de Bruid van Christus, maar niet de
moeder van de gelovigen.
* Het misoffer op het altaar lijkt in alles op een heidens offer. Het is
volkomen absurd om van een stuk brood te zeggen dat het het lichaam van
Christus is. Als dit de werkelijkheid was, dan zouden alle
Rooms-katholieken kannibalen zijn. Om dan ook nog dat stukje materie als
godheid te vereren door ervoor neer te knielen etc., etc., is regelrecht
heidendom. Deze ‘wisseltruc’ met het brood ‘werkt’ alleen maar op
een altaar, waar een relikwie van een gestorven heilige in zit. In de St.
Paulusabdij te Oosterhout bevonden zich ongeveer 12 altaren in de kerk.
Dan konden meerdere paters tegelijk een mis lezen ten behoeve van zielen
die zich in het vagevuur bevonden. De gastenbroeder liet ons zien hoe aan
de voorkant van elk altaar een blokje was losgezaagd. Daarachter bevond
zich een relikwie. Zoiets is gewoon afgoderij. De Heidelbergse Catechismus
had op dit punt gelijk en heeft nog steeds gelijk. De Rooms-katholieke mis
is een vervloekte afgoderij. Deze waarheid moet men mooi laten staan.
* De rol van de priester is zeer kwalijk in de richting van God en mensen.
Wat betreft God het volgende: het is te gek voor woorden dat de priester
ervan overtuigd is met de woorden “Hoc est enim corpus meum” (“dit is waarlijk mijn lichaam”) Christus te kunnen bevelen uit de hemel af te dalen en
plaats te nemen in dat platte stukje brood. Wat een waanzin! De rol van de
priester in de richting van mensen, te weten zijn parochianen, is geheel
en al onmenselijk. Hij denkt immers door het uitreiken van de hostie de
genade uit te delen. En hij beeldt zich in namens de kerk de zonden te
kunnen vergeven die hem tijdens de biecht verteld zijn. Zo heeft hij de
absolute macht over de mensen in zijn parochie. Dat is toch niet te
bevatten.
* In het reeds genoemde klooster heb ik op een zondag als toeschouwer een
kerkdienst meegemaakt. Verbaasd heb ik zitten kijken naar al de
verschillende priestermantels en het zwaaien met het wierookvat. De
liturgie vond toen nog hoofdzakelijk plaats in het Latijn. De aanwezige
Rooms-katholieke gelovigen hebben er niets van kunnen volgen. Zo wil de
God van de Bijbel absoluut niet gediend worden.
* De positie van de paus is misschien wel het ergst. Hij heeft sinds het
jaar 382 de titel “Pontifex Maximus”. Dat is de titel van de
opperpriester van de Romeinse heidense godsdienst. Men zag dus het
Christendom in het verlengde van de Romeinse aanbidding van afgoden als
Jupiter etc.!!! En de paus zet die traditie dus voort! Verder is hij
zogenaamd onfeilbaar bij het afkondigen van dogma’s. Dat kan natuurlijk
nooit. Geen mens is onfeilbaar. Zijn titel “Plaatsvervanger van
Christus” is ronduit antichristelijk te noemen. Jezus Christus Zelf
heeft gezegd: “Zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.”
Hij Zelf is door de Heilige Geest bij Zijn gemeente aanwezig.
Onvoorstelbaar is het dat, dwars tegen deze belofte van Jezus Christus in,
in een menselijk brein de arrogante misvatting kan ontstaan zich hier op
aarde te kunnen uitgeven voor de Plaatsvervanger van Jezus Christus, de
Zoon van God. Zoiets is zeker vanuit de hel geïnspireerd. Het is
verschrikkelijk om aan te zien hoe de paus zich als een soort supermens in
de Sint Pieterskerk te Rome laat vereren temidden van een overmaat aan
pracht en praal. Lijkt dit in de verste verte ook nog maar iets op het
leven van Jezus Christus? Hij had geen plaats om het hoofd neer te leggen.
Hij kwam om te dienen en drukte Zijn discipelen (ook Petrus!) op het hart
zich geen “Rabbi” of “Vader” te laten noemen, terwijl daar nu
temidden van die miljoenen euro’s verslindende religieuze kermis een
sterfelijk mens van vlees en bloed zich laat aanspreken met de titel “Heilige Vader”. Hij is
geen ‘plaatsvervanger’ van Christus, maar het tegenbeeld van Christus.
De geest van de antichrist is duidelijk herkenbaar. Laat u toch niet
misleiden!
Conclusie:
Als we al het
bovenstaande samenvatten, worden we gedwongen, ondanks die 3000
verwijzingen naar Bijbelteksten in de Katechismus, tot de conclusie te
komen, dat de Rooms-katholieke kerk heidendom is. Ja, zij is vele malen
erger dan heidendom, want het is heidendom in een Christelijk gewaad. Bij
het onderdeel over de geschiedenis gaan we na hoe dit allemaal ontstaan
is.
b. De Vrijzinnig Protestantse kerken.
1. Hoe is de houding ten opzichte van
de Bijbel binnen de vrijzinnig Protestantse kerken?
Onder
vrijzinnig Protestantse kerken verstaan we kerken, die de Bijbel niet als
de enige bron van Gods openbaring nemen. Deze richting is ontstaan ten
tijde van de Verlichting en zette zich halverwege de 19de eeuw
door in Duitsland. Van daaruit heeft ze zich over de hele wereld
verspreid. In Nederland vindt men deze vrijzinnigheid in de PKN en een
aantal andere kerken. Het komt erop neer dat men de Bijbel slechts als een
historisch document beschouwt, waarop men allerlei tekstkritische methoden
kan loslaten. Van de boodschap van de Bijbel blijft niets meer over. In de
regel is het begonnen met het twijfelen aan de schepping onder invloed van
de evolutietheorie. Vaak volgde daarop het ter discussie stellen van het
plaatsvervangende lijden en sterven van Jezus Christus. Inderdaad, het
kruis is nog steeds aanstotelijk, zelfs in kerken die zich Christelijk
durven noemen. Men gelooft niet dat Jezus Christus echt is opgestaan.
Daarmee wordt de prediking en het geloof een inhoudsloze zaak (1 Corinthiërs
15:14). Meestal ging het zo van kwaad tot erger. In plaats van schaamte
zie je bij veel voormalig orthodoxe theologen een soort missionair elan,
waarmee ze hun ‘nieuwe’ ideeën aan de man brengen.
Als men
niet meer gelooft dat Genesis 1, 2 en 3 letterlijk zo gelezen moeten
worden, gaat de hele Bijbel dicht. Men gelooft dan niet meer in de
Schepper en ontkent dat er een zondeval is geweest. Hierdoor maakt men de
komst van Jezus Christus in deze wereld en Zijn lijden en sterven voor de
zonde tot een farce. Hun “Jezus” was dus in
hun ogen een toneelspeler en bedrieger. Waarom willen ze dan wel naar zo
iemand genoemd worden? Met de mond kan er nog allerlei vaags gezegd
worden, maar per saldo komt al die wollige taal neer op de
‘geloofsbelijdenis’, die de NCRV, de Nederlandse Christelijke Radio Omroep, zo vaak op de radio laat horen: “Ik
geloof . . . . , ik geloof . . . . . , ik geloof in mensen.” Wie Genesis 1,
2 en 3 opgeeft, geeft de hele Bijbel op. Hij zegt het evangelie vaarwel en
degradeert de kerk tot een religieuze maatschappelijke instelling, die
vooral dient als plek voor rituele vieringen en levensbeschouwelijke
discussies. Dat heeft niets te maken met het Christendom van de Bijbel.
2. Welke definitie van een Christen
wordt er in de praktijk binnen de Vrijzinnig Protestantse kerken
gehanteerd?
Men
vraagt zich eigenlijk helemaal niet af wat Christen zijn inhoudt. Er zijn
genoeg vrijzinnige theologen, die in een boeddhist of een moslim iets
spiritueels zien dat zij gelijkstellen met hun eigen “Christelijke”
spiritualiteit. Iedereen die zijn gezicht wel eens in de kerk laat zien,
wordt zonder meer verwelkomd als Christen, want zo bar veel mensen komen
er niet meer. Er bestaat de uitdrukking: De vrijzinnigheid heeft geen
kinderen. Statistisch klopt dit. Elk jaar verlaten vele duizenden mensen
de PKN.
3.
Hoe ziet men er de functie van de
gemeente?
Dit is
niet meer zo duidelijk. Het evangelie van Jezus Christus heeft hen niets
meer te zeggen. Dus spant men zich ook niet in om ervan te getuigen. Wel
streeft men nog naar maatschappelijke invloed en zal men proberen op
diverse podia zijn zegje te doen. Ruim 40 jaar geleden was de
maatschappijkritiek erg in de mode. Je struikelde in die tijd gewoon over
dat woord, zo vaak werd het gebruikt. Hoe het nu is weet ik niet, maar
rond 1970 steunden bijvoorbeeld de toenmalige Gereformeerde Kerken vanuit
hun maatschappijvisie via het Werelddiaconaat de verzetsbewegingen in
zuidelijk Afrika. Wie verzint zoiets? Wat heeft het evangelie, dat Jezus
Christus zondaren redt, te maken met o.a. gewapend verzet en het plaatsen
van bommen?
Conclusie:
Al met al
biedt de vrijzinnige stroming een heel triest beeld. Het is een
demonstratie van ongeloof. Het is erg jammer dat ze zich nog wel
Christelijk noemen, want daardoor zijn ze een schande voor God en zorgen
zij voor spraakverwarring. Bovendien zijn ze vanwege hun ongelovig spreken
over de Bijbel een belemmering voor mensen die wel echt naar God zoeken.
Jezus Christus heeft gezegd: “Het is onmogelijk, dat er geen verleidingen
komen, maar wee hem, door wie zij komen!” (Lucas 17:1).
c. De Orthodoxe Protestantse Kerken
1. Hoe is de houding ten opzichte van de Bijbel binnen de orthodox Protestantse
kerken?
In de
orthodox Protestantse kerken belijdt men dat de Bijbel het Woord van God
is. Men komt er dikwijls de uitdrukking ‘Sola Scriptura’ tegen. Dat
betekent: ‘alleen de Schrift’. Deze belijdenis blijft bij woorden,
want het is niet te zien in de concrete werkelijkheid binnen deze kerken.
We zullen een aantal punten noemen.
Men heeft
naast de Bijbel een aantal belijdenisgeschriften, die volgens hen de
Bijbel uitleggen. Komen deze menselijke geschriften op alle punten overeen
met wat in de Bijbel staat? Het antwoord is: nee. Een belangrijk punt is
de doop. De kinderdoop staat niet in de Bijbel. Het geloof is een
voorwaarde voor de doop. Baby’s kunnen nog niet geloven. Het gaat enorm
tegen de Bijbel in, als iemand anders voor jou een zogenaamd verbond kan
sluiten. Het is een schending van de rechten die God aan elk individu
gegeven heeft. Trouwens, als iemand bij zijn geboorte al een gelovige is,
waarom zou hij zich later dan nog bekeren? Deze onbijbelse leer is de
oorzaak van heel veel kerkscheuringen geweest. Zie hiervoor “Terug naar
Golgotha” deel 1.
Er zijn
groeperingen, waar naast de Bijbel en de belijdenisgeschriften ook nog de
oudvaders worden geraadpleegd. Wanneer we hun artikelen en tijdschriften
lezen, dan vinden we bijna nooit iets rechtstreeks uit de Bijbel, maar
oudvader Die-en-die zei dit en dominee Die-en-die zei dat en in de Dordtse
leerregels staat dat, enz.. Hoezo Sola Scriptura? Vaak put men niet zelf
Gods waarheid uit de Bijbel, maar doet dat via oudvaders, dominees, enz.
Het individuele kerklid leest gewoonlijk dagboekjes, verhalen van dominees
etc., maar weinig de Bijbel zelf. In deze bevindelijke lectuur krijgt het
menselijk gevoel een belangrijke rol toebedeeld. Het gevoel is echter niet
betrouwbaar. Dat kan met het uur veranderen. Wanneer men zich op
menselijke wijze uitstrekt naar het hebben van bovennatuurlijke gevoelens,
stelt men zich open voor occulte invloeden. Ons oog moet niet gericht zijn
op de mens met zijn gevoel of zijn verstand, maar op de gekruisigde
Christus en de beloften van de Bijbel.
2.
Welke definitie van een Christen
wordt er in de praktijk binnen de Orthodox Protestantse kerken gehanteerd?
Hier
slaat de chaos toe. Deze chaos wordt veroorzaakt door de kinderdoop en de
daaraan ten onrechte gekoppelde verbondsgedachte. In de Gereformeerd
(vrijgemaakte) Kerk wordt zo ongeveer ieder kerklid als Christen
beschouwd. Als men als kind gedoopt is, heeft men deel aan het Verbond en
is men Christen. Als jongvolwassene wordt er in de regel openbare
belijdenis van het geloof afgelegd. Dan is alles voor elkaar. Bekering
wordt niet opgevat als een eenmalige totale levensverandering, zoals dat
in de Bijbel beschreven is. In plaats daarvan spreekt men over
‘dagelijkse’ bekering. Dat komt erop neer dat men zich inspant om
dagelijks naar Gods wil te leven. Zo heeft het begrip ‘bekering’ geen
Bijbelse inhoud meer en is ook het begrip ‘wedergeboorte’ die inhoud
kwijt. Dat is helaas een abstract theologisch woord geworden.
In streng
bevindelijke kerkgenootschappen hanteert men daarentegen de regel dat
alleen de mensen die vanwege een bepaalde bovennatuurlijke ervaring de
zekerheid hebben gekregen om aan het Avondmaal te mogen gaan, als echte
Christenen kunnen worden beschouwd. De rest van de kerkgangers behoort bij
het “uitwendig verbond”. Onlangs luidde een krantenkop in het RD:
“Verbondskind en toch niet behouden.” Deze vreselijke spagaat kom je
nergens in de Bijbel tegen. Daar is men Christen of geen Christen. Halve
Christenen bestaan niet. Jezus Christus redt een mens niet voor de helft.
Hij redt volkomen (Hebreeën 7:25) of helemaal niet. Hij redt niet alle
kerkgangers voor 10 procent en een klein gedeelte voor 100 procent. Het
idee is te absurd voor woorden. Overigens lijkt die overgrote meerderheid,
die elke zondag te horen krijgt geen Christen te zijn, daar niet zo erg
wakker van te liggen.
De hier
beschreven chaos is voor een deel terug te voeren op dwaalleringen, die in
de geschiedenis van het Christendom ontstaan zijn. In hoofdstuk 5 hopen we
erop terug te komen.
3. Hoe ziet men de functie van de
gemeente?
Alle
orthodox Protestantse kerken
belijden dat een ieder schuldig is zich te voegen bij de ware kerk
(Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 28). In artikel 29 worden de
kenmerken van de ware kerk en de valse kerk genoemd. Kiezen voor die ene
ware kerk betekent de andere vals noemen, terwijl die dezelfde
belijdenisgeschriften volledig onderschrijven! Bizar!
Er bestaat
in deze kerken een merkwaardige band tussen de kerkganger en de kerk. Men
gaat als individu onder in een collectief geheel. Het komt er in de
praktijk alleen maar op aan zich aan de uiterlijke groepscodes te houden,
kledingvoorschriften etc.. Wat er achter de voordeur, of ’s avonds laat
in de bierkeet, of tijdens het surfen op internet gebeurt, is niet zo’n
punt, als men op zondag maar gewoon kan blijven deelnemen aan de
kerkelijke routine. Deze tweedeling heeft ernstige gevolgen. Het kwaad kan
ongestoord zijn gang gaan. In de Nieuwtestamentische gemeente was die
tweedeling er niet. Daar werd de zonde concreet aangepakt en daar was de
zondagse samenkomst een hartelijke ontmoeting tussen zelfstandig
functionerende mensen, die waren levendgemaakt door de Heilige Geest.
Er zweeft
in het denken van de orthodox Protestantse kerken nog veel rond van de
geest van Rome. Rome leert dat iemand een gelovige is als hij of zij
instemt met de leer van de kerk. In het orthodox Protestantisme vinden we
dit o.a. terug bij de vragen die worden gesteld aan doopouders en aan
mensen die belijdenis doen. Men moet instemmen met de leer van de kerk en
dan wordt men gezien als Christen of, zo u wilt, als aspirant-Christen.
Verder blijkt in de praktijk dat er veel waarde wordt toegekend aan het
eigen kerkgenootschap als ‘de enige weg ter zaligheid’. Welke
verklaring kan er anders worden gegeven voor de blijvende schande van de
kerkelijke verdeeldheid? Men blijft gewoon vasthouden aan de
‘genademechanica’ van het eigen kerkgenootschap. Zo wordt de kerk een
rol toebedeeld, die totaal onbijbels is.
Conclusie:
In
diverse steden en dorpen in ons land verrijzen, soms op een steenworp
afstand van elkaar, steeds meer ‘weldoortimmerde huizen’ van die
kerken, die zeggen de hele Bijbel te geloven. Hoe is het gesteld met hun
liefde tot Jezus Christus, Die vurig gebeden heeft voor de zichtbare
eenheid van allen die door Hem gered zijn? (Johannes 17). Het accepteren
van deze verdeeldheid is het bewijs dat men zich niet door Gods Geest laat
leiden en ongehoorzaam is aan Gods Woord. Uit dit alles blijkt dat men er
geen idee van heeft Wie de heilige God is. De gemeente van Jezus Christus
bestaat uit geredde mensen, die Hem gehoorzamen en een levend contact met
Hem hebben door de Heilige Geest. Alleen deze Heilige Geest kan de eenheid
onder Gods kinderen bewerken. “Eén Here,
één geloof, één doop.” (Efeziërs 4:5). Het fundament is niet de
kerk, maar de Ene Here, Jezus Christus.
d. De Evangelische Beweging
1. Hoe is de houding ten opzichte van de Bijbel binnen de Evangelische
beweging?
Tot
voor kort zag men in de Evangelische Beweging de hele Bijbel als het Woord
van God. De Bijbel had bij sommige groepen zelfs een speciale functie. De
Nieuwtestamentische gemeente werd als een model gezien, dat in onze tijd
zo goed mogelijk moest worden nagevolgd. Deze modelbouw zal verderop
besproken worden bij de functie van de gemeente.
De laatste
jaren is er in de Evangelische beweging een kentering merkbaar wat betreft
de houding ten opzichte van de Bijbel. Sommige evangelische voormannen als
Andries Knevel en Willem Ouweneel beginnen nu openlijk te morrelen aan de
letterlijke betekenis van Genesis 1. Dat heeft niets te maken met
voortschrijdend wetenschappelijk inzicht rondom de evolutietheorie, maar
alles met de toenemende invloed van de kerkelijke theologie in de
Evangelische beweging. De verschuiving die men nu ziet, lijkt als twee
druppels water op de ‘stille revolutie’ in de Gereformeerde Kerken
tijdens de jaren zestig. Die hebben we voor onze ogen zien gebeuren.
Verderop hopen we hierop terug te komen.
Er is
rondom de Bijbel nog een belangrijke ontwikkeling gaande in de
Evangelische beweging. Er verschijnen steeds meer Bijbelhistorische romans
over bekende figuren in de Bijbel. Dit is in Amerika begonnen. Het is de
zoveelste truc van de duivel om te proberen Gods Woord uit te schakelen.
De kerkvaders hebben de Bijbel verdraaid door de allegorische uitleg. In
de Middeleeuwen en tijdens de Reformatie werden de Bijbels in de volkstaal
door de Rooms-katholieke kerk verbrand. De laatste 150 jaar heeft de
moderne Schriftkritiek haar verwoestende werk gedaan. Nu wordt bij het
evangelische en ook orthodoxe volksdeel op zeer subtiele wijze de Bijbel
geromantiseerd. De grens tussen de exacte informatie, die God in de Bijbel
gegeven heeft, en de menselijke fantasie vervaagt. Dit is een
onvoorstelbaar grote geestelijke ramp. De Bijbel is geen roman. De Bijbel
is het Woord van God, het zwaard des Geestes. God heeft haarscherp de
grens bepaald van wat er wel aan feiten in de Bijbel moest komen en wat
niet. Niemand kan die grens verleggen, onder welke vrome dekmantel dan
ook, zonder zichzelf en de lezers op een verschrikkelijke manier
geestelijk te beschadigen. In dit opzicht geldt ook dat, wie iets aan de
Bijbel toevoegt, lijnrecht tegen God in gaat. God laat dat niet
ongestraft. In Openbaring 22:18,19 staat: “Ik betuig aan een ieder, die
de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan
toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven
zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie,
God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige
stad, welke in dit boek beschreven zijn.”
2.
Welke definitie van een Christen
wordt er in de praktijk binnen de Evangelische beweging gehanteerd?
Bij de
bespreking van de Rooms-katholieke kerk zagen we een ritualisering van de
wedergeboorte. Ieder kind, dat binnen die kerk gedoopt wordt, wordt
daardoor volgens de Roomse theologie wedergeboren en erfgenaam van het
Koninkrijk der hemelen. Binnen de Evangelische beweging is de
wedergeboorte en dus ‘Christen worden’ eveneens geritualiseerd. We
zullen hier twee voorbeelden van bespreken. Het eerste is de “altar call”.
De oorsprong hiervan is te vinden in het werk van de Amerikaanse
evangelist Charles Finney (1792-1875). In de twintigste eeuw ziet men dit
ritueel o.a. bij Billy Graham en bij Pinkstervoorgangers. Na een
‘pakkende’ toespraak worden de toehoorders opgeroepen naar voren te
komen om daarmee te belijden dat ze een keuze hebben gemaakt voor Jezus
Christus. Soms wordt hen alleen maar gevraagd de hand op te steken. Dit
wordt dan gezien als hun bekering en het begin van hun leven als Christen.
De zekerheid van hun geloof berust zo op hun eenmalige eigen keuze. De
wedergeboorte wordt op deze wijze, net als in de Rooms-katholieke kerk,
veroorzaakt door menselijk handelen. Dat is totaal onbijbels. De
wedergeboorte is een ‘geboorte van bovenaf’, vanuit de hemel. Het is
een werk van Gods Geest. Het geloof is ‘het leven van God in de ziel van
de mens’. Hoe kan een mens ooit leven van God in zijn eigen ziel
brengen, door naar voren te lopen of de hand op te steken onder druk van
de opzwepende toespraak en de zachte muziek. We worden geen Christen door
iets, wat wij aan God geven, maar door wat God aan ons geeft (C.H.
Spurgeon). Talloos zijn de verslagen van evangelisatiecampagnes, waarin
gesproken wordt over een x aantal bekeringen. Daarbij werd dan gekeken naar hoeveel mensen op
de ‘altar call’ hadden gereageerd. Een trouw prediker van het
evangelie zal wel oproepen tot het geloof in Jezus Christus, maar nooit
erop aandringen daar op zo’n wijze uiting aan te geven. Hij zal er juist
maximaal op toezien dat het bij de bekering van iemand echt om een werk
van Gods Geest gaat, zodat de pasbekeerde werkelijk op Jezus Christus en
Zijn werk vertrouwt en niet op zijn eigen beslissing. In het boek "Opwekking" van Marie Monsen staan hierover belangrijke dingen. Zij
waarschuwt er heel erg voor om in de zielzorg geen onrijpe vruchten te
plukken, maar te wachten op het zichtbaar worden van het werk van de
Heilige Geest in iemand. Alleen de Heilige Geest kan iemand oprecht berouw
geven. In haar boek vertelt Marie Monsen ook over een Amerikaanse
zendelinge, die door haar collega’s zeer gerespecteerd werd. Tijdens de
opwekking in China kwam ze tot echt geloof. Daarvoor dacht ze Christen te
zijn, omdat ze vroeger in Amerika bij een ‘altar call’ aan het eind
van een evangelisatiedienst haar hand had opgestoken. Nu was haar
duidelijk geworden dat ze nooit een echte bekering en wedergeboorte had
meegemaakt.
Een ander
voorbeeld van ‘geritualiseerde’ wedergeboorte is te zien in het
foldermateriaal van “De 4 geestelijke wetten”.
Ze staan ook op internet en luiden: 1.
God heeft u lief en heeft een plan met uw leven. 2. Doordat de mens zondig
is, heeft hij het contact met God verloren. Daardoor kan hij Gods liefde
en Gods plan met zijn leven niet kennen en beleven. 3. Jezus Christus is
Gods enige antwoord op het probleem van de zonde. Door Hem kunt u Gods
liefde en Gods plan met uw leven leren kennen en beleven. 4. Wij moeten
persoonlijk Jezus Christus als onze Redder en Heer aanvaarden. Dan pas
kunnen we Gods liefde en Gods plan met ons leven leren kennen en beleven.
Hierna volgt er nog enige uitleg en wordt er het voorbeeld van een
zondaarsgebed gegeven. Wie zegt in te stemmen met dit gebed en vervolgens
op “JA” klikt, krijgt een felicitatiepagina te zien die begint met: “Gefeliciteerd
met uw beslissing Christus te accepteren.” Dit is een godsdienst,
waarbij de mens helemaal in het centrum staat. Wat is hier nog te zien van
het werkelijke lijden en sterven van Jezus Christus voor de zonde? Wanneer
men geen last heeft van zijn zonden en nooit met Jezus Christus daarover
heeft gesproken, kan men niet bekeerd zijn. Echte bekering houdt in een
echt contact met Jezus gehad te hebben via het gebed. Er staat een enorme
belofte in de Bijbel: “Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.”
Dat betekent: wie oprecht berouw heeft van zijn zonden en tot Jezus komt,
zal niet door Hem uitgeworpen worden. God heeft dat berouw dan al gegeven.
Dat is het begin. Hierna komt er een periode dat God het geloof gaat
beproeven. Hij laat ons steeds dieper onze verkeerde dingen zien. Zo
tuchtigt Hij ons, opdat we deel verkrijgen aan Zijn heiligheid (Hebreeën
12:10). De gelijkenis van de rank die gesnoeid wordt, is zeer reëel in
het leven van de Christen. Er staat verder geschreven: Strijdt om in te
gaan (Lucas 13:24). Het is een strijd tegen onze oude mens en de machten
der duisternis. Een reële bekering is dus niet even een hand opsteken of
een zondaarsgebed opzeggen.
3.
Hoe ziet men er de functie van de
gemeente?
We
zullen hier eerst stromingen binnen de Evangelische beweging bespreken,
die claimen dat zij zich houden aan het model van de Nieuwtestamentische
gemeente. Hiervan is iets zichtbaar bij de stroming van het Baptisme. Deze
begon in Nederland ruim anderhalve eeuw geleden. Ze had een moeilijk
start, omdat de sfeer in Nederland erg kerkelijk gezind was. In het begin
was er veel onderlinge verdeeldheid. Er was erg veel wind van leer. Bij
een aantal mensen was de begeerte aanwezig het evangelie van Jezus
Christus te verbreiden. Toen Spurgeon in 1863 Nederland bezocht, was er
wel van alles aan de gang, maar waren er bijvoorbeeld nog geen reguliere
Baptistengemeenten, waarmee hij in contact kon treden. Bij het ontstaan
van de Unie van Baptistengemeenten in 1891 was er geen duidelijke
geloofsbelijdenis, maar een soort overeenkomst op basis waarvan gemeenten
zich konden aansluiten. Hierbij werd wel met name de doop der gelovigen
genoemd. Toen ik “De opkomst en vestiging van het Baptisme in
Nederland” van Dr. G.A. Wumkes las over het ontstaan van de
Baptistengemeenten, bekroop mij het nare gevoel dat men het in de 19e
eeuw vooral over de geloofsdoop als Bijbels model en als basis van
gemeentevorming heeft gehad, maar weinig heeft ervaren van wat het in
werkelijkheid betekent met Christus te zijn gestorven en opgestaan in een
nieuw leven. Hoe zou men anders de vele scheuringen die er zijn geweest,
kunnen verklaren? Er is een groot verschil te constateren met de 19e
eeuwse Baptistengemeente in de Metropolitan Tabernacle te Londen.
Eigenlijk is er nog steeds geen duidelijkheid in de hedendaagse
Baptistenbeweging hier in Nederland. Die duidelijkheid is er onder andere
niet wat betreft het lidmaatschap. In de Unie van Baptistengemeenten is
men gaan werken met een apart soort lidmaatschap. Men kon naast gedoopt
lid ook ‘vriend’ van de gemeente zijn. Er is zelfs over gesproken om
deze ongedoopte leden ook stemrecht te geven. Daarnaast is er geen
duidelijkheid in de leer. Dit wordt mede veroorzaakt door de invloed van
de kerkelijke theologie, omdat de opleiding tot Baptistenpredikant voor
een deel plaatsvindt aan een vrijzinnige theologische faculteit.
Tegenwoordig is dat aan de VU. In het verleden hadden vanwege die
vrijzinnigheid een groep Baptistengemeenten zich niet aangesloten bij de
Unie. Zij vormden de Broederschap van Baptistengemeenten (1981).
Gewoonlijk werden zij “Vrije Baptistengemeenten” genoemd. Sinds kort
zijn er echter weer verkenningen tussen de Unie en de Broederschap (nu, na
wat fusies, ABC-gemeenten geheten). Wie schuift op naar wie? Ook is er
geen duidelijkheid in de vormgeving van de dienst op zondag. Veel Vrije
Baptistengemeenten zijn gaan lijken op Evangelische gemeenten met hun
reli-entertainment. Er is weinig meer te merken van oprechte eerbied voor
God. De vreze des Heren is volledig zoek. Uit alles blijkt: de Bijbelse
doop alleen maar navolgen als model is desastreus. Het gaat om oprechte
bekering.
Hierna
noemen we de Vergadering van Gelovigen. Deze beweging werd gestart door
J.N. Darby (1800-1882). Hij heeft ook Nederland bezocht. Zijn volgelingen
proberen op een wettische manier het samenkomen op zondag precies volgens
de gegevens van het Nieuwe Testament te doen. Meestal spreken zij over
‘samenkomen rond brood en beker’. Er wordt geen leiding aan de
samenkomst gegeven. Iedere man die iets op zijn hart heeft, kan dat
doorgeven. In hun optiek wordt zo de leiding overgelaten aan de Heilige
Geest. Dat kan pijnlijke situaties opleveren. Een ex-bezoeker van zulke
samenkomsten vertelde me een keer 20 minuten van volkomen stilte te hebben
meegemaakt tijdens zo’n dienst. Niemand wist blijkbaar wat te zeggen.
Bij de ‘gesloten broeders’ was de regel dat de vrouw een bedekt hoofd
moest hebben in de samenkomst. Verder moesten de vrouwen zwijgen. Zij
mochten trouwens wel meezingen. Als er geen muziekbegeleiding was, dan
zetten de vrouwen in. In theorie dachten de broeders op deze manier van
samenkomen het Bijbelse model na te volgen. Maar het navolgen van een
model is het navolgen van een wet. De echte bewogenheid voor verloren
zielen ontbreekt. De verscheurdheid van het Lichaam van Christus raakt hen
niet. Men is vooral met zichzelf bezig en met de profetieën over de
eindtijd. Er is ontstellend veel Bijbelkennis in het hoofd over
bijvoorbeeld de bedelingenleer, de Opname van de gemeente, etc., etc.,
maar wat zit er in het hart? Dit is al heel lang zo. Spurgeon schetste in
“The Sword and the Trowel” een soortgelijk beeld van de Darbisten. Ook
Dr. Kalley, de zendingspionier in Brazilië, ondervond de nare effecten
van deze beweging. Kort samengevat komt dat negatieve effect hierop neer:
bruikbare gelovigen en werkers in Gods Koninkrijk die zich bij de
Darbisten aansloten, raakten hun geestelijke bruikbaarheid helemaal kwijt.
Zij waren alleen nog maar gefocust op de eigen club en op hun eigen
kennis. Dr. Wumkes geeft in het voornoemde boek eveneens een aantal van
dit soort gevallen weer. De slinkse wijze, waarop vertrekkende
‘broeders’ geprobeerd hebben zoveel mogelijk mensen mee te krijgen,
was ook in Nederland te zien.
De andere
vorm van Nieuwtestamentische ‘modelbouw’, die erg veel voorkomt in
Nederland, is de Pinksterbeweging. Daar claimt men de kenmerken van de
Nieuwtestamentische gemeente te hebben, omdat zij de Geestesdoop zeggen te
kennen. Zij beweren de gaven van de Geest te hebben, maar dat is maar de
vraag. De echte Heilige Geest is enorm heilig, en Die laat Zich niet
gebruiken. Men heeft het nooit over een grondige bekering, over zondebesef
en over de echte vruchten van de wedergeboorte. De eerbied voor God, voor
Jezus Christus en voor de Heilige Geest in woord en in daad ontbreekt
geheel. In de Bijbel staat duidelijk dat de Heilige Geest niet van
Zichzelf maar van Jezus Christus getuigt. In de Pinksterbeweging en de
charismatische beweging staat de mens, die zogenaamd met de Heilige Geest
vervuld is, centraal. De sfeer tijdens de diensten is oppervlakkig en
oneerbiedig. De pinkstergelovigen spelen de baas over hun ‘heilige
geest’. Hun ‘heilige geest’ lijkt in niets op de Heilige Geest van
de Bijbel. Ter verduidelijking het volgende. Een charismatisch predikant
hielp de Heilige Geest zogenaamd een handje door mensen bij het
‘ontvangen’ van de tongentaal een aantal woorden voor te zeggen. Een
Pinkstervoorganger zei eens over de frequentie van het profeteren in de
gemeente het volgende: “Het gaat net als bij konijnen. Eerst heb je een
paar profetieën, dan opeens een heleboel.” Verder komen er duidelijke
gevallen van occultisme binnen de Pinksterbeweging voor. Het is
verschrikkelijk wat er gebeurt bij de Torontoblessing. Er zijn video’s
van samenkomsten, waarbij regelrechte symptomen van sjamanisme te zien
zijn. En dat alles moet doorgaan voor een werk van Gods Geest. Het lijkt
er in de verste verte niet op. De Bijbel leert ons dat de Heilige Geest
Christus openbaart, dat Hij de wereld overtuigt van zonde, gerechtigheid
en oordeel. Daarvan is niets te zien. Paulus waarschuwde niet voor niets
dat de satan zich kan voordoen als een engel des lichts.
Bij de
gemeentevorming in de Evangelische beweging komt erg veel wildgroei voor. Vaak ontstaat een gemeente rondom een bepaalde persoon. Een groot
deel van de gemeenten is charismatisch. Deze noemen zich dikwijls
“Evangelische gemeente”, omdat de naam “Pinkstergemeente” niet
zo’n goede klank meer heeft vanwege allerlei uitwassen. In de gemiddelde
Evangelische gemeente neemt de samenkomst op zondag de centrale plaats in.
In die dienst neemt het zingen, vaak onder leiding van een worship leader,
een groot gedeelte van de tijd in beslag. De begeleiding gebeurt meestal
door een muziekbandje. Via internet zijn er diensten te volgen. We zijn
enorm geschrokken van de tekst van de liederen, de sfeer tijdens het
zingen en de dingen die er tussendoor gezegd werden. Dit soort
reli-entertainment heeft niets meer met het echte geloof in Jezus Christus
te maken. Een rondgang langs een aantal sites van Evangelische gemeenten
laat dingen zien die plaatsvervangende schaamte oproepen. Er wordt in
samenkomsten gedanst en met vlaggen gezwaaid. Wat heeft zoiets nog te
maken met het Christendom van de Bijbel?
Conclusie:
De
Evangelische gemeenten vormen een kakelbont geheel. Woorden als bekering
en wedergeboorte kom je nog zo nu en dan tegen, maar deze zijn hun
Bijbelse betekenis allang kwijtgeraakt. Veel dingen in de charismatische
hoek worden gepresenteerd als de eerste nieuwe terugkeer naar de Bijbel
sinds het boek Handelingen, maar ach, er is niets nieuws onder de zon. In
de eerste eeuwen van het Christendom liet Tertullianus zich al het hoofd
op hol brengen door precies dezelfde geestdrijverij, het Montanisme,
waarin de ‘profetessen’ Maximilla en Priscilla een hoofdrol speelden.
In de Middeleeuwen zijn de flagellanten actief geweest. Onder hen kwamen
extatische toestanden voor en waren er profetieën over het einde van de
wereld. De periode van de Reformatie heeft zijn Schwärmereien gekend.
Bekend zijn de ‘Zwickauer Propheten’, die geprobeerd hebben in
Wittenberg de zaak van de Reformatie op de kop te zetten in de tijd dat
Luther op de Wartburg verbleef. Luther is, zodra dit mogelijk was,
teruggekeerd naar Wittenberg en begon een serie actuele, Bijbelse preken
te houden. Weldra zagen deze mensen, die door Luther ‘Schwärmer’
werden genoemd, in dat hun kans verkeken was en ontvluchtten zij de stad.
De geschiedenis leert ons: geestdrijverij is van alle tijden. Jezus
Christus noemde in Mattheüs 7:22 juist daden van geestdrijvers. Daar
staat: “Here, Here, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd en in Uw
naam boze geesten uitgedreven en in Uw naam vele krachten gedaan?” Jezus
Christus heeft die vele geestdrijvers nooit gekend. Het zijn werkers der
wetteloosheid (vers 23).
Symptomatisch
voor de oppervlakkigheid van de Evangelische beweging is het materiaal dat
aangeboden wordt in de zogenaamde ‘Evangelische Boekwinkels’. Dat valt
overigens niet meer te vergelijken met 40 jaar geleden. Er is nu veel
prullaria te koop, dat alleen maar heftige verontwaardiging oproept:
Spaarvarkens met de tekst “Jesus saves”, en een model van een koe met
daarop “Boe, boe, boe, Jesus loves you”. En dan al die bagger van
‘evangelische’ thrillers, hard rock gospel, etc., etc. Wat betreft de
rest van de Evangelische beweging hebben we in dit document allerlei
charismatische uitwassen als bijvoorbeeld ‘spiritual mapping’ en
leiders, die zichzelf ‘apostel’ noemen, maar even buiten beschouwing
gelaten. Het is al erg genoeg. Als geheel genomen is de Evangelische
beweging een grote Evangelische ramp
geworden.
e. Slotconclusie:
Aan het
begin van dit gedeelte stelden we ons de vraag: “Hoe Bijbels is het
hedendaagse Christendom?” Na dit overzicht lijkt het er op dat de Bijbel
en het hedendaagse Christendom twee verschillende zaken zijn geworden, die
weinig meer gemeen hebben. Het bedrieglijke is dat dit Christendom nog
altijd de schijn heeft te leven. De kerken zijn nog volop in beweging. Er
zijn theologische universiteiten en faculteiten en er verschijnt nog
steeds een stroom aan theologische publicaties. Er is een grote
evangelische omroep. Er zijn Christelijke kranten en tijdschriften etc.,
etc. Er worden congressen belegd en herdenkingen gehouden. Er verschijnen
nieuwe vertalingen of herziene vertalingen van de Bijbel. Maar waar is de
onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de Bijbel als het Woord van God? Waar
is de kracht van de evangelieverkondiging? Hoe is het met de
gehoorzaamheid aan Christus gesteld? Welke gelijkenis vertoont dit
Christendom nog met Christus? Waar gaat het in dit Christendom om, om de
kerk of om Christus? Men komt in de Christelijke literatuur nauwelijks nog
iets tegen dat de Persoon van Jezus Christus als onderwerp heeft. Wel komt
uitgebreid de kerk in al haar facetten voor het voetlicht. Wie eerlijk is,
zal moeten erkennen dat in de Nederlandse situatie de naam Christendom
achterhaald is. De naam
kerkendom is meer op zijn plaats.
Hoe het zover heeft kunnen komen, wordt in het volgende gedeelte
besproken.
V.
Wat leert ons de geschiedenis?
In dit
overzicht worden twee historische ontwikkelingen aan de orde gesteld, die
de gemeente van Jezus Christus ernstige schade hebben toegebracht. De
eerste ontwikkeling hebben we aangeduid met de term ‘corpus christianum’.
Dit is de uitdrukking die wordt gebruikt om de Christenheid aan te duiden
sinds de tijd van Constantijn de Grote. Het ‘corpus christianum’
bepaalt nog steeds in belangrijke mate het uiterlijk van het huidige
Christendom. De andere historische ontwikkeling is de Verlichting. Ze
wordt beschouwd als een reactie op het Middeleeuwse denken en is de
bepalende factor van het huidige westerse denken. Tot slot volgen een paar
opmerkingen over de recente Protestantse theologie tegen de achtergrond
van deze twee geschetste ontwikkelingen.
a. Het
‘corpus christianum’.
Eerst
iets over de tijdgeest van de eerste eeuwen van onze jaartelling. Deze was
niet nadrukkelijk religieus, maar in belangrijke mate filosofisch
geworden. Dit werd veroorzaakt door de Griekse beschaving, die toen was
doorgedrongen in het hele Middellandse Zeegebied. De bekendste filosoof
was Plato (ca. 427-347 v. Chr.). Hij kan eigenlijk gezien worden als de
grondlegger van de filosofische wetenschap. Wat is filosofie eigenlijk?
Het is een poging om vat te krijgen op deze werkelijkheid door middel van
abstract nadenken. Zo’n poging heeft geen enkele kans van slagen. De
twee grote problemen van dit bestaan, de zonde en de dood, moeten bij die
poging buiten beschouwing blijven, want geen enkele filosoof heeft
daarvoor een oplossing. Hoe heeft Plato de zaak aangepakt? Hij gebruikte
een methode die later talloze malen in andere situaties is herhaald. Hij
verdeelde als het ware de werkelijkheid in twee lagen, het
bovennatuurlijke, dat hij het Rijk der Ideeën noemde, en de gewone
natuur, de zichtbare werkelijkheid. Die bovennatuur zou bepalend zijn voor
de gewone natuur. Vervolgens claimde hij dat hij door diep nadenken, door
abstractie, in staat was die bovennatuur te kennen. Zo dacht hij greep te
hebben op heel de werkelijkheid. Een aantal eeuwen later kwam er
hernieuwde aandacht voor het denken van Plato, het neoplatonisme. De
bekendste vertegenwoordiger van die stroming was Plotinus (ca. 204-270).
Heel in ’t kort komt zijn visie erop neer, dat de mens grip kan krijgen
op de bovennatuurlijke laag met behulp van het gevoel. Het is daarom niet
verwonderlijk dat het neoplatonisme een belangrijke bron is geweest voor
de mystiek uit latere eeuwen.
Hoe heeft
de apostel Paulus gereageerd op het denken van zijn tijd? Hij was groot
geworden in Tarsus, een stad in het zuidwesten van het huidige Turkije.
Uit zijn brieven kunnen we opmaken, dat hij op de hoogte is geweest van de
Griekse geschriften en het Griekse denken. Hij veroordeelt het in de meest
scherpe bewoordingen. Deze veroordeling komt het best tot uiting in zijn
eerste brief aan de gemeente in de hoog beschaafde Griekse havenstad
Korinthe. Hier zijn zijn eigen woorden: “Want het woord des kruises is wel
voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden
worden, is het een kracht Gods. Want er staat geschreven: Verderven zal Ik
de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen.
Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van
deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? Want
daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend
heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden
hen, die geloven. Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken
zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor
Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die
geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht
Gods en de wijsheid Gods.” (1 Corinthiërs 1:18-24). Paulus laat er geen
spaan van heel. Filosofie is dwaasheid, filosofen kennen God helemaal
niet.
In het
tweede hoofdstuk van deze brief gaat Paulus nog een stap verder. Daar legt
hij uit dat het evangelie van Jezus Christus zich niet laat vangen in
menselijke bewoordingen. Paulus zegt daarover: “Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door
menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het
geestelijke met het geestelijke vergelijken” (vers 13). De vertaling van
het NBG is niet in overeenstemming met de Griekse grondtekst. De correcte
vertaling, die dus ook helemaal in de context past, luidt: “Hiervan
spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar
door de Geest geleerd zijn, zodat wij de
geestelijke (dingen) door middel van geestelijke (woorden) uitleggen.”
(Het
hier gebruikte Griekse woord voor “uitleggen” werd in het door Paulus
veel gelezen Griekse Oude Testament, de Septuagint, gebruikt in de
geschiedenissen over Jozef en Daniël bij het weergeven van dromen
“uitleggen”) Het evangelie van Jezus Christus laat zich ten enenmale
niet vangen in menselijke woorden en filosofische begrippen. Deze tekst
laat zien dat elke poging daartoe door bijvoorbeeld de apologetiek, om
daarmee zogenaamd het Christendom te verdedigen tegenover de wereld, tot
mislukken gedoemd is. Er komt altijd onheil uit voort. Verderop zullen we
dat zien gebeuren.
We zullen
nu concreet nagaan wat de invloed van de Griekse tijdgeest op het
Christendom is geweest. Dat is een breed onderwerp. Daarom verdelen we het
in een aantal punten.
1.
De apologeten en de vroege kerkvaders.
Twee
dingen vallen erg op gedurende de eerste eeuwen van het Christendom. Het
eerste is, dat er veel geleden is om het geloof. Keizer Nero heeft hen
wreed vervolgd. Christenen werden gediscrimineerd. De Griekse filosoof
Celsus omschreef hen als onbeschaafde en domme mensen, die de vreemdste
dingen geloven. Het stak de Romeinen met name dat Christenen niet meededen
met de keizercultus en zo hun aandeel niet leverden in de opbouw van het
rijk. Een tijdlang waren er op diverse plaatsen in het Romeinse rijk
vervolgingen. Bekend is de vervolging in Rome onder keizer Nero (64). Ook
bekend is het verslag van de vervolging in Smyrna (ca. 165), waarbij
Polycarpus ter dood werd gebracht. Onder keizer Decius (250) en
Diocletianus (303) werden er vervolgingen georganiseerd van rijkswege. De
Romeinse beschaving was bijzonder wreed en ruw. Er is door de Christenen
verschrikkelijk geleden. Aan de vervolgingen kwam een einde, toen in 313
keizer Constantijn de Grote vrijheid van godsdienst afkondigde voor de
Christenen.
Het andere
opvallende punt is de invloed van het hierboven genoemde Griekse denken op
Christenen, zelfs op Christenen die voor hun geloof gestorven zijn. De
eerste die we willen noemen is Justinus
de Martelaar (103 – ca. 165). Ook werd hij wel Justinus
de Filosoof genoemd, want dat was gedurende zijn hele leven het beroep
dat hij uitoefende. Hij richtte zich door middel van een geschrift tot
keizer Antoninus Pius, opdat die iets zou doen aan de vervolging van
Christenen. In deze Apologie bestrijdt hij de vele vooroordelen jegens
Christenen en legt hij kort uit wat het Christendom inhoudt. In hoofdstuk
59 van dit geschrift zegt hij dat Plato zijn ideeën over de schepping aan
de geschriften van Mozes heeft ontleend. Hij voert geen apart historisch
bewijs aan dat Plato echt het Oude Testament heeft gelezen. Blijkbaar was
dit idee al een onderdeel van het Christelijke gedachtegoed geworden. Het
gaf het Christelijke geloof oudere papieren dan het overheersende Griekse
denken van die tijd. In hoofdstuk 13 van de Tweede Apologie geeft hij aan
dat er overeenkomsten zijn tussen de leringen van Plato en die van Christus. Alles wat er aan goede dingen was gezegd,
beschouwde Justinus als het eigendom van de Christenen. Zo annexeerde hij
het Griekse denken. In hoofdstuk 46 van zijn Eerste Apologie beweerde
hij met stelligheid, dat Socrates en Heraclitus Christen waren! Wat moet
het begrip “Christen” al ontaard zijn bij Justinus! Het evangelie van
Jezus Christus is bij hem totaal verworden tot filosofie. Wat een ramp! De
god van deze wereld had hem met blindheid geslagen. Dit staat in schril
contrast met het feit dat hij later samen met zes andere Christenen
omwille van zijn geloof terechtgesteld is.
Ook in het
leven van Origenes van Alexandrië
(185-253/254) zien we deze tweespalt. Het lijden omwille van het geloof is
duidelijk zichtbaar. Zijn vader stierf als martelaar, toen Origenes nog
geen twintig jaar oud was. Zelf overleed hij aan de gevolgen van de
martelingen, die hij had ondergaan tijdens de vervolging van keizer Decius.
Maar in zijn denken stond hij enorm onder invloed van de Grieken. Vanwege
zijn leer is hij nooit erkend als kerkvader. Eusebius (ca. 263 – ca.
339), de eerste kerkhistoricus, is echter vol lof over hem. De geschriften
van Origenes hebben erg veel invloed gehad. Het belangrijkste thema van
zijn geschriften is wijsheid. Op veel plaatsen is de tweedeling van Plato
te herkennen. De Bijbeluitleg van Origenes vertoont gelijkenis met de
geschriften van de door hem bewonderde Philo (20 v Chr. – 40 na Chr.).
Deze gehelleniseerde Jood bracht een synthese tot stand tussen het Oude
Testament en de Griekse filosofische geschriften. Op zich kan dat
natuurlijk niet. De openbaring van God laat zich niet mengen met
menselijke kennis. Philo loste dat op door de allegorische uitlegmethode.
Aan de letterlijke tekst kende hij een diepere geestelijke betekenis toe.
Dat gaf hem de ruimte om erop los te speculeren. Helaas deed Origenes
precies hetzelfde met de hele Bijbel. Deze methode werd later ook gebruikt
door Ambrosius en Augustinus. Om beknopt aan te geven hoever Origenes bij
het Bijbelse geloof vandaan was geraakt, volgen hier twee concrete
voorbeelden. Eusebius vertelt in boek 6 punt 8 van zijn kerkgeschiedenis
dat Origenes Mattheüs 19:12 letterlijk is gaan opvatten en daarom
zichzelf heeft gecastreerd. Hier zijn geen woorden voor. Zo’n daad laat
zien dat hij totaal niets begrepen heeft van de genade, die er is in Jezus
Christus. Het andere punt is zijn opvatting van het begrip “kwaad”.
Eigenlijk dacht Origenes puur als filosoof. Hij kon geen verklaring vinden
voor de oorsprong van het kwaad. Daarom stelde hij het kwaad gelijk met
het niet-bestaande. Al het geschapene werd volgens hem geschapen met het
doel eeuwig te bestaan. Ook zou al het geschapene uiteindelijk met de
almachtige Schepper verzoend worden. In zijn boek De Principiis hoofdstuk
6.5 staat dat de laatste vijand tenslotte ook verzoend zal worden met God.
Zijn woorden zijn zodanig dat men voor “de laatste vijand” de duivel
kan lezen. Die is immers ook geschapen. Dit is een totaal onbijbelse
gedachte. Wat een vervaging! God heeft de duivel en zijn engelen voor
eeuwig veroordeeld (Openbaring 20:10). Deze verwarring komt bij diabolos,
de meester-verwarrer, vandaan.
Een andere
belangrijke persoon uit die tijd is Cyprianus
van Carthago (208 – 258). Hij behoorde tot de gegoede kringen en
ging op latere leeftijd over tot het Christendom. De bevolking van
Carthago wilde hem graag als bisschop hebben om een einde te maken aan de
onrust binnen de kerk. Er waren diverse scheuringen vanwege allerlei
bisschopsbenoemingen. In zijn boek “Over de eenheid van de kerk”
benadrukt hij de rol van de bisschoppen wat betreft die eenheid. Onder
punt 6 zegt hij: “Iemand kan niet langer God als zijn Vader hebben, als
hij de kerk niet als zijn moeder heeft.” Dat staat nergens in de Bijbel.
De gemeente van Jezus Christus is Zijn bruid. De gelovigen worden
beschreven als leden van het Lichaam van Christus (1 Corinthiërs
12:12-27). Verder zegt Cyprianus in zijn brief aan Jubaianus (brief no 73,
ed. Philip Schaff no 72) onder punt 21: “Er is buiten de kerk geen
redding.” Dit is een totale verdraaiing van de waarheid. Er is buiten Christus
geen redding. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de
Vader dan door Hem (Johannes 14:6). Hij kan volkomen behouden (Hebreeën
7:25). Nergens staat in de Bijbel dat de kerk de genade uitdeelt. Nergens!
Als je wel deze dwaling aanhangt, ontstaat er een oceaan aan
moeilijkheden. Van een aantal was Cyprianus zelf getuige. Je krijgt de
strijd rondom tegenpausen en tegenbisschoppen. Verder krijg je het geruzie
over een orthodoxe geloofsbelijdenis, want anders werkt de
‘genademechanica’ van de kerk niet. Je krijgt de discussie over de
ware kerk en over de waarde van de sacramenten, die bediend zijn door
priesters, die ooit gezwicht zijn tijdens een vervolging. Als één van
dat soort jou gedoopt heeft, ben je misschien helemaal niet wedergeboren
en ga je voor eeuwig verloren. En als de kerk echt de genade uitdeelt, kan
de kerk ook voor iemand de hemel op slot doen door hem te excommuniceren.
Handig om een tegenpaus of keizer uit te schakelen.
Cyprianus
is ook in belangrijke mate de veroorzaker geweest van de catastrofe van de
kinderdoop. In 253 vond er een concilie in Carthago plaats, waarop 66
bisschoppen onder zijn leiding unaniem besloten dat pasgeboren kinderen zo
spoedig mogelijk gedoopt moesten worden. De volgende totaal onbijbelse
woorden werden door hem gebruikt: “Wij oordelen allen dat de
barmhartigheid en genade van God aan geen geboren mens onthouden dient te
worden.” (brief aan Fidus no 64, ed. Philip Schaff no 58). Cyprianus
hoorde in het klagen en huilen van pasgeborenen een smeken om de genade
van de doop!!??!! (ibid, onder punt 6). (Wat een verschrikkelijke
verwarring van vlees en Geest laat Cyprianus hier zien! “Wat uit het
vlees geboren, is vlees” (Johannes 3:6)). Volgens zijn opvatting kon de
kerk die genade door middel van de priester geven. Oorzaak is de vroeg
ontstane dwaling dat de doop de wedergeboorte zou bewerken. Dit zie je al
bij Justinus de Martelaar (1e Apologie, hoofdstuk 61).
Veelvuldig treft men in de oud-Christelijke literatuur de verkeerde uitleg
van Johannes 3:5 aan. Jezus Christus zei daar: “Voorwaar, voorwaar, Ik
zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het
Koninkrijk Gods niet binnengaan.” Hij bedoelde daar helemaal niet het
doopwater, maar het levende water als beeld van de Heilige Geest (Johannes
4:10,14 en hoofdstuk 7:38,39). De wedergeboorte is geestelijk, geheel en
al ‘van bovenaf’. Menselijk handelen door middel van een doopbediening
kan nooit en te nimmer deze geestelijke geboorte bewerken. Helaas was men
daar in Carthago dit licht van het evangelie al helemaal kwijt. Men zag de
doop als voorwaarde voor de redding. Zieke kinderen kregen in Noord-Afrika
vaak de nooddoop. Vanaf Cyprianus werd daar de kinderdoop als regel
ingevoerd. Mede via Augustinus heeft deze onbijbelse ceremonie zich later
over de hele Christenheid verbreid. Wie werkelijk op een evenwichtige,
wetenschappelijke wijze geïnformeerd wil worden over de dooppraktijk
tijdens de eerste eeuwen, verwijzen we naar het onlangs verschenen zeer
complete naslagwerk “Baptism in the early church” van Everett Ferguson.
Het is verschenen bij uitgeverij Eerdmans, Grand Rapids.
Ook
Cyprianus onderging de marteldood. Tijdens de vervolging onder keizer
Valerianus werd hij eerst verbannen en later in 258 met het zwaard
onthoofd.
We
hebben uitgebreid deze periode besproken om duidelijk te maken, dat reeds
spoedig na de tijd van de apostelen het Christendom ontaard is. De
grimmige wolven, waar Paulus het over had, zijn gekomen. De tijdgeest had
grote invloed op het denken van de Christelijke leiders. Ze hebben zich
niet buiten het bereik van de onheilige holle klanken gehouden van de ten
onrechte zo genoemde kennis en zijn het spoor des geloofs bijster geraakt
(1 Timotheüs 6:21). Helaas! De Christelijke gemeente raakte haar Joodse
wortels kwijt. Zij veranderde van een geestelijke in een wereldse
godsdienst, een godsdienst met een Griekse ziel in een Romeins lichaam,
dat aangekleed werd volgens de mode van de toenmalige
mysteriegodsdiensten. De enige twee inzettingen, die Jezus Christus had
ingesteld voor Zijn gemeente, Doop en Avondmaal, kregen het karakter van
cultische handelingen, uitgevoerd door priesters, die daartoe
geautoriseerd werden door de kerkelijke leiding. Vanaf ongeveer 200 is er
aantoonbaar sprake van relikwieënverering. Rond 300 was het een
godsdienst geworden, die reeds veel leek op het latere Rooms-katholicisme.
Er zijn schattingen, dat in die tijd ongeveer 20 procent van de bevolking
van het Romeinse rijk aanhanger van deze godsdienst was geworden. De
nieuwe keizer Constantijn zag er wel iets in.
2. Constantijn de Grote en zijn
concilie.
Constantijn
de Grote (ca. 280-337) staat te boek als de eerste Christelijke keizer.
Dit is een misvatting, want zijn daden bewijzen dat hij niets heeft
begrepen van Wie Jezus Christus is, laat staan dat hij Hem navolgde.
Constantijn was filosofisch geschoold en hielp tijdens het eerste grote
concilie, dat in 325 door hem samengeroepen was te Nicea, met het
opstellen van een theologische omschrijving van de positie van Jezus
Christus binnen de Goddelijke Drie-eenheid. Toch is er waarschijnlijk geen
mens op aarde geweest, die het begrip ‘Christelijk’ erger heeft
vervalst dan hij. De daden van zijn leven bewijzen van alles, maar ze
hebben niets Christelijks. Hij was een knap strateeg, want hij wist zich
omhoog te werken tot alleenheerser in het Romeinse rijk door al zijn
tegenstanders één voor één uit te schakelen in een lange serie
veldslagen. Hij was een politicus met een vooruitziende blik, want hij zag
dat de toekomst van het keizerrijk in het oosten lag, bij Constantinopel,
en niet meer in het slecht te verdedigen Rome. Ook was hij een verstandig
staatsman, want hij begreep dat die nieuwe godsdienst, die steeds meer in
de mode raakte en waar zijn moeder Helena bij hoorde, een verbindende
factor kon zijn in zijn grote rijk. Maar verder waren er aan zijn hof
dezelfde intriges en complotten en gedroeg hij zich als zijn voorgangers.
Hoe
ging één en ander in zijn werk? In 313 kondigde keizer Constantijn de
vrijheid van godsdienst af. Hiermee kwam een einde aan de
Christenvervolgingen. Nadat hij zijn rivaal in het oostelijke deel van het
Romeinse rijk had verslagen, riep hij als staatshoofd (!) in 325 het reeds
genoemde concilie bij elkaar. De opzet was om dogmatische verschillen op
te lossen, zodat het Christelijke geloof zou functioneren als een
verbindende factor voor het hele rijk. Het lukte. De leer van Arius werd
veroordeeld en er werd een geloofsbelijdenis opgesteld. Vanaf die tijd
doet zich het verschijnsel Staatskerk
voor en krijgen we te maken met zogenaamd ‘Christelijke’ volkeren. Dit
is een geestelijke ramp. Het wekt namelijk de illusie dat een mens als
Christen geboren kan worden. Dat gaat lijnrecht tegen de Bijbel in. Een
mens wordt Christen als individu, als enkeling, als bewust levend persoon.
Als hij tot bekering komt, wordt hij door Gods Geest wedergeboren en
krijgt hij deel aan Christus. Op geen enkele andere manier kan een mens
Christen worden. Het ontstaan van deze staatskerk, dit corpus christianum,
heeft zeer verstrekkende gevolgen gehad. Door het op een akkoordje te
gooien met de keizer heeft de Christenheid van die tijd een knieval
gemaakt voor de overste van deze wereld, de duivel (Mattheüs 4:9). In
tegenstelling tot Jezus Christus is zij wél bezweken voor de verzoeker.
Inderdaad heeft ze er veel wereldse en uiterlijke macht door verkregen,
maar in ruil daarvoor is het de duivel, die in zo’n soort Christendom de
regie heeft. De Christenheid van toen had beter moeten weten en gehoorzaam
moeten zijn aan de Bijbel, het Woord van God.
Eusebius,
de eerste kerkhistoricus, beschreef Constantijn als een redder in de nood.
Hij kende hem persoonlijk en prees hem als een soort messias, die een
vrederijk kwam brengen. In de praktijk gedroeg Constantijn zich echter
helemaal niet als Christen. Na zijn zogenaamde bekering en zijn
overwinning op Maxentius (312) met het bekende Christelijke symbool op de
schilden was er totaal geen verandering in zijn leven te zien. Zijn
triomfboog in Rome ter ere van deze overwinning bevat nog symbolen van de
godin Victoria en de zonnegod, maar niet expliciet Christelijke symbolen.
Hij bleef de titel van Opperpriester van Jupiter voeren en liet nog munten
slaan met de zonnegod erop. In het nieuwe Constantinopel plande hij ook de
bouw van heidense tempels. Zijn oudste zoon Crispus liet hij in 326, een
jaar na het door hem georganiseerde concilie, terechtstellen. Korte tijd
later werd zijn vrouw, keizerin Fausta, op zijn bevel vermoord door haar
in een heet bad te laten stikken. Constantijn gaf dit bevel tot moord in
opdracht van zijn moeder, “Sint” (!!) Helena. Vlak voor zijn dood liet
Constantijn zich door een Ariaanse (!) bisschop dopen (337). Hij dacht
daardoor als kind van zijn tijd al zijn zonden tot aan dat moment van de
doop kwijt te zijn. Meteen na zijn dood werd hem door de Romeinse senaat
de status van godheid toegekend. Hoezo Christelijke
keizer? Het andere beeld van Constantijn, de zogenaamde ‘redder’ van
de Christelijke kerk, hebben we te danken aan Eusebius met zijn
kerkgeschiedenis en aan de legendevorming uit latere eeuwen. De
werkelijkheid is dat er in die tijd een Christelijke schijnwereld is gecreëerd,
waaronder een aanzienlijk deel van de mensheid tot op de dag van vandaag
nog steeds gebukt gaat. Helaas!
3. Augustinus.
Een
opmerking vooraf over de situatie, waarin Augustinus leefde (354-430). Het
Christendom van die tijd was haar Bijbelse fundament kwijt en had een
verschrikkelijk compromis met de wereld gesloten door te functioneren als
Staatskerk. Je zou de kerk van toen met een Augiasstal kunnen vergelijken.
Het Avondmaal, de Eucharistie, had een heidens offerkarakter gekregen, de
kerkdienst hing van rituelen aan elkaar, er was relikwieënverering (naast
de kerk van Augustinus in Hippo werden in een kapel de relikwieën van
Stefanus vereerd), er was die onbijbelse en daarom tevens onmenselijke
verdeling in geestelijkheid en lekendom etc., etc. Een door God gezonden
dienstknecht zou de bezem hebben gepakt en een grondige schoonmaak hebben
doorgevoerd. Zoiets heeft Augustinus niet gedaan. Hij heeft de kerk van
zijn tijd niet aan de hand van de Bijbel geconfronteerd met haar dwalingen
en zonden, maar juist de bestaande toestand geconsolideerd. Er zou een
complete serie boeken nodig zijn om de schade in kaart te brengen, die de
eeuwen door tot in onze eeuw veroorzaakt is door het denken van
Augustinus. We kunnen hier slechts de grote lijnen van die schade aangeven
en we doen dat aan de hand van reeds eerder gebruikte criteria.
Hoe is de houding van
Augustinus ten opzichte van de Bijbel? Als we dit nagaan, begint er al
veel duidelijk te worden. In zijn geschrift tegen de Manicheërs
(hoofdstuk 5) zegt hij: “Ik zou het evangelie niet geloven, tenzij dan
daartoe bewogen door het gezag van de katholieke kerk.” De kerk had dus
meer gezag voor hem dan de Bijbel. Dat bestaat ten enenmale niet, want dan
zouden zondige feilbare mensen de baas kunnen spelen over Gods Woord.
Verder maakte hij bij de uitleg van de Bijbel gebruik van de allegorische
methode. Hierbij kende hij aan de letterlijke tekst een diepere betekenis
toe. Dat kan leiden tot rare resultaten. Zo zegt hij bij de uitleg van
Genesis 1, dat de schepping feitelijk slechts in één dag gebeurd is,
maar “dat die ene dag zes of zeven maal herhaald is voor onze
kennisneming” (De Staat Gods 11,9). Ook heeft hij de eerste opstanding
(Openbaring 20:5,6) vergeestelijkt en het beschreven als alleen maar de
opstanding van zielen, dat wil zeggen de wedergeboorte (De Staat Gods
20,10). Deze wedergeboorte dacht de kerk uit te kunnen voeren door middel
van de doop. Deze leer komt neer op dezelfde dwaling als die van Hymeneüs
en Filetus, die ook zeiden dat de opstanding reeds had plaatsgehad (2
Timotheüs 2:18,19). Hierdoor kon Augustinus van het duizendjarig rijk
zeggen, dat we daar nu al inzitten en dat de heiligen (lees: de kerk)
bezig zijn in dat rijk te regeren. Deze gedachte bestond al, maar is zo in
alle verdere eeuwen de leer gebleven van de Rooms-katholieke kerk en van
een groot deel van het Protestantisme. Het zet de mensen op het verkeerde
been, wat betreft de geestelijke aard van het Koninkrijk der hemelen en de
totale verdorvenheid van de wereld. Bovendien versluiert het de betekenis
van de wedergeboorte, de bekering en de redding uit de “tegenwoordige,
boze wereld” (Galaten 1:4). Kortom, door een allegorische exegese wordt
de Bijbel het zwijgen opgelegd. En dan wordt het duister! Later komen we
hierop terug.
Welke
definitie van een Christen werd er in de praktijk door Augustinus
gehanteerd? Volgens Augustinus werden mensen wedergeboren door de doop
en op die manier Christen. Vaak noemde Augustinus de doop ‘het bad der
wedergeboorte”. In zijn tijd werden zowel volwassenen als kinderen
gedoopt. De doop bij volwassenen leek veel op een inwijding in een
mysteriegodsdienst. Er gingen veel rituelen aan vooraf, zoals bijvoorbeeld
duiveluitbanning, beademing, overhandiging van zout. Bij
Augustinus werd de eigenlijke geestelijke betekenis van de doop pas een
dag van te voren verteld. Bij anderen gebeurde dat in de week erna. Het
was een geheim dat alleen de gedoopten mochten weten. De wijze waarop in
de Metropolitan Tabernacle van Spurgeon
een dopeling werd voorbereid op de doop, staat hier lijnrecht tegenover.
Zie deze link.
Augustinus was tevens een fervent voorstander van de kinderdoop.
Ongedoopte mensen, dus ook kinderen, gingen volgens hem voor eeuwig
verloren, want de doop was naar zijn mening heilsnoodzakelijk. Daarom was
het in zijn ogen belangrijk kinderen vroeg te dopen. Hij ging kleine
kinderen als gelovigen en boetvaardigen beschouwen via “de woorden van
hun ouders en via de kracht van het sacrament en van de Goddelijke genade,
die de Here aan de kerk verleend heeft”. (Over verdienste, vergeving van
zonden en de doop van kinderen, boek I, hoofdstuk 25). Augustinus zag dus
pasgeboren, gedoopte kinderen als wedergeboren Christenen. Hierdoor heeft
hij de wedergeboorte ontdaan van de Bijbelse betekenis en er iets
mystieks, iets spiritueels van gemaakt. Woorden schieten tekort om het
blijvende schadelijke effect van deze dwaalleer te beschrijven. Zijn
kerkmodel komt hierop neer: bij de doop van een kind wordt de erfzonde
weggedaan. Door de verborgen werking van de Heilige Geest zal een mens
steeds meer genade ontvangen tijdens zijn leven. Maar misschien gebeurt
dit niet bij iedereen. De gemeente zal niet voor 100 procent uit gelovigen
bestaan; er zitten ook naamchristenen bij. Via Calvijn is dit kerkmodel in
het Nederlandse Protestantisme terechtgekomen. Daar heeft deze leer over
een gemystificeerde wedergeboorte in de vorige eeuw een kerkscheuring
veroorzaakt, die diepe wonden sloeg. Eveneens is deze dwaalleer de oorzaak
van heel die geestelijke ellende van het hypercalvinisme met al die
speculatie over inwendig verbond en uitwendig verbond etc., etc.
Wat
betreft het Christen worden heeft Augustinus niet begrepen wat de Bijbel
precies bedoelt met “zonde” en “bekering”. In zijn denken was hij
gewoon neoplatonist. Dat ons zondige vlees God vijandig gezind is
(Romeinen 8:7), is voor het neoplatonisme onvoorstelbaar. Volgens deze
filosofie kan God het kwade niet geschapen hebben. Daarom koppelen zij het
kwade aan “niet-zijn”. Zonde is volgens hen dan ook niet verzet tegen
God, maar het kiezen voor lagere doelen, lagere geestelijke goederen
binnen het bestaande en zo een afzakken naar de grens van het niet-zijn.
(Zie de waarschuwende opmerking van Prof. J. Wytzes aan het eind van zijn
vertaling van “De Staat Gods”). Bij
Augustinus tref je dan ook niet de geest van de tollenaar aan, die zich op
de borst slaat en zegt: “O God, wees mij, zondaar,
genadig” (Lucas 18:13). Ook niet iets wat lijkt op de belijdenis van de
verloren zoon: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Ik
ben niet meer waard uw zoon te heten” (Lucas 15:21). Augustinus
beschrijft zijn eigen bekering in heel andere bewoordingen (Belijdenissen,
boek 8, punt 11,12). De strijd, die daar geschilderd wordt, vindt plaats
in zijn wil. Hij worstelt om hogere, betere verlangens te krijgen naar
geestelijke goederen die hoger zijn dan welke hij tot nu toe heeft
nagestreefd. Zo wil hij graag zijn verlangens naar het sexuele leven
kwijt. Als hij na dat beroemde “Tolle, lege” de Bijbel pakt en de
eerste de beste tekst leest, dan gaat het daarover (Romeinen 13:13,14).
Het was niet een tekst over Jezus Christus, over Zijn volbrachte werk,
over vertrouwen op Hem, maar over de slechte begeerten, die hij zo graag
kwijt wilde. Als hij dan de verandering van zijn wil aan zijn moeder gaat
vertellen, blijkt dat zijn worsteling plaatsvond tegen de achtergrond van
zijn keuze voor een celibatair leven als geestelijke. (Als reactie op zijn
mededeling zegt zijn moeder het niet erg te vinden niet meer kleinkinderen
te krijgen.) Ten diepste was de bekering van Augustinus niet een
belijdenis van persoonlijke schuld ten opzichte van God en vervolgens een
hartelijk vertrouwen op de Persoon en het werk van Jezus Christus, maar
eerder een capituleren voor de onzichtbare geestelijke druk, die uitging
van kerkelijke vrienden en van zijn moeder Monica. Een trieste zaak!
Kerk en familie hebben in de loop der eeuwen enorm veel kapot
gemaakt in mensenlevens. Overigens, de relatie tussen Augustinus en moeder
Monica was psychisch ongezond. Monica overheerste hem, reisde hem overal
achterna en probeerde hem maximaal te beïnvloeden. Zij wilde graag dat
hij een gedoopt Christen werd. Maar hij woonde samen met zijn maîtresse,
dus eigenlijk leefde hij in zonde. Ze hadden samen een kind. Als
Augustinus zich zo liet dopen waren volgens de toenmalige kerkleer de
begane zonden weg, maar begon hij in een zondige toestand aan zijn leven
als Christen. Niet verstandig dus, want zijn samenwonen met die maîtresse
zou zijn zondeschuld weer doen toenemen. Met deze maîtresse trouwen
betekende: niet op stand trouwen. Ook niet verstandig volgens moeder.
Daarom werd de maîtresse op sterke aandrang van moeder Monica
weggestuurd. Deze scheiding heeft Augustinus naar eigen zeggen emotioneel
nooit helemaal verwerkt (Belijdenissen boek 6, punt 15). Er werd een
verloving geregeld met een jong meisje, dat over twee jaar op huwbare
leeftijd zou zijn. Voor de tussentijd nam Augustinus een andere maîtresse.
Vanwege zijn voornoemde besluit stopte die relatie en ook het geplande
huwelijk ging niet door.
Hoe
zag Augustinus de functie van de gemeente? De gedachten van Augustinus
liggen in de lijn van Cyprianus. De kerk is de uitdeelster van de genade.
Zij vormt een eenheid door de bisschoppen, het episcopaat. Een schisma mag
niet worden getolereerd. Nu was de situatie in Noord-Afrika ten tijde van
Augustinus erg gecompliceerd geworden. Eigenlijk bestonden er twee kerken,
de kerk van de Donatisten (genoemd naar Donatus (?? – 355) en de
Katholieke kerk. Ze waren ongeveer even groot. De Donatisten beschouwden
zich als de ware kerk, omdat ze priesters hadden die vrij van doodzonden
waren en op geen enkele manier hadden toegegeven tijdens de laatste
vervolging onder Diocletianus. Tussen de leden van beide kerken bestond
grote onverdraagzaamheid. Dikwijls werd er geweld gebruikt, waarbij ook
bloed vloeide. Augustinus heeft zich ingespannen om een eind aan de
scheuring te maken vanaf de tijd dat hij bisschop in Hippo werd. Eén en
ander culmineerde in een conferentie onder leiding van een keizerlijke
gezant, waar de bisschoppen van beide kerken aanwezig waren. Augustinus
hield een vurig pleidooi voor de katholieke kerk. De keizerlijke gezant
koos voor de katholieken en het Donatisme werd in 411 per edict verboden.
Ketterij werd een misdaad tegen de staat. Zo werd het fundament gelegd,
waarop de Inquisitie later kon voortbouwen. Er was geen vrijheid van
godsdienst meer vanwege de monopoliepositie van de Katholieke kerk.
Augustinus was voor dit gebruiken van overheidsdwang ten behoeve van de
Staatskerk. Als verdediging hiervoor misbruikte hij de tekst: “Dwingt
hen om in te gaan” (Lucas 14:23). Dit kerkbegrip gaat lijnrecht in tegen
de enige Bijbelse taak, die de gemeente heeft: getuigen van haar Redder,
Jezus Christus. Later volgt hierover meer.
Na het
bovenstaande worden we gedwongen tot de conclusie dat het optreden van
Augustinus veel onheil heeft gesticht. Hij was niet de hervormer die zijn
tijd zo hard nodig had, maar hij ging juist met die tijd mee. Het wordt
ook duidelijk, als u zijn boeken leest. Wie met Bijbelse nuchterheid naar
zijn boek “Belijdenissen” kijkt, kan daar helemaal niets mee. Wie God
iets te belijden heeft, doet dat in het verborgene en publiceert dat niet
in een boek voor het grote publiek. Als je dat wel doet, ben je òf een
regelrechte farizeeër, òf een misleide die spreekt tot een soort
filosofische godheid, die alleen maar in het eigen denken bestaat. Als ik
het gesprek van Augustinus met zijn moeder Monica lees in boek 9 hoofdstuk
10, dan denk ik dat het laatste het geval is geweest bij Augustinus. De
basis van hun gesprek is niet een persoonlijke relatie met God door te
vertrouwen op Jezus Christus, maar meer een neoplatonische vervloeiing met
een soort godheid. Nog een ander raar punt. Aan het eind van de
“Belijdenissen” houdt Augustinus een heel betoog tegen God over de
schepping. Met zijn woorden doet hij, alsof hij God Zijn eigen schepping
uitlegt, maar in werkelijkheid richt hij zich tot zijn lezers, zoals
trouwens in zijn hele boek. Wie enigszins eerbied voor de echte God heeft,
zal zoiets nooit durven doen. God laat niet met Zich spotten!
Augustinus heeft veel boeken gedicteerd. Er komt een
breedsprakigheid in voor, die haaks staat op de houding van Paulus: “Ik
had niet besloten iets te weten onder u dan Jezus Christus en Die
gekruisigd.” De boeken van Augustinus werden de hele Middeleeuwen door
veel gelezen. Daardoor was zijn invloed erg groot. Karel de Grote, die het
Latijn goed beheerste, liet zich tijdens zijn maaltijden uit deze
boeken voorlezen. Volgens zijn biograaf Einhard was “De Staat Gods”
bij hem favoriet. Van Karel de Grote is algemeen bekend, dat hij, toen hij
het gebied van de Saksen veroverd had, hen vervolgens met het zwaard
‘bekeerd’ heeft tot zijn staatsgodsdienst. Hierbij liet hij in 782 bij
Verden in het huidige Duitsland op één dag 4500 Saksen onthoofden. Deze
moordpartij is één van de dieptepunten in de geschiedenis van de
Middeleeuwen. Het ligt voor de hand te vermoeden, dat de bekendheid met de
inhoud van de boeken van Augustinus meegeholpen heeft het denkkader aan te
leveren, waarbinnen een zogenaamd Christelijk vorst deze
gruweldaad kon bedrijven.
4. De Middeleeuwen.
Aan het
begin van de Middeleeuwen werd West-Europa gekerstend. Het Germaanse
heidendom werd bedekt met een Christelijke vernislaag. Daar zijn tastbare
bewijzen voor. De brief, waarin paus Gregorius (ca. 540 - 604) richtlijnen
geeft aan zendelingen in Germaanse gebieden voor de ombouw van het
heidendom naar de Christelijke godsdienst, is bewaard gebleven door het
werk van de Britse monnik Bede (ca. 672 – 735). Zie bijlage [ii]
(Hierin is
totaal niets meer te herkennen van het evangelie van Jezus Christus. De
realiteit van bekering en wedergeboorte ontbreekt geheel. Gregorius
verdraait de boodschap van de Bijbel op een verschrikkelijke manier. Wat
hij zegt over de godsdienst van het volk Israël bij de berg Sinaï klopt
van geen kanten. Zijn interpretatie hiervan komt neer op een soort
godsdienst die te vergelijken valt met de aanbidding van het gouden kalf.)
Bij deze wijze van kerstening kon het occultisme van het Germaanse
heidendom zich ongestoord continueren. Verder zijn er veel kerken gebouwd
op de oude heidense offerplaatsen. Dat is te zien aan de archeologische
vondsten van Romeinse tempels onder oude kerken en aan de bebouwing van
veel dorpen in het oosten van ons land. Vaak is er een voorchristelijke
dorpskern aan te wijzen en ontstond er een nieuwe dorpskern rondom de
kerk, die was gebouwd op de plaats van de oude heidense offerplaats, welke
van oorsprong buiten het dorp lag. Het Christendom van toen werd
aangestuurd vanuit Rome door middel van de geestelijkheid, terwijl het
kloosterwezen enorm veel werk aan de basis verrichtte. De wereldlijke
overheid ondersteunde de kerk. De donkere Middeleeuwen vormen zo de
glorietijd van het ‘corpus christianum’. Toen bereikte de
Rooms-katholieke kerk haar hoogste machtspositie in deze wereld. Had ze
eerst de Romeinse keizer om hulp gevraagd en zich aan zijn macht
onderworpen, nu probeerde zij zich boven de wereldlijke heersers te
stellen. Keizer Hendrik IV van Duitsland heeft daarmee te maken gehad. Hij
moest naar Canossa om daar bij de paus boete te doen (1077). Paus
Bonifatius VIII zei het nog een keer duidelijk dat hij de baas was in de
hele wereld. (Bul “Unam Sanctam” 1302). Bespottelijk, zo’n
aanmatiging van een geestelijk leider. Hier wordt duidelijk dat de
uitdrukking ‘corpus
christianum’ in feite betekent: ‘imperium
christianum’, want het ging de Rooms-katholieke kerk om allerlei soorten
macht: om geestelijke macht, om wereldlijke macht, om territoriale macht
(bijvoorbeeld in Italië en het Heilige Land), om psychische macht over
zielen, kortom, om de totale macht. Zij bleek imperialistisch te zijn tot
op het bot. Er werd een kerkelijke geheime dienst opgericht, de
Inquisitie. Die pakte elke andersdenkende op en liet die door de
wereldlijke overheid terechtstellen. Daar waren veel Joden bij. De kerk
wilde over de zielen van de mensen heersen. Daarom moest iedereen
verplicht naar de biecht. Ze wilde over het denken van de mensen heersen.
Daarom liet ze haar dienares, de theologie, die oude reeds genoemde
bovennatuur van Plato door middel van allerlei theologische begrippen
vastleggen, compleet met godsbewijzen en al. Zo dacht ze heel de
werkelijkheid in haar greep te hebben en zo leefde de Middeleeuwse mens in
een door de kerk dichtgespijkerde werkelijkheid. Iedereen was geestelijk
gezien haar slaaf geworden. Alle geschiedenisboeken vertellen ons dat men
in de Middeleeuwen op het “Jenseits”, op het hiernamaals was gericht.
Ach, dat was alleen maar de bankschroef, waarin de geestelijkheid het
lekendom had vastgeklemd. De angst voor het hiernamaals was de grote bron
van inkomsten voor de kerk hier op aarde. Ze liet zich haar
‘geestelijke’ diensten, het verkopen van aflaten en het lezen van
missen voor gestorven familieleden, uitbetalen in geld, aards slijk. Nee,
de middeleeuwse werkelijkheid had geen verticale dimensie. En de
Middeleeuwse mystiek? Die was een variant op het neoplatonisme, een poging
om te vervloeien met een zogenaamd Christelijke bovennatuur. De weg tot
mystieke eenwording, zoals die beschreven is door Hadewijch en Ruusbroec,
ziet er net zo uit als de mystieke weg in de Oosterse mystiek van
bijvoorbeeld het Taoïsme. De Middeleeuwse mystiek komt uit dezelfde
occulte bron. Zij bevat hetzelfde losmaken uit de werkelijkheid en
dezelfde oplossing van het bewustzijn en heeft totaal niets met het geloof
in Jezus Christus te maken.
Deze ideale
situatie voor het ‘corpus christianum’ tijdens de middeleeuwen laat
iets van haar wezen zien. Daarom volgen hier nog een paar opmerkingen over
die situatie:
-
De kerk heeft een sleutelpositie binnen de zichtbare werkelijkheid
als heilsorgaan voor zielen.
-
De theologie is in de Middeleeuwen ontstaan. Toen werd ze de
‘koningin der wetenschappen’
genoemd
en fungeerde ze als de ‘denktank’ van de kerk. Ze opereerde niet
zelfstandig, maar was
ondergeschikt
aan de leiding van de kerk. Voor kritiek op het functioneren van de kerk
vanuit de
Bijbel
was in het geheel geen ruimte. De kerk stond boven de Bijbel. Treffend zie
je dit bij
afbeeldingen
van de bekendste Middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino. Hij wordt steeds
afgebeeld
met een geopende Bijbel in zijn linkerhand en een kerkgebouw in zijn rechterhand. Dat
is
nog steeds het wezen van de theologie.
Ze is dienares van de kerk van
het ‘corpus christianum’
Christendom
en als zodanig onderwerpt zij zich, ondanks al haar vrome woorden, niet
aan de Bijbel
maar aan haar kerk.
-
Geloven was een kwestie van weten geworden. Het was alleen nog maar
het instemmen met de
kerkelijke
dogma’s. Het had niets meer met God en met de Bijbel te maken.
-
Er ontstond een scholastiek. Het bovennatuurlijke werd geheel en al
in kaart gebracht om grip te
krijgen
op de werkelijkheid. Er kwamen filosofische godsbewijzen.
-
In de kerk werd het onderscheid tussen geestelijkheid en leken
strikt doorgevoerd. Leken waren
totaal
afhankelijk van de geestelijkheid. Men zou die relatie kunnen omschrijven
als geestelijke
incest.
De leek kon geen kant op en werd geestelijk misbruikt door de priesters,
de bisschoppen en
de
paus.
-
De kerkdienst had niets meer te maken met de wijze van het
samenkomen van de eerste
Christenen.
Het was slechts het uitvoeren van een liturgie, het volgens een
jaarrooster verrichten
van
een vaste serie cultische handelingen.
De
Rooms-katholieke kerk heeft alle eeuwen door één grote vijand gehad,
waar ze doodsbang voor is. Het is de Bijbel, het Woord van God. In de
Middeleeuwen verklaarde zij het tot een verboden boek. Niemand mocht dit
boek in de volkstaal lezen. Alleen de geestelijkheid mocht de Latijnse
versie, de Vulgaat, lezen. In de kerk werden tijdens de mis een paar
teksten in het Latijn gelezen, maar geen mens die daar iets van snapte of
iets aan had. Aan dit verbieden van de Bijbel kunnen we zien, wie er de
baas was in die kerk. De duivel had er de regie en deze vader der leugen
kan alleen maar bestreden worden met de waarheid van Gods Woord, met de
Bijbel. Zo is het steeds weer in de geschiedenis gegaan. Overal waar de
Bijbel weer beschikbaar kwam voor het gewone volk, begon het licht van het
evangelie te schijnen en reageerde de Rooms-katholieke kerk woedend met
boekverbrandingen, ketterjacht en brandstapels. Zo ging het, om maar een
paar namen te noemen, bij Petrus Waldus (1150–1198), John Wycliffe
(1330–1384), Johannes Hus (ca. 1370–1415) en Maarten Luther
(1483-1546). In het laatste geval was de nederlaag van de Rooms-katholieke
kerk het grootst. Waar ze nog de overheid aan haar kant had, liet ze
Protestantse ‘ketters’ verbranden. Er bleef de Protestanten haast geen
andere weg over dan in verzet te komen tegen een Roomse overheid. Zo
ontsnapten complete volken aan haar heerschappij.
5. Rome in de laatste eeuwen.
De
Rooms-katholieke kerk heeft zich ingespannen om door middel van het
Concilie van Trente (1545-1563) haar positie in de Rooms gebleven landen
te consolideren. We kunnen ons nauwelijks nog een voorstelling maken van
de verscheurdheid van Europa tijdens de godsdienstoorlogen. Rome heeft
haar best gedaan zoveel mogelijk gebied en invloed terug te pakken. In
Duitsland zijn vreselijke dingen gebeurd tijdens de Dertigjarige oorlog
(1618-1648). Een tijdlang had de Rooms-katholieke kerk in Lodewijk XIV
(1638-1715) van Frankrijk een trouw bondgenoot. De Protestanten werden
grotendeels uit Frankrijk verjaagd. In 1698 werd de bekende Franse
Hugenotenleider Claude Brousson na een veelbewogen leven te Montpellier
geradbraakt. Het Protestantisme heeft in Frankrijk geen rol van betekenis
meer gespeeld.
Vanaf
ongeveer 1700 kwam de Verlichting opzetten. Het was grotendeels een verzet
tegen het dichtgespijkerde denken van de Rooms-katholieke Kerk. In
Rooms-katholieke landen kwam de Verlichting het felst daartegen in verzet.
Zij was één van de oorzaken van de Franse revolutie (1789). De Roomse
kerk liep enorme klappen op. Veel priesters kwamen onder de guillotine
terecht. Merkwaardig genoeg keerde de Rooms-katholieke kerk na Napoleon
helemaal terug. De Jezuïetenorde, die in 1773 onder druk van
regeringsleiders voorgoed (!) ontbonden was door paus Clemens XIV, werd in 1814
door de toenmalige paus weer hersteld
(hoezo onfeilbaar?). De Roomse kerk kreeg in de 19e eeuw een
soort bloeiperiode. In 1854 werd de onbevlekte ontvangenis van Maria
afgekondigd en in 1870 de onfeilbaarheid van de paus. In Protestantse
landen werd weer de Rooms-katholieke kerkstructuur in het leven geroepen.
Na de scheiding van kerk en staat kon dat. Daar heeft de Roomse kerk
maximaal gebruik van gemaakt. Het Rooms-katholieke volksdeel in
Protestantse landen werd rechtstreeks aangestuurd vanuit Rome en als
bruggehoofd gebruikt om politieke macht te verkrijgen. In Rooms-katholieke
landen werden, waar mogelijk, de Protestanten verdrukt. Dat gebeurt nu nog
steeds, bijvoorbeeld in Mexico. Soms organiseerde de Roomse geestelijkheid
pogingen tot lynchen. Dr. Kalley (1809-1888) werd op Madeira de “wolf
van Schotland” genoemd. De Roomse geestelijken hebben de bevolking daar
massaal aangespoord hem te lynchen. God heeft Zijn dienstknecht bewaard.
Later is hij in Brazilië nog een paar keer ontsnapt aan dergelijke
pogingen tot moord. Ook de Frans-Canadese priester Chiniquy (1809-1899),
die de Roomse kerk verliet, is enkele malen ternauwernood aan de dood
ontsnapt. Tot op de dag van vandaag voert de Rooms-katholieke kerk actie tegen
hem. Op websites, die onder invloed van de Rooms-katholieke kerk staan,
worden nog steeds leugens over hem verteld en wordt hij belasterd. Op de
website van The New York Times zijn daarentegen in het archief nog
verscheidene 19e eeuwse krantenartikelen te vinden over de
gevaarlijke situaties, waarin Chiniquy zich bevonden heeft.
Veel mensen
zeggen dat het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) een verandering heeft
teweeggebracht in het hierboven geschetste denkpatroon. Dat is niet te
zien aan de vruchten. Nergens blijkt dat de Roomse kerk zich onder de
kritiek van de Bijbel heeft gesteld en is gaan inzien dat er een radicale
omkeer nodig is. Nergens blijkt dat zij zich wezenlijk is gaan schamen
voor haar bloedrode verleden. De Inquisiteurs hebben wel altijd ervoor
gezorgd de gevangengenomen ketters te laten verbranden, opdat de kerk geen
bloed aan haar handen zou krijgen (!), maar iedere historicus met een
objectief oordeel en enig psychologisch inzicht kan niet anders dan tot de
conclusie komen dat de Rooms-katholieke kerk gedurende vele, vele eeuwen
voor heel de mensheid een ramp van ongekende omvang is geweest. Al die
tijd is zij over de autonomie van de individuele mens heen gewalst. Vanaf
het begin van het pausdom in het jaar 600 tot nu toe zijn er tientallen
miljoenen mensen gedood, omdat de Rooms-katholieke kerk daartoe
aanstichtte. In de Middeleeuwen zijn er complete bevolkingsgroepen
uitgeroeid, omdat zij terug wilden naar de Bijbel. Nog steeds is deze kerk
op macht uit. Ze pakt het alleen anders aan. Zoals eerder in dit document
is gezegd, kan de relatie geestelijkheid – lekendom vergeleken worden
met geestelijke incest. De leek is immers totaal afhankelijk van de
priester en van de kerk. Nu zijn er bij echte fysieke incestgevallen twee
soorten plegers. Je hebt de autoritaire incestpleger en de vleiende
incestpleger. De omschrijving duidt op de wijze, waarop de dader het
slachtoffer overweldigt en misbruikt. Op het Tweede Vaticaans Concilie
heeft de Rooms-katholieke kerk om pragmatische redenen haar rol als
autoritaire incestpleger opgegeven om verder te gaan in de rol van de
vleiende incestpleger. Dat is alles wat daar gebeurd is. Haar vasthouden
aan geestelijke macht over zielen is nog steeds even boosaardig als in
vroegere eeuwen. Nog altijd zal ze ook naar wegen zoeken om haar
geestelijke machtsgebied uit te breiden. Nu niet op een autoritaire
manier, maar op een vleiende manier. Ogenschijnlijk gaat ze links en
rechts allerlei dialogen aan, maar de praktijk leert dat zij gedurende de
afgelopen decennia op wezenlijke punten nog geen centimeter heeft
toegegeven. Het gaat Rome niet om het gesprek, niet om wat de
gesprekspartner beweegt; het gaat haar alleen maar om macht. Deze macht
spitst zich toe op macht over zielen. Dat is trouwens ook de ergste vorm
van macht. U gelooft uw ogen niet, als u “Actus formalis defectionis ab
ecclesia catholica” leest. (Formele daad van afval van de katholieke
kerk.) Het is een kerkrechterlijk document van het Vaticaan, gepubliceerd
op 13 maart 2006 met goedkeuring van paus Benedictus XVI, waarin
richtlijnen worden gegeven hoe er gehandeld moet worden als een
ex-katholiek erom vraagt geschrapt te worden uit het doopregister. Eerst
moet juridisch worden vastgesteld dat zo iemand innerlijk niets meer met
de kerk te maken wil hebben en moeten er ook uiterlijke bewijzen van die
innerlijke gesteldheid aantoonbaar zijn, dat wil zeggen “een daad van
afvalligheid, ketterij of schisma”. Van die daad moet een schriftelijk
bewijs getoond worden aan een gezaghebbende vertegenwoordiger van de kerk.
Hiermee is de daad van de afval bevestigd en gelden de bijhorende
canonieke straffen!! Notabene voor iemand die niets meer met de Roomse
kerk te maken wil hebben! De daad van afval wordt vervolgens vastgelegd in
het doopregister. Geschrapt wordt er niets. Nee, het is erger. Onder het
laatste punt van dit document verklaart de Roomse kerk: “Het
blijft in elk geval duidelijk, dat de sacramentele band van het behoren
tot het Lichaam van Christus, dat is de Kerk, verleend door het kenteken
van de doop, een ontologische (de zijnsleer betreffende, Vert.) en permanente band is, die niet verloren gaat om reden van enige daad
of feit van afval.” Het individu heeft dus niet de beschikking over
zijn eigen ziel, maar hij of zij moet toestaan dat zijn of haar ziel voor
eeuwig verbonden blijft met de Rooms-katholieke kerk. Deze gedachte komt
overeen met het middeleeuwse machtsdenken van de kerk. Het is een
flagrante schending van de rechten van de mens. Het gemene van de zaak is
dat de band gesmeed werd op het moment van de kinderdoop, toen het kind
nog weerloos was en niet in staat om te handelen. De profeet Ezechiël
spreekt in hoofdstuk 13 over de valse profetessen, die zielen vangen met
toverbanden en sluiers (vers 18). Rome doet het door middel van de
kinderdoop met de bijhorende fraaie ceremonie en de paar druppels water,
maar evenals die valse profetessen hoeft zij niet te denken dat ze haar
eigen ziel in het leven zal behouden. God zal ook deze zielenroof
vergelden (eveneens in vers 18).
Nog een
laatste opmerking over de huidige misbruikschandalen binnen de
Rooms-katholieke kerk. Deze zijn rechtstreeks terug te voeren op de
geestelijke incestrelatie tussen geestelijkheid en lekendom met daarbij
gevoegd het heidense, onmenselijke celibaat. In 1 Timotheüs 4:1-3 wordt
het verbieden van het huwelijk een lering van boze geesten genoemd. Het
celibaat is daarom in lijnrechte tegenspraak met de geopenbaarde wil van
God en moet dus wel mensen beschadigen. Bij de afwikkeling van de
zedenzaken blijkt opnieuw, hoezeer de Rooms-katholieke kerk gewend is uit
te gaan van machtsdenken en van haar speciale dominante positie binnen de
werkelijkheid. De geschiedenis laat zien dat deze kerk niet zoiets als een
geweten heeft. Zij mag liegen en bedriegen van haar wetgeleerden. Johannes
Hus heeft dat bijvoorbeeld ondervonden. Alle beloften van een vrijgeleide
ten spijt werd hij gewoon gevangengenomen en verbrand. Chiniquy heeft dit
gewetenloze handelen van de geestelijkheid heel duidelijk aangetoond in
zijn boeken (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 13 van Chiniquy, te vinden op deze
site). Ook nu zal deze kerk nooit spontaan zelf met een schuldbekentenis
over de brug komen, laat staan met financiële vergoedingen voor het
aangedane leed. Gezien haar verleden ligt er voor de huidige maatschappij
geen andere weg open dan haar conform de hedendaagse wetgeving aan te
pakken zoals alle burgers, die de wet overtreden, aangepakt worden. Op een
slachtofferrol van haar kant moet niet worden ingegaan. Dan verdraait zij
de feiten.
6.
Het probleem van zonde en dood bij het ‘corpus christianum’.
We hebben nu
uitgebreid de stroming van het ‘corpus christianum’ besproken. Ze doet
zich Christelijk voor, maar heeft niets met de Bijbel te maken. Haar
oorsprong ligt in de oude Grieks-Romeinse religie en de filosofie van de
klassieken. Het is een religieuze poging om vat te krijgen op deze
werkelijkheid. Hoe gaat deze stroming om met de twee grote problemen van
deze werkelijkheid, die sinds de zondeval dit bestaan kenmerken, de zonde
en de dood? Hier blijkt hoe door en door vermenselijkt deze stroming is,
met name de Rooms-katholieke kerk. Heel haar denken begint bij de mens en
bij deze aarde. Zonde wordt niet gezien in het licht van Gods
gerechtigheid, maar als een eigen handelingsfout, die door menselijk
handelen ook weer rechtgezet kan worden. De erfzonde wordt afgewassen door
de doop. Voor de dagelijkse zonden en doodzonden kunt u terecht bij de
priester door bij hem te gaan biechten. Hij zal een boetedoening opleggen.
U moet zoveel Weesgegroetjes of Onze Vaders bidden, of andere religieuze
dingen doen. De priester verleent absolutie (vergeving, kwijtschelding)
namens zijn christus en de Kerk. Dat denkt de priester te kunnen doen,
omdat de Kerk leert een heel reservoir aan genade te hebben door het offer
van Christus en het overschot aan genade, dat de heilig verklaarde mensen
uit het verleden voor zichzelf niet nodig hadden en aan dat reservoir
hebben toegevoegd. Het is allemaal te banaal voor woorden. Het heeft
totaal niets met de onverdiende genade van Jezus Christus te maken.
(vergelijk Efeziërs 2:8,9).
Met het
probleem van de dood wordt op soortgelijke wijze omgegaan. Door allerlei
ceremoniën denkt men uiteindelijk in de hemel te belanden. Belangrijk
zijn het ontvangen van het Sacrament der stervenden, het begraven worden
in gewijde grond en aflaten kopen of missen laten lezen om gestorven
familieleden uit het vagevuur in de hemel te laten komen. Iedere gelovige
komt volgens hun leer na het sterven eerst in het vagevuur. Het maakt een
mens misselijk, als hij dit religieuze gesjoemel in de Katechismus van de
Rooms-katholieke kerk leest. Wie wil nou op zo’n manier sterven? Het
gaat lijnrecht tegen de Bijbel in. Daar wordt nergens over een vagevuur
gesproken. “Het is de mensen beschikt eenmaal te sterven en daarna het
oordeel.” (Hebreeën 9:27). Wat voor Godsbesef moet iemand hebben als
hij denkt, dat hij de almachtige God, de Schepper van heel dit bestaan, op
zo’n manier naar zijn hand kan zetten. Aan de houding ten opzichte van
zonde en dood wordt nogmaals duidelijk dat deze godsdienst een
Godonterende én mensonwaardige, heidense religie is.
b.
De Verlichting.
De Verlichting wordt door de historici gezien als een reactie
op het Middeleeuwse denken. Men verzette zich tegen de dichtgespijkerde
werkelijkheid van de kerkelijke scholastiek. Als beweging is de
Verlichting vooral heftig geweest in Rooms-katholieke landen, bijvoorbeeld
Frankrijk. In de regel laat men deze beweging beginnen bij ongeveer 1650
en voortduren tot 1800. Als men het als manier van denken opvat, blijft ze
voortduren tot onze tijd toe.
Het is goed
om ons te realiseren, dat de twee lagen van het Middeleeuwse denken, de
bovennatuur en de zichtbare natuur, rechtstreeks voortkomen uit de oude
Griekse filosofie. De Verlichting is een volgende vergeefse poging van de
mens om greep te krijgen op het bestaan in deze wereld. De filosofen van
de Verlichting zijn ertoe overgegaan te denken vanuit één laag, de
waarneembare werkelijkheid om ons heen, maar zo’n poging is eveneens tot
mislukken gedoemd. De eigenlijke problemen van de gevallen werkelijkheid,
waarin wij leven, de zonde en de dood, blijven onoplosbaar. Alle
wijsheid van deze wereld is door God tot dwaasheid gemaakt (1 Corinthiërs
1:20). Het heeft daarom ook geen zin om met dit Verlichtingsdenken in
gesprek te gaan. We zullen slechts een soort historisch overzicht geven om
de afval van het Christendom gedurende de laatste eeuwen in kaart te
brengen. De veranderingen die hebben plaatsgevonden, vormen een complex
geheel. Daarom belichten we enkele aspecten en ronden weer af met de vraag
wat voor “oplossingen” de Verlichting heeft aangedragen voor het
probleem van de zonde en de dood. De volgende aspecten zullen de revue
passeren: 1. Het Verlichtingsdenken tot nu toe. 2. De evolutietheorie. 3.
De ontwikkeling van de natuurkunde. 4. De geest van het
Verlichtingsdenken. 5. Het probleem van de zonde en de dood bij het
Verlichtingsdenken.
1. Het Verlichtingsdenken tot
nu toe.
Het
ontstaan van de Verlichting is niet van de één op de andere dag gebeurd.
Het is begonnen met een aantal vermetele denkers, zoals Spinoza en
Voltaire. In Engeland deed John Locke van zich spreken. Men hechtte grote
waarde aan het menselijk verstand. Door de ontwikkeling van de wetenschap
en de techniek ontstond er een sterk vooruitgangsgeloof. Bepaalde
ontwikkelingen raakten door de Franse revolutie (1789) en de tijd van
Napoleon in een stroomversnelling. In veel landen ontstond er een
scheiding tussen kerk en staat. De godsdienst werd vaak nog wel positief
gewaardeerd, maar zij speelde bij lange na niet meer de rol van vroeger.
In Nederland ging de overheid het als haar taak zien een overzichtelijke
kerkelijke organisatie in het leven te roepen. Van de dichtgespijkerde
werkelijkheid van de Middeleeuwen met de kerk op de dominante positie was
niets meer over. De noodzaak om bij het denken van een soort
‘verchristelijkte’ Griekse bovennatuur uit te gaan, was verleden tijd
geworden. In toenemende mate gingen filosofen systemen bedenken zonder
gebruik te maken van die bovennatuur. Sommigen (o.a. Nietzsche) zijn er
zelfs vreselijk tegen tekeer gegaan op de bekende wijze van de olifant in
de porseleinkast.
Het
moderne denken van vandaag de dag is een uitvloeisel van de Verlichting.
De mens staat er centraal. De mens ziet zichzelf ook als de baas van deze
werkelijkheid. Hij duldt niemand boven zich en is van mening dat de mens
ook aan niemand verantwoording schuldig is. Hij denkt zijn eigen leven te
kunnen bepalen en is van oordeel dat hij zelf kan bepalen hoe deze wereld
en deze werkelijkheid ingericht moeten worden. We zullen nog een aantal
kenmerken van dit soort denken noemen.
a. Het
agnosticisme: Veel mensen noemen zich tegenwoordig agnost. Dat betekent
dat hij of zij van mening is dat de bedoeling van dit bestaan niet te
kennen is. Maar meestal is iemands agnosticisme een dooddoener, een
handige smoes om gewoon zijn eigen gang te kunnen gaan. Een echte,
authentieke agnost brengt zijn leven in wanhoop door. Hij ervaart dat hij
vanaf zijn geboorte op onweerstaanbare wijze door de tijd verder wordt
geschoven, totdat hij bij zijn dood de definitieve rand aan de andere kant
zal passeren. En wat dan? Dat is de vraag, die bij een echte agnost
voortdurend op de achtergrond aanwezig is. Die spanning kom je maar zelden
tegen.
b.
Alles kan en alles mag: Er zijn geen absolute waarden en normen
meer. Iets is goed als er mee te werken valt. Dit pragmatisme dringt door
op steeds meer levensgebieden. Het houdt ook in dat iedereen ervan uitgaat
dat het eigen handelen altijd te rechtvaardigen is. Men eist deze
handelingsruimte voor zichzelf op en zal die ook aan ieder ander
toekennen, mits . . . . . men
er zelf geen nadeel van ondervindt. Zolang alles een beetje loopt, is
iedereen OK. De gedachte is: “Jij bent OK, en ik ben OK.” In dit
klimaat worden mensen, die nog ergens voor staan, als lastig ervaren. In
de regel krijgen ze al snel een etiket opgeplakt. De geijkte termen voor
zo’n etiket zijn: “dogmatisch”, “fundamentalistisch”.
c. Beleef
het leven: In toenemende mate is men onder invloed van de
reclamemachinerie ertoe overgegaan niet langer na te denken over het
leven, maar het alleen nog te beleven. De vraag is niet langer: Is deze
handelwijze verantwoord? Of: Is dit rechtvaardig? De vraag, waar het nu om
draait, is: Voel ik mij er goed bij? Zo wordt in het moderne
verlichtingsdenken het leven gedegradeerd tot een geraffineerde vorm van
consumptie.
2. De evolutietheorie.
De
evolutietheorie is opgesteld om het ontstaan van deze werkelijkheid te
verklaren zonder daarbij uit te gaan van een Schepper. Hierbij is het
verlangen van de Verlichting duidelijk geworden om grip te krijgen op deze
werkelijkheid zonder die Middeleeuwse ‘bovenlaag’. Deze hypothese mist
echter elke basis. Ze is bedacht in het midden van de negentiende eeuw
tijdens de roes van het voortuitgangsgeloof. We zullen in ’t kort een
paar bewijzen aanvoeren tegen deze theorie.
a. De
theorie is strijdig met de 2e Hoofdwet van de Thermodynamica.
Deze natuurkundewet houdt o.a. de volgende regel in: Bij niet aangestuurde
processen is na afloop de mate van chaos groter. Het is een algemeen
bekend feit, dat het erfelijk materiaal in elk levend wezen enorm
gecompliceerd is. Zoiets kan nooit en te nimmer zichzelf door toeval
hebben geordend; het kan zichzelf ook niet naar een hoger niveau ordenen.
Er ontstaat geen ordening door toeval. Dat is de dagelijkse ervaring van
ons allemaal. Als er bijvoorbeeld per ongeluk een open pak met erwten van
het aanrecht gestoten wordt, dan zullen de erwten zich willekeurig over de
hele keukenvloer verspreiden en niet allemaal netjes in één hoek gaan
klaarliggen om opgeveegd te worden. Er komt nooit spontaan ordening tot
stand. Na 100 jaar zullen ze er nog zo liggen, als niemand ze opraapt. Nu
bevindt zich in de celkern van een levende cel een reusachtige hoeveelheid
informatie. Deze is opgeslagen in de DNA-moleculen. Het is allemaal nodig
om de biologische processen in de cel en in het organisme aan te sturen.
Die informatie kan er nooit door toeval terechtgekomen zijn. Iemand moet
die programma’s ‘geschreven’ hebben. Ik geloof dat God dat heeft
gedaan en zo elk organisme ‘naar zijn eigen aard’ (Genesis 1)
geschapen heeft.
b.
De biologie zelf bewijst het tegendeel van de evolutietheorie. Vanaf het
verschijnen van Darwins boek “On the Origin of Species” in 1859 hebben
evolutionisten met man en macht gezocht naar concrete gevallen van
evolutie. Tot op de dag van vandaag is er niet één gevonden. Er zit
weliswaar een zekere bandbreedte in het erfelijk materiaal van de soorten,
waardoor er varianten kunnen ontstaan, maar nergens is ook maar het
geringste stapje omhoog naar een gecompliceerdere soort waargenomen.
Verder zijn er fossielen gevonden van soorten, die tot op de dag van
vandaag nog steeds als levende soorten voorkomen zonder de geringste
verandering. In een museum in Duitsland zag ik ze naast elkaar in de
vitrine: de fossielen en levende exemplaren van dezelfde soort ernaast.
Een mooi voorbeeld van ditzelfde verschijnsel vormen de
barnsteeninsluitingen van bestaande insectensoorten. Volgens de
evolutietheorie zouden deze insluitingen 20 miljoen jaar oud moeten zijn,
maar ze bevatten soorten die vandaag de dag bestaan en er precies net zo
uitzien.
c.
In één levende cel vinden enorm veel gecompliceerde biochemische
reacties plaats, bijvoorbeeld de fotosynthese. Een chemische fabriek is er
niets bij. Er zijn reacties die nog steeds niet volledig begrepen worden.
En dit zou allemaal door toeval zo zijn opgestart. Hierbij zou ook nog
meteen een reproductie- oftewel voortplantingssysteem moeten zijn gaan
functioneren. Überhaupt zou een ‘hogere’ vorm van voortplanting in
één mutatiesprong tot stand moeten zijn gekomen, anders gaat er van
alles mis. Bij het zogenaamde ontstaan van de zoogdieren zou er
bijvoorbeeld ook meteen een mechanisme moeten functioneren, waarbij de
bloedvaten in de baarmoederwand tijdens het afstoten van de placenta
worden afgesloten, anders bloedt het moederdier dood. Zo’n
mutatiesprong, waarbij in één keer alles functioneert, is totaal
ondenkbaar.
Verder is
het ontstaan van de zintuigen via evolutie op geen enkele wijze aan te
tonen. Het oog is een enorm gecompliceerd orgaan. Bovendien staat het niet
op zichzelf, maar wordt het door zenuwen verbonden met het gezichtscentrum
in de hersenen. En dit zou zich door toeval ontwikkeld hebben??!!
d. Vaak zie
je bij de presentatie van deze theorie plaatjes van vissen, waarvan de
vinnen veranderen in pootjes. Dit is in volkomen tegenspraak met de
hedendaagse biologische realiteit. Dieren die in een voor hen steeds
slechter wordend milieu leven, sterven heel simpel uit. Dit is juist de
reden waarom er zoveel diersoorten in onze tijd uitsterven. Merkwaardig
overigens, hoe iemands waarneming en denken gekleurd kan zijn zonder dat
hij dat zelf onderkent. Eind jaren zestig liep ik college Latijn, Grieks
en Patristiek bij Prof. J.Wytzes. Hij behoorde nog tot de oude garde en
was niet meegegaan in het accepteren van de evolutietheorie. Meestal
doceerde hij in kaarsrechte houding van achter zijn bureau, als er
tenminste niets op het bord geschreven hoefde te worden. Maar als hij iets
bijzonders had te vertellen, ging hij midden voor zijn studenten staan,
nam zijn leesbril af en gaf dan zijn visie in korte duidelijke zinnen. Zo
luchtte hij op een keer zijn hart over de evolutietheorie. Hij woonde al
lange tijd in Rotterdam en had daar van nabij het dempen van de Coolsingel
meegemaakt. Elke dag was hij er langs gekomen en elke dag had hij gezien
dat er zich steeds minder water in de singel bevond. Hij had ook gezien
wat er met de vissen was gebeurd. Helder en duidelijk herhaalde hij een
paar keer met zijn hoge, wat hese stem de waarneming, waaruit hij zijn
conclusie had getrokken: “Ze kregen géén pootjes, mijne heren, ze
kregen géén pootjes! Ze gingen gewoon
. . . dóód!” Wij als studenten grijnsden met z’n allen. Bij
ons was de schakelaar al om. Niemand geloofde nog in de schepping, zoals
die in Genesis 1 beschreven wordt. In elk geval kwam niemand daar openlijk
voor uit. De ogen gingen mij pas weer open bij mijn bekering, een paar
jaar later. Toen zag ik in, dat Prof. Wytzes met zijn afwijzing van de
evolutietheorie het grootste gelijk van de wereld had. Waarvan akte!
e.
Veel scholieren worden met de evolutietheorie geconfronteerd tijdens het
vak aardrijkskunde, als het gaat over de geschiedenis van de aardkorst.
Een bekend onderwerp is bijvoorbeeld de vorming van steenkool. In de
lesboeken staat dat dit ongeveer 300 miljoen jaar geleden plaatsvond. Het
wordt allemaal gepresenteerd alsof de wetenschap van de geologie dit
ontdekt en bewezen heeft. Maar het is in strijd met de harde feiten van de
werkelijkheid. Er wordt met een enorm gekleurde bril naar het verleden
gekeken. Deze bril heet “actualisme”. Het betekent de aanname dat de
aardse geschiedenis verklaard kan worden met dezelfde geologische
processen die we in het heden waarnemen zoals bijvoorbeeld erosie en
sedimentatie (afzetting). Deze aanname werd opgesteld door de Schotse
geoloog James Hutton (1726-1796) en gepropageerd door Charles Lyell
(1797-1875). Darwin had het boek van Lyell bij zich op zijn reis met de
Beagle. Zonder veel tegenstand werd de gedachte van een zeer lange
ontwikkeling het fundament van de hele geologische wetenschap. Ze klopt
echter niet met de praktijk. We nemen nu alleen even het proces van
fossilisering. De bodem bevat erg veel fossielen. Aan de vondsten blijkt
dat de fossilisering plotseling moet hebben plaatsgevonden. Daar zijn erg
veel voorbeelden van bijvoorbeeld een gefossiliseerde roofvis, die net
bezig is een andere vis op te eten. Zo’n proces gebeurt niet in onze
werkelijkheid. Er worden op dit moment geen fossielen gevormd. Niemand
weet hoe het fossiliseringsproces precies heeft plaatsgevonden. De aanname
van het actualisme klopt dus niet. Al die miljoenen jaren zijn pure
speculatie, die nergens op slaan. Wat betreft de steenkool nog het
volgende. De geologie neemt aan dat de steenkool is ontstaan uit materiaal
dat daar ter plekke is gegroeid. Dit is in strijd met de werkelijke
feiten. In de steenlaag eronder zitten geen sporen van beworteling. Bovendien komt het
vaak voor dat steenkoollagen zich horizontaal splitsen in twee lagen boven
elkaar. Dat is te zien op kaarten van dwarsdoorsneden van steenkoolmijnen.
De laag aan de ene kant van de splitsing moet in dezelfde tijd ontstaan zijn als
de twee lagen aan de andere kant. De speculatie dat de vorming van deze
lagen steenkool
miljoenen jaren zou hebben geduurd, is geheel onhoudbaar. Ook zijn er verkoolde
boomstammen teruggevonden, die rechtop in de steenkoollaag staan. Volgens
geologen zou het ondereind van één ervan zes miljoen jaar ouder moeten
zijn dan het boveneind. Uitgaande van de overvloed aan deze feiten en nog
veel meer keiharde feiten is er slechts één conclusie mogelijk: de
steenkoollagen zijn ontstaan door afzetting van grote hoeveelheden
drijvend plantaardig materiaal op lage vlakke kusten gedurende een zeer
korte tijdsperiode. Meteen daarop werden
ze bedekt met een laag zand. Dit bewijst, dat er een enorme catastrofe
moet hebben plaatsgevonden, waarbij een massale hoeveelheid water de
bepalende factor was. De ontstaansgeschiedenis van steenkool duidt op
omstandigheden die overeenkomen met die van de zondvloed.
3. De
ontwikkeling van de natuurkunde.
Tegelijk
met het ontstaan van het Verlichtingsdenken hebben zich ook veranderingen
in de wetenschap van de natuurkunde voltrokken. Als wetenschap is zij erg
belangrijk, want het uiterlijk van de wereld waarin wij leven, is
grotendeels door haar bepaald. De hoge vlucht van de techniek is alleen
maar mogelijk geweest door de ontdekkingen van natuurkundigen. Na het
tijdperk van de stoommachine kwam die van de elektriciteit en de
atoomenergie. Daarna kwam de computer. De uitvinding van de transistor
(1947) had uiteindelijk een sneeuwbaleffect. De hele digitale wereld heeft
de transistor als fundament. Door de dominante plaats van de techniek in
onze wereld hebben mensen als vanzelf de neiging absolute waarde toe te
kennen aan het vak natuurkunde en aan de natuurkundewetten, die in de loop
der eeuwen ontdekt zijn. Dit is niet terecht. Daarom volgen er nu een paar
opmerkingen over de ontwikkeling van de natuurkunde.
Er zijn
drie perioden te onderscheiden in de geschiedenis van de natuurkunde. De
eerste periode betreft de Griekse oudheid en de Middeleeuwen. Dit wordt de
antieke natuurkunde genoemd. De tweede periode is die van de klassieke
natuurkunde. Zij duurde van ca. 1650 tot ca. 1900-1930. Daarna volgde de
periode van de moderne natuurkunde. Deze is nog in ontwikkeling. Deze drie
perioden zijn erg verschillend van karakter. We zullen heel in ’t kort
een schets geven van de drie periodes.
Bij de
Grieken was de natuurkunde ingebed in het geheel van de filosofie en
bestond ze niet zozeer als aparte wetenschap. Aan de ene kant had men al
concrete zaken ontdekt, zoals bijvoorbeeld de omtrek van de aarde, aan de
andere kant dacht men de natuurkundige verschijnselen te kunnen begrijpen
door gewoon diep na te denken. Dat heeft wat betreft de astronomie en de
wiskunde wel geleid tot een bruikbaar fundament voor heel de latere
geschiedenis. Dit gold niet voor de natuurkunde. Zintuiglijke waarneming
zet de mens gemakkelijk op het verkeerde been, als hij probeert
natuurkundige verschijnselen te verklaren. Verder was er niet het
technische niveau om goede apparaten te maken voor de noodzakelijke
experimenten. Bij verklaringen ging men al gauw over op speculatie. In de
Middeleeuwen borduurde men voort op het Griekse denken. Bijzonder was dat
alle kennis, ook de natuurkundige kennis, onderdeel ging uitmaken van de
theologie en zo leer van de Rooms-katholieke kerk werd.
De
opkomst van de klassieke natuurkunde is uitvoerig beschreven door E. J.
Dijksterhuis in zijn bekende boek “De mechanisering van het
wereldbeeld”. De klassieke natuurkunde begon met Copernicus (1473-1543).
Zijn voorstel om de zon als uitgangspunt te nemen, maakte de berekening
van de positie van de planeten eenvoudiger. Galileï (1564-1642) schaarde
zich achter dit idee aan de hand van waarnemingen met de pas ontdekte
telescoop. Hierdoor kreeg hij conflicten met de kerkleiding, omdat die het
wereldbeeld van Ptolemeüs leerde, waarbij de aarde in het centrum stond.
De volgende stap in het zich realiseren van het mechanische aspect van de
natuurkundige werkelijkheid ging als volgt. Europese wetenschappers hadden
de grootste moeite het begrip “leegte” te accepteren, toen Torricelli
zijn kwikbarometer presenteerde (1643). Aristoteles had immers gezegd dat
de natuur een afkeer van leegte had en dat leegte niet bestond. Wat bevond
zich boven het kwikniveau in de barometerbuis? Dat was de
grote vraag. Er waren de meest vreemde speculaties. Blaise Pascal
(1623-1662) bewees het bestaan van leegte en verklaarde de werking van de
barometer in relatie met de luchtdruk. Het mechanische wereldbeeld kreeg
zijn beslag, toen Newton (1643-1727) met zijn krachtwetten aantoonde, dat
de hemellichamen aan dezelfde wetten onderworpen zijn als voorwerpen op
aarde. Vanaf die tijd heeft de klassieke natuurkunde zich snel ontwikkeld.
Dit werd mede mogelijk gemaakt door de steeds verdergaande wiskunde,
waardoor de resultaten van de natuurkundige waarnemingen adequaat konden
worden verwerkt. Zo ging het door tot rond 1900. Aan het eind van de 19e
eeuw waren er natuurkundigen die het vermoeden uitspraken dat het niet
lang meer zou duren, of de natuurkunde zou alles ontdekt hebben wat er
viel te ontdekken. Het huidige natuurkunde-onderwijs op de middelbare
scholen bestaat voor het overgrote deel uit de ontdekkingen van de
klassieke natuurkunde en hierdoor kan bij leerlingen gemakkelijk datzelfde
idee ontstaan, dat de menselijke wetenschap alles aan de weet kan komen.
Het is echter een vervormd beeld van het geheel van de natuurkundige
werkelijkheid. Dat blijkt uit de resultaten van de moderne natuurkunde.
Het
allereerste begin van de moderne natuurkunde is te zien bij Max Planck
(1858-1947), die in 1900 verslag deed van de door hem gedane waarneming
dat energie zich niet in oneindig kleine pakketjes laat verdelen, maar dat
er een soort ondergrens is. Dit kleinst mogelijke pakketje werd
‘kwantum’ genoemd. Albert Einstein bewees in 1905 de correctheid van
de waarneming met een artikel over het foto-electrisch effect. In
hetzelfde jaar publiceerde hij ook een artikel over de speciale
relativiteitstheorie. Deze breidde hij later uit tot de algemene
relativiteitstheorie (1915). Tijd bleek geen absoluut begrip meer te zijn,
maar gekoppeld te zijn aan het begrip ruimte. Er sneuvelden meer vaste
zekerheden. Vanaf de jaren twintig werd de moderne natuurkunde met haar
kwantummechanica en relativiteitstheorie steeds meer geaccepteerd. Alle
gedane experimenten bewezen de correctheid ervan. Op het niveau van atomen
en nog kleinere deeltjes blijken de wetten van de klassieke natuurkunde
niet op te gaan. De begrippen ‘plaats’ en ‘tijd’ krijgen in die
situatie een heel andere inhoud. Er zijn deeltjes, die tijdens de zeer
korte periode dat ze bestaan, tegen de tijd in bestaan. In de tachtiger
jaren werd zelfs experimenteel bewezen dat in sommige gevallen bij
bepaalde kleine deeltjes de verder algemeen geldende regel van oorzaak en
gevolg wordt omgedraaid. In tegenstelling tot de klassieke natuurkunde kan
de moderne natuurkunde geen absolute uitspraken doen. Haar uitspraken
hebben slechts statistische waarde. Op het hoogtepunt van de klassieke
natuurkunde had de Franse filosoof en wiskundige Laplace (1749-1827) nog
gezegd, dat alles onderworpen is aan oorzaak en gevolg en dat, als we op
moment x de hele werkelijkheid
kenden, we dan ook haar verleden en toekomst zouden kennen. Zo’n
zekerheid zal de moderne natuurkundige nooit kunnen geven. Hij kan slechts
spreken over kansen en moet erkennen dat er grenzen zijn, waar hij niet
overheen kan kijken, niet vanwege het gebrek aan nauwkeurigheid bij zijn
meetinstrumenten, maar omdat de natuur zelf het niet toestaat iets aan de
weet te komen over wat er achter die grens gebeurt. De moderne natuurkunde
heeft wetten opgesteld over het grensgebied dat nog kenbaar is. Deze
bestaan alleen maar in formulevorm. Er is geen enkele concrete
voorstelling meer van te maken. Ze zijn helemaal niet geschikt als oriëntatiepunt
bij het zoeken naar het wezenlijke van dit bestaan. Laat u nooit van de
wijs brengen door opmerkingen, dat de Bijbel niet waar zou zijn, omdat de
‘moderne wetenschap’ door middel van de natuurkundewetten zou bewijzen
dat de wonderen, die in de Bijbel beschreven staan, nooit gebeurd zijn.
Iemand die zulke opmerkingen maakt, kent de echte feiten niet en gaat uit
van een achterhaald en vertekend beeld van deze werkelijkheid.
4. De geest van het
Verlichtingsdenken.
De
resultaten van het Verlichtingsdenken, de wetenschap en de techniek,
hebben ervoor gezorgd dat de moderne tijd er totaal anders uitziet dan
welke periode uit de geschiedenis ook. Het voert te ver om dat uiterlijk
in z’n geheel te beschrijven. We noemen slechts een paar dingen, waar de
mensheid twee eeuwen geleden in ’t geheel geen weet van had: het
spoorwegnet, stoomschepen, vliegverkeer, auto’s, atoombommen,
kernenergie, radio en televisie, ruimtevaart, harttransplantaties,
computers, cd-spelers, opwarming van de aarde, biotechnologie,
nanotechnologie, mobiele telefoons, internet, twitter, etc., etc. Het
vervoer van personen en goederen heeft een megagroei doorgemaakt. De
hoeveelheid beschikbare nuttige informatie en wetenschappelijke kennis is
duizelingwekkend geworden.
En de mens
zelf. Wat is er met de mens zelf gebeurd? Op de keper beschouwd niet veel
bijzonders. Welke grenzen er ook verlegd zijn, de twee belangrijkste
grenzen zijn nog steeds precies hetzelfde gebleven. De mens komt dit
bestaan binnen via de grens van zijn geboorte en hij verlaat dit bestaan
via de grens van zijn dood. Wat we ook aan menselijke kennis hebben
vergaard, we zijn met die kennis geen stap verder gekomen wat betreft de
betekenis van de dood. Dat is verschrikkelijk, want als een mens niet weet
wat sterven inhoudt, hoe kan hij zich daar dan tijdens zijn leven op
voorbereiden? Uiteindelijk zijn we allemaal op weg naar dat vaste
eindpunt. Het kan een korte reis zijn of een lange, dat maakt niet uit.
Vroeg of laat komen we op dat eindpunt aan. We kunnen ons voor van alles
verzekeren in dit leven. Maar we kunnen ons niet verzekeren tegen onze
dood. Natuurlijk kunnen we een uitvaartverzekering afsluiten, maar als we
de grens van leven en dood gepasseerd zijn, hebben we daar zelf niets aan.
Zo blijven voor het menselijke denken deze vragen onopgelost: “Waarom
sterft een mens?” en daaraan gekoppeld: “Wat is de zin van dit
bestaan?”
De
Middeleeuwse denkers hebben geprobeerd om dit bestaan onder controle te
krijgen. Ze gingen daarbij in navolging van de Griekse denkers en de
apologeten uit van een soort christelijke bovenlaag. Hun abstracte
godsbewijzen waren niet zozeer bedoeld om het bestaan van de echte God aan
te tonen, maar ze dachten dat het aan hun denksysteem een soort fundament
gaf. Via die bovenlaag, waar zij ook hun filosofische god een plek gaven,
dachten ze de regie over dit bestaan in handen te hebben. Dat heeft iets
met hun waarneming gedaan. Feiten die niet in overeenstemming waren met
hun denksysteem, werden genegeerd of anders geïnterpreteerd. Zouden die
feiten namelijk waar zijn, dan zou hun denksysteem niet kloppen en dan zou
hun complete wereld in elkaar storten. Dat kon niet waar zijn, want zij
hadden het immers bij het rechte eind. Daarom kreeg Galileï op z’n 69ste
huisarrest, want hij had op grond van waarnemingen hardop gezegd dat
inderdaad de zon in het midden stond en niet de aarde. Daarom duurde het
ook even voordat het begrip ‘leegte’ werd geaccepteerd. Dat kwam door
het dogma van Aristoteles, en dus ook van de Rooms-katholieke kerk, dat er
geen leegte bestaat, omdat de natuur een afkeer van leegte heeft. Zelfs
iemand als René Descartes had nog gespeculeerd dat de ruimte bovenin de
kwikbuis van Torricelli zich door het glas heen had gevuld met ‘subtiele
materie’, voordat uiteindelijk Pascal met doorslaggevende bewijzen van
het vacuüm kwam.
Het ten
koste van alles de regie willen houden en een ontregelde waarneming hangen
nauw met elkaar samen. In het verleden had ik te maken met
een groep ernstige anorexiapatiënten. Dit zijn in de regel meisjes met
een bovengemiddelde intelligentie. Ze ervaren hun eigen lichaam als erg
dik, terwijl ze vreselijk mager zijn. Op een enorm rigide manier proberen
ze de absolute regie over hun lichaam te houden door heel precies op een
bepaald laag gewicht te blijven. Soms is er bij hen een grote psychische
ontreddering te zien, als blijkt dat hun gewicht bij weging bijvoorbeeld
200 gram hoger is dan zij gepland hebben. O, die paniek die er ontstaat,
als men geconfronteerd wordt met dat vreselijke gevoel van het kwijtraken
van de regie!!
Zowel het
Verlichtingsdenken als het Middeleeuwse denken zitten in een vergelijkbare
kramp. Beide proberen de regie te hebben over dit bestaan. Het
Verlichtingsdenken gaat uit van één laag, de zichtbare werkelijkheid.
Dat was een reactie op de twee lagen van de Middeleeuwen, maar
uiteindelijk is de geest erachter dezelfde. Waarnemingen die niet in
overeenstemming zijn met het Verlichtingsdenken worden, net als in het
Middeleeuwse denken, genegeerd of anders geïnterpreteerd. Zo moet volgens
het Verlichtingsdenken de evolutietheorie waar zijn, want anders zou je
moeten uitgaan van een Schepper en dat kan volgens de overgrote
meerderheid van de westerse mensheid niet. Men voelt onbewust aan dat men
dan de regie kwijt is. De harde objectieve feiten zijn, dat er volgens de
2e Hoofdwet van de Thermodynamica nooit spontaan ordening kan
ontstaan en dat er sinds 1859, toen Darwins boek verscheen, tot op de dag
van vandaag nog geen enkel miniscuul stapje omhoog is ontdekt in de
opeenvolgende generaties van biologische organismen. Maar deze feiten
worden genegeerd of verdraaid, net als vroeger bijvoorbeeld het vacuüm in
de kwikbuis. Er wordt veel energie gestoken in het bewijzen van het eigen
gelijk. De NASA is met een duur ruimtevaartprogramma krampachtig op zoek
naar evolutie door het heelal af te speuren naar buitenaards leven. Die
kramp wordt zichtbaar in hun pogingen door middel van media-aandacht hun
‘onderzoeksresultaten’ bij het grote publiek te laten ‘landen’.
Ook in de speurtocht naar de oerknal via het kleine deeltjes onderzoek zit
die drang. Volgens de ‘geleerden’ zou de oerknal 13.700.000.000 jaar
geleden hebben plaatsgevonden. Al die nullen staan er om het geloof in een
Schepper zover mogelijk weg te duwen. Maar dat helpt niet, al zouden er
nog tien nullen bij komen. In de berekeningen van de moderne natuurkunde
wordt überhaupt met superkleine en supergrote getallen gewerkt en staan
er hele reeksen nullen voor of achter de komma. Al die ‘bewijzen’ die
tegenwoordig het begin van het bestaan willen verklaren zonder God,
kortom, dat God niet zou bestaan, zijn net
zoveel waard als vroeger die Middeleeuwse filosofische ‘bewijzen’ dat
God wel
bestaat. Dat wil zeggen, wat betreft hun geestelijke waarde. Die is nul.
In dollars uitgedrukt is er echter wat betreft de gemaakte kosten een
immens verschil. De kosten van inkt en papier vallen in het niet bij de
kosten van ruimtevaartuigen en deeltjesversnellers. Wat een
geldverspilling! Wat een kramp!
Dezelfde
intolerantie, die het Middeleeuwse denken kenmerkte, zit ook in het
Verlichtingsdenken. We zullen slechts twee symptomen daarvan noemen. Een
groot deel van de Tweede Kamer staat op de achterste benen als wordt
gevraagd in het biologie-onderwijs naast de evolutiehypothese ook de
mogelijkheid te behandelen, dat God de ons omringende natuur geschapen
heeft. Vanwaar die verbetenheid? Het geloven in de Schepper doet de naaste
geen kwaad. Het is ook geen belemmering voor het denken. Lees
“Gedachten” van Blaise Pascal maar. Het punt op de achtergrond is
echter: wie is de baas van dit bestaan, de mens of God. Wie heeft de
regie?
Het andere
symptoom is de manier waarop de homobeweging actie voert. In Nederland
hebben homoseksuelen zo ongeveer alles voor elkaar gekregen wat ze graag
wilden. Ze mogen officieel trouwen, ze mogen kinderen adopteren, ze hebben
een behoorlijk grote plek in de berichtgeving via de media, ze krijgen de
gelegenheid in de publieke ruimte van de Amsterdamse grachten hun
Gay-prides te houden. Toch worden ze als het ware ertoe gedreven om actie
te voeren, als in 10 procent van de Nederlandse gemeenten onder de vele
trouwambtenaren van zo’n gemeente er één is, die omwille van zijn
geweten en zijn geloof in de Schepper weigert twee mensen van hetzelfde
geslacht met elkaar in het huwelijk te verbinden. Nee, dat kan niet, want
iedereen moet net zo denken als zij. Waarom die intolerantie? Er wordt hen
geen strobreed in de weg gelegd. Trouwambtenaren genoeg bij wie ze terecht
kunnen. Ze worden niet gekwetst en als mens volkomen serieus genomen. Er
is geen andere verklaring voor deze merkwaardige intolerantie te vinden
dan de angst om de regie over dit bestaan, deze werkelijkheid, kwijt te
raken. Om die reden kunnen zij mensen, die de geboden van de Schepper
willen gehoorzamen, niet verdragen.
5. Het probleem van zonde en dood
bij het Verlichtingsdenken.
Het
Verlichtingsdenken sluit de ogen voor de zonde. Hierdoor is de huidige
wereld nog kwetsbaarder geworden dan ze al was. Ieder mens is van nature
zelfzuchtig en op zijn eigen voordeel uit. Vroeg of laat geeft dat enorme
botsingen. Vanaf het moment dat het Verlichtingsdenken invloed kreeg op
het politieke handelen, is de wereld er echt niet beter op geworden. Het
begon met de Franse revolutie. Daarna zijn er nog verscheidene revoluties
geweest. Deze hebben vele tientallen miljoenen mensen het leven gekost. In
de vorige eeuw hebben de ‘verlichte’ volkeren van deze wereld twee
keer op een afschuwelijke manier oorlog met elkaar gevoerd. Daarna heeft
men energie noch geld gespaard om massavernietigingswapens te ontwikkelen.
Er zijn er zoveel, dat hiermee de hele aarde een x
aantal malen verwoest kan worden. Dat zijn de vruchten van de Verlichting.
Over zonde gesproken.
De
afgelopen tientallen jaren heeft de wereldeconomie een ongekende groei
meegemaakt. Het is een fictie om te denken dat dit nog lang zo door kan
gaan. Men is bezig de aarde leeg te roven wat betreft grondstoffen en
verstoort het klimaat door de opwarming. Het bankwezen blijkt in
toenemende mate helemaal geen dienende taak te hebben en bovendien ruimte
te geven voor het ontstaan van een graaicultuur bij de leidinggevende
laag. Verder is de hele wereldeconomie door de globalisering zeer
kwetsbaar geworden. Kleine oorzaken krijgen steeds grotere gevolgen. Als
de economie vastloopt, zal ook de politiek ontregeld raken. Helaas zijn
daarvan voorbeelden in de geschiedenis. De achterliggende oorzaak hiervan
is het egoïsme, de zonde van de mens. Dat de moderne mens deze zondige
aard ontkent, maakt de situatie alleen maar ernstiger.
Wat betreft
het onderwerp van de dood het volgende. Het Verlichtingsdenken heeft
hierop geen antwoord. De evolutietheorie laat de mens op dit punt volkomen
in de kou staan. Deze theorie kan niet meer zeggen dan dat de mens een
levend iets, een organisme, is. Doodgaan of sterven betekent het stoppen
van de biologische processen in dat organisme. Het ene organisme zou zich
volgens de evolutionist door toeval wel verder ontwikkeld hebben dan het
andere, maar er kan geen oorzaak worden genoemd voor een kwalitatief
verschil. Dat is vreselijk, want dat zou erop neerkomen, dat de mens op
dezelfde wijze doodgaat als zijn hond of zijn kat. Of als de vlieg, die
wordt platgeslagen op de muur van de kamer. In al die gevallen houdt een
levend iets, een biologische entiteit, op te functioneren. Wie kan nu naar
zo’n einde toe leven! Het is niet verwonderlijk dat o.a. via de New Age
beweging het reïncarnatiegeloof steeds meer aanhangers vindt, maar ach,
dan denkt men voorlopig gevangen te zitten in de uitzichtloze tredmolen
van het rad der geboorte. Wat zou het een fantastisch feest zijn als heel
veel mensen deel kregen aan dezelfde levende hoop, die Christenen hebben
door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petrus 1:3-5).
c. De
Protestantse theologie.
Wat
er nu volgt gaat over de theologische ontwikkelingen binnen het
Nederlandse Protestantisme gedurende de laatste anderhalve eeuw. Dat is
niet een precieze weergave van wat er bij de mensen in de diverse kerken
leefde. Daar was vaak veel meer echt geloof en vertrouwen op God te vinden
dan bij de theologen. Kerkleden, die in het gewone dagelijkse leven
stonden, leefden noodzakelijkerwijs dikwijls dichter bij de grote zegen
van de Reformatie, de Bijbel, dan mensen die een groot deel van hun leven
doorbrachten op hun studeerkamer temidden van volle boekenkasten.
Inderdaad gingen, zoals iemand schreef, de theologen voorop in het
loslaten van het geloof.
Binnen het
kader van dit document beschrijven we een tweetal ontwikkelingen. In de
eerste plaats de ‘stille revolutie’ in de Gereformeerde Kerken. In de
tweede plaats het verschijnsel van de ‘refozuil’. Vervolgens worden
beide ontwikkelingen in een breder verband geplaatst.
1. De ‘stille revolutie’.
Deze vond plaats in de Gereformeerde Kerken tijdens de zestiger jaren van
de twintigste eeuw. In een tijdsbestek van ruim 10 jaar veranderde een
orthodox Protestantse kerk in een vrijzinnige kerk. We hebben dit proces
heel bewust meegemaakt. Het was erg beklemmend.
De
‘stille revolutie’ begon met het morrelen aan Genesis 1. Daarna kwamen
er hoe langer hoe meer waarheden op de tocht te staan. Er vond een enorme
aanpassing plaats aan het Verlichtingsdenken. Bij de uitleg van de Bijbel
werd de historisch-kritische methode gebruikt. Abortus, homofilie,
euthanasie, moderne literatuur, alles werd goedgepraat door Bijbelteksten
te verdraaien of ‘eigentijds’ te interpreteren. Berucht werd de uitspraak van Prof. Rothuizen over homofilie: “Paulus wist niet beter in
zijn tijd.” De hele omwenteling vond zijn afsluiting in het rapport
“God met ons” (1980). Daarin wordt gezegd dat de waarheid niet
absoluut is, maar relationeel. Zo mocht volgens de Gereformeerde synode in
’t vervolg iedereen z’n eigen gang gaan.
Het
schokeffect van deze verrassende ontwikkeling was groot. Niemand had dit
in de nadagen van Kuyper en Bavinck tijdens de jaren vijftig vermoed. Toch
had dit verschijnsel zich al een aantal keren eerder voorgedaan. Spurgeon
had heftig tegen hetzelfde soort afglijden geprotesteerd tijdens de Down
Grade (1887), maar zonder effect. De leiding van de Baptistenunie stelde
alles in het werk om de zaak te sussen en de vrijzinnigen de hand boven
het hoofd te houden. Spurgeon koos voor de enig juiste weg: hij verliet de
Baptistenunie.
Een bijna
soortgelijke omwenteling als in Nederland had zich in de Verenigde Staten
voltrokken. Princeton Seminary was ooit een bolwerk van het calvinisme.
Bekende namen waren Charles Hodge (1797-1879), Archibald Hodge
(1823-1886), Benjamin Warfield (1851-1921). Kuyper hield er zijn
Stone-lezingen in 1898 en Bavinck sprak er in 1908. In de tachtiger jaren
van de 19e eeuw werd een voorstander van de vrijzinnige
historisch-kritische Bijbelexegese, een zekere Dr. Briggs, uit het ambt
gezet, maar later gebeurde het omgekeerde. In de twintiger jaren werd J.
Gresham Machen (1881-1937) gedwongen te vertrekken vanwege zijn orthodoxe
principes en later werd hem zelfs het ambt ontnomen (1936). De koers van
de Northern Presbyterian Church was 180 graden gedraaid. Ook in Engeland
was er tijdens diezelfde periode sprake van een omslag bij de
Non-conformisten.
Op dit
moment is er in Nederland op een aantal plaatsen een soortgelijke
omwenteling begonnen, o.a. bij de Theologische Universiteit in Kampen
(Gereformeerd (vrijgemaakt)) en bij de Evangelische Omroep. De
ontwikkeling bij de EO springt het meest in het oog. Toen in 1980 het
rapport “God met ons” verscheen, trokken EO-prominenten fel van leer
met de tegenpublicatie: “De Bijbel in de beklaagdenbank”. Knevel en
Ouweneel leverden hun aandeel hieraan en lieten niet na op tv publiekelijk
hun afkeuring uit te spreken. Nu beginnen ze zelf de historiciteit van
Genesis 1-3 op te geven en opnieuw gebeurt dat . . . . publiekelijk.
De situatie
na zo’n ‘stille revolutie’ vertoont een merkwaardig beeld. Het meest
opvallende is dat de Bijbel als gezaghebbende bron van de openbaring van
God is losgelaten. In de regel gaat het stap voor stap. Eerst wordt er een
klein beetje toegegeven aan de historisch-kritische exegese, maar het
wordt hoe langer hoe erger. Er is dan al een verkeerde houding ten
opzichte van de Bijbel als Gods Woord. Men onderwerpt zich niet meer aan
het gezag van Gods Woord, maar gaat zijn eigen gang. De bekende
nieuwtestamenticus, professor Eta Linneman, die bij haar bekering radicaal
brak met de historisch-kritische methode, had helemaal gelijk toen ze zei:
“Evenmin als een beetje
zwanger, kan men een beetje
historisch-kritisch zijn.”
Deze manier
van exegetiseren laat niets van de Bijbel over. We zullen een paar
consequenties noemen:
- Wie de historiciteit van Genesis 1 tot en met 3 opgeeft, ontkent de
zondeval, ontkent het probleem van de zonde en de dood en laat zo niets
over van het verlossingswerk van Jezus Christus. Jezus Christus zou dan
tevergeefs gekruisigd zijn en gestorven zijn. Alle stichtelijke woorden
ten spijt heeft zo iemand het evangelie van Jezus Christus tot een
belachelijke zaak gemaakt. Desondanks blijft de dominee preken en komen er
nog mensen luisteren. Waarom eigenlijk?
- Volgens de moderne theologen van het Oude Testament hebben Abraham, Izaäk
en Jakob nooit echt bestaan. Ooit heb ik hun theologische werken zelf
moeten bestuderen (R. de Vaux, Martin Noth). De aartsvaders zouden slechts
bestaan in volksverhalen die in het oude Israël rondom een heiligdom
werden verteld en opgeschreven. Het zouden dus volksverhalen, fabels zijn.
Als Jezus Christus later in het Nieuwe Testament zegt: “God is niet een
God van doden, maar van levenden”, zou dat volgens hun interpretatie
neerkomen op: “God is niet een God van doden, maar van fabels.” Wat is
hier nog over van geloof in de echte God?
- De moderne theologen van het Nieuwe Testament laten niets meer van de
boodschap van het evangelie over. Ze geloven niet dat Jezus Christus uit
de maagd Maria geboren is; zij ontkennen Zijn opstanding en weigeren te
accepteren dat Jezus Christus plaatsvervangend voor zondaren gestorven is.
Ondanks dat alles vinden ze zichzelf wel Christelijk. Op grond waarvan?
- Naar het oordeel van deze
theologen heeft Paulus niet de Pastorale brieven (1 en 2 Timotheüs,
Titus) geschreven. Toch noemt Paulus zichzelf heel duidelijk als schrijver
en verwijst hij naar concrete gebeurtenissen in zijn leven. Volgens die
theologen zou de Bijbel dus voor een deel het werk van fraudeurs zijn.
Ondanks dat besteden ze erg veel tijd aan dat in hun ogen frauduleuze
boek. Waarom?
Als de
Bijbel als de enig gezaghebbende openbaring van God is losgelaten, heeft
het Christelijk geloof geen enkele basis meer. Men kan zich in gemoede
afvragen waarom er überhaupt een vrijzinnig Christendom bestaat. Er is
geen enkele reden toe. Iemand als Prof. Kuitert heeft bijna alle
geloofsartikelen eraan gegeven. Toch blijft hij in de kerk zitten. Met
welk doel? Er is geen andere verklaring te vinden dan dat het in dit soort
Christendom niet om de God van de Bijbel gaat, maar om de kerk. Dan kan
men zelfs zover gaan dat er in die kerk een niet-bestaande god wordt
verkondigd (ds. Hendrikse). Blijkbaar maakt het geen zier meer uit wat er
vanaf de preekstoel gezegd wordt. Als er maar gepreekt wordt.
2. De refozuil.
Op 1
april 1971 verscheen de eerste editie van het Reformatorisch Dagblad. Het
is het belangrijkste herkenningspunt van wat na verloop van tijd de
‘refozuil’ werd genoemd. Er kwamen Reformatorische scholen; de
Reformatorische Maatschappelijke Unie werd opgericht. Inmiddels is er een
Reformatorische Omroep. Hoe verhoudt zich deze zuil tot het evangelie van
Jezus Christus? Welk evangelie klinkt er van de kansel in de diverse
bevindelijke kerken?
Het
verlammende van de Reformatorische kerken is de dubbele boodschap, die er
vanuit gaat. Aan de ene kant krijgen de kerkleden het idee dat ze Christen
zijn. Ze zijn ‘gedoopt’, hebben belijdenis gedaan, betalen hun
kerkelijke bijdrage etc. Ze houden zich aan de gedragscodes en
kledingcodes. Op zaterdagavond voor 12 uur thuis, geen tv in de huiskamer.
Vrouwen dragen rokken en ’s zondags in de kerk een hoed. Psalmen worden
niet-ritmisch gezongen en ‘Here’ schrijf je als ‘Heere’. Aan de
andere kant krijgen de kerkgangers te horen dat ze geen Christen zijn. Er
moet iets bijzonders in hun leven hebben plaatsgevonden, waardoor ze de
zekerheid gekregen hebben, dat ze bekeerd zijn of, zoals men wel eens
hoort, dat zij “de Heere mochten leren kennen”. Er wordt eindeloos
geschreven over de verhouding van aanbod en belofte, over de standenleer,
etc. Het trieste verschijnsel doet zich voor dat de leiders van de diverse
kerken niet meer echt communiceren met wat er op het grondvlak leeft. Men
heeft slechts oog voor één ding: hoe houden wij de regie binnen ons
kerkgenootschap? Hiervoor ziet men maar één oplossing: ten koste van
alles vasthouden aan het oude. Dat levert leiders op, bij wie het
ontvangstgedeelte van het communicatie-apparaat is uitgeschakeld. Alleen
het zendgedeelte werkt nog. De oude leer wordt via de vaste kanalen van
kerkblad en kansel tot in het oneindige herhaald. Kerkleden die door het
indienen van een gravamen of door publicaties proberen de ogen van de
leiding te openen voor de echte vragen, worden uitgerangeerd. Dit overkwam
bijvoorbeeld Prof. Blaauwendraad. Ondertussen blijft de dominee doorgaan
met preken, want gepreekt moet er worden. Wat wordt er eigenlijk gepreekt?
Als tot geloof komen betekent in lijdzaamheid afwachten, totdat ‘het’
komt, als de belofte “Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult
behouden worden” met allerlei onbijbelse voorwaarden wordt omkleed, dan
komt de prediking in de bevindelijke kerken neer op de prediking van een
onbereikbare god.
3. De vergissing.
Wat is er
mis met de Protestantse theologie, als binnen die theologie een orthodoxe
richting in 10 jaar tijd kan omslaan naar een vrijzinnige richting? Hoe
komt het dat er binnen het Protestantisme de ruimte aanwezig is een
niet-bestaande god te verkondigen en tevens op een andere plek een
onbereikbare god? Geestelijk gesproken is in dit alles het werk van de
duivel herkenbaar. Die doet zijn best om de redding van zielen te
voorkomen. Hij heeft nergens meer een hekel aan dan aan een Bijbelse
evangelieverkonding.
Als we de
vraag in historisch perspectief plaatsen, komen we tot het volgende:
De
grote vergissing van de Protestantse theologie is, dat zij denkt de
boodschap van het Nieuwe Testament als uitgangspunt te nemen, terwijl zij
in werkelijkheid uitgaat van de heidense filosofie van Augustinus. Binnen
de Protestantse theologie speelt Augustinus een hoofdrol. Dat is
rampzalig. Als we bij het licht van de Bijbelse openbaring terugkijken,
ontkomen we er niet aan Augustinus de meest invloedrijke dwaalleraar uit
de geschiedenis van het Christendom te noemen. Dadelijk meer over zijn
dwalingen. Zijn invloed op de Nederlandse Protestantse theologie is
gemakkelijk meetbaar. We noemen hier slechts twee feiten. Deze spreken
voor zich. 1. Calvijn verwijst in zijn “Institutie” 288 keer naar
Augustinus. Daarentegen verwijst hij 0 keer naar Luther (nul keer, u las
het goed), terwijl Luther juist door God gebruikt is om de genade door
Jezus Christus opnieuw te verkondigen. 2. Van Prof. H. Bavinck (1854-1921)
is bekend dat er in zijn werken meer citaten van Augustinus dan van
Calvijn staan.
Waarin
dwaalde Augustinus? Heel kort gezegd komt het hier op neer: in zijn werken
ontbreekt de gekruisigde Christus. En dan ontbreekt echt totaal alles.
Als neo-platonist gaat Augustinus uit van de schepping door God en niet
van de redding door Jezus Christus. Dit is overal terug te vinden, zelfs
in één van de meest bekende citaten van hem: “ ..want Gij hebt ons
geschapen tot U en ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U”
(Belijdenissen 1,1 vert. Prof Sizoo). Hier is duidelijk de invloed van het
toenmalige neoplatonisme herkenbaar. In die filosofie gaat het erom dat al
het geschapene uiteindelijk op de plek terecht komt, die door de Schepper
is bedoeld. Dit is echter in strijd met de Bijbel. De oorzaak van ons rust
vinden bij God ligt niet in bepaalde eigenschappen van onze schepping door
God, maar in onze redding door Jezus Christus. Paulus schrijft in Romeinen
5:1: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door
onze Here Jezus Christus.”
Binnen dit
beknopte document zullen we twee desastreuze effecten van het werk van
Augustinus op het Protestantisme bespreken. De gevolgen ervan zijn tot op
de dag van vandaag merkbaar.
- in
het denken van Augustinus komt de wedergeboorte van beneden.
Door de
geschriften van Augustinus heeft de vermenselijking van de wedergeboorte
zich verder voortgezet. Volgens hem bewerkt de doop de wedergeboorte,
zowel bij volwassen dopelingen als bij kleine kinderen. Volwassenen die
zich lieten dopen, dachten daardoor wedergeboren te worden. In
Belijdenissen 9,6 vertelt Augustinus dat zijn vriend Alypius ervoor koos
‘tegelijk met hem wedergeboren te worden’ door zich eveneens tijdens
dezelfde dienst te laten dopen. Wat betreft het dopen van kinderen
schrijft Augustinus aan het begin van hoofdstuk 21 van zijn boek “Over
het huwelijk en de sexuele begeerte”, dat kinderen niet uit God, maar
uit de wereld geboren worden. Dat komt door de schuld van de seksuele
begeerte waarmee deze kinderen verwekt werden. Die schuld wordt volgens
Augustinus kwijtgescholden als het kind wordt gedoopt en zo wordt
wedergeboren uit God. Een hoofdstuk verder zegt Augustinus dat ongedoopte
kinderen in de macht van de duivel blijven. Op andere plaatsen
(bijvoorbeeld “Over verdienste, vergeving van zonden en de doop van
kinderen”, boek I, hoofdstuk 35) zegt hij dat de doop, omdat zij de
wedergeboorte bewerkt, een voorwaarde tot redding is. Het menselijke
handelen bij de doop wordt zo beslissend voor de redding. Dit past precies
in het plaatje van de toenmalige mysteriegodsdiensten. Deze dwaling is
even erg als het promoten van de besnijdenis bij de gemeenten van bekeerde
heidenen in Galatië door de Joodse dwaalleraars. Paulus heeft die dwaling
over de besnijdenis in de meest scherpe bewoordingen veroordeeld. Hij zou
precies hetzelfde gedaan hebben met de leer van Augustinus. Laten we ons
dat toch goed realiseren!!
De
koppeling wedergeboorte – kinderdoop sticht verwarring tot op de dag van
vandaag. De Rooms-katholieke kerk, de Anglicaanse kerk en de Lutherse kerk
leren het nog steeds. Calvijn geeft een zeer verward geluid. Hij geeft
zijn betoog over dit onderwerp geen correcte Bijbelse onderbouwing.
Leemtes in zijn bewijsvoering vult hij aan met speculaties. In zijn
“Institutie” (III,3,13) gaat hij mee met Augustinus en zegt hij dat
het Sacrament wedergeboren doet worden. In zijn bespreking van de doop (IV,15,10
en 15,11) zegt Calvijn dat de doop niet van de erfzonde verlost. Het zou
wel de verdoemenis wegnemen en er zou een levenslang proces van doding
beginnen (?). Soms kent hij de doop eigenschappen toe, die alleen mogelijk
zijn bij de geloofsdoop. Onder paragraaf 13 zegt hij bijvoorbeeld dat we
met onze doop openlijk belijden dat wij “bij het volk van God begeren
geteld te worden”. Als hij dan even later de kinderdoop verdedigt (IV,16,17)
ontkomt hij er niet aan heel vaag te blijven over de wedergeboorte. Hij
zegt daar letterlijk: “Maar hoe worden dan de kinderen wedergeboren, die
nog geen kennis hebben van goed of kwaad? – Wij antwoorden dat het werk
Gods, ook al valt het niet onder ons begrip, toch aanwezig is.” Onder
paragraaf 18 en 19 koppelt hij de wedergeboorte los van het horen van de
verkondiging van het Woord Gods, geheel tegen Romeinen 10:17 en 1 Petrus
1:23 in. (“Zo is dan het geloof uit het horen” en “als
wedergeborenen niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door
het levende en blijvende woord van God.”) Hierdoor kan hij wedergeboorte
ook bij kleine kinderen mogelijk achten en
. . . de Roomse
kinderdoop handhaven en goedpraten. Dit heeft tot een dramatische
mystificatie van de wedergeboorte geleid.
Sinds
Calvijn zijn gereformeerde theologen aan het worstelen geweest hoe het zit
met die wedergeboorte. Kuyper kwam met zijn veronderstelde wedergeboorte
voor, tijdens of na de kinderdoop. Bavinck spreekt over het zaad der
wedergeboorte, dat jarenlang verborgen kan blijven (Zie Inleiding van zijn
boek “Roeping en Wedergeboorte”). Volgens hem kunnen mensen dus al
vele jaren wedergeboren zijn, voordat zij bekeerd zijn. Dit staat nergens
in de Bijbel. De meeste scheuringen in de gereformeerde gezindte werden
veroorzaakt door polemieken over de wedergeboorte. Op internet is een
brochure te vinden van Dr. K. Schilder die gaat over de breuk tussen de
Gereformeerde kerken en de Christelijk Gereformeerde Kerken. (“Dr. A.
Kuyper en het “Neo-Calvinisme” te Apeldoorn veroordeeld?” 1925).
Hierin verdedigde Schilder op polemische wijze Abraham Kuyper tegenover
docent J.J. van der Schuit, die in een rectorale rede in Apeldoorn Kuyper
ervan had beschuldigd, dat hij een “dormante” (sluimerende)
wedergeboorte had geleerd. Schilder beschuldigde op zijn beurt Van der
Schuit ervan, dat hij dit allemaal had gezegd om de volgens Schilder
onnodige breuk tussen de Christelijk Gereformeerde Kerken en de
Gereformeerde Kerken te benadrukken. Zo’n pennenstrijd heeft helemaal
niets meer met de boodschap van de Bijbel te maken. Het betreft slechts de
genademechanica van het eigen kerkgenootschap. Bedroevend is het, dat dit
heeft kunnen gebeuren. Nam in 1925 Schilder het nog voor Kuyper op, later
werd de kerkelijke dwang tot het aanvaarden van Kuypers leer over de
veronderstelde wedergeboorte onder leiding van diezelfde Schilder juist de
oorzaak van de scheuring van de Vrijmaking. Tot op de dag van vandaag
woeden dergelijke ruzies voort. Laten we ons toch realiseren dat niet de
Bijbel, maar de dwaalleer van Augustinus en de zijnen uiteindelijk de
oorzaak is van deze karikaturen van de redding door Jezus Christus. George
Whitefield had helemaal geen moeite met de tekst “Gij moet wederom
geboren worden” (Johannes 3:7). Hij preekte er meer dan 1000 keer over.
En de Heilige Geest zegende zijn woorden, want er kwamen vele duizenden
tot bekering . . . en
wedergeboorte.
- het
Koninkrijk der hemelen is bij
Augustinus een koninkrijk van deze aarde geworden.
In 410 werd
Rome door de Goten onder leiding van Alarik geplunderd. De oude Romeinse
elite gaf het Christendom hiervan de schuld. Augustinus schreef ter
verdediging een uitgebreid apologetisch werk: “De Staat Gods”. De
wijze waarop hij hierin de verhouding tussen het Koninkrijk der hemelen en
het koninkrijk van deze wereld beschrijft is totaal onbijbels. De Bijbel
zegt over deze twee rijken het volgende: Het Koninkrijk der hemelen is een
geestelijk
Koninkrijk. Alleen mensen die van bovenaf geboren zijn, die uit de
Geest geboren zijn (Johannes 3) en die geestelijk zijn (1 Corinthiërs
2:14,15) begrijpen dit Koninkrijk der
hemelen. Het kennen van de geheimenissen van dit Koninkrijk is
niet een kwestie van intelligentie. Het wordt een mens gegeven (Mattheüs 13:11).
Kinderen en zij die het als een kind ontvangen, krijgen het (Lucas 10:21,
Mattheüs 18:3). Dit Koninkrijk is gekomen door het werk van Jezus
Christus hier op aarde (Mattheüs 4:17). Hij zet dit werk voort in Zijn
gemeente (Handelingen 1:3). Zo wordt in het boek Handelingen de
evangelieverkondiging van de redding door Jezus Christus vaak het
Koninkrijk Gods genoemd. De mensen die echt bekeerd zijn en het leven van
God in zich hebben, vormen samen het Koninkrijk der hemelen. Zij zijn de
gemeente van Jezus Christus.
De Bijbel
spreekt zeer negatief over deze wereld. Wie een vriend van deze wereld wil
zijn, wordt daardoor een vijand van God (Jacobus 4:4). Johannes schrijft
dat ‘de gehele wereld in het boze ligt’ (1 Johannes 5:19). Paulus
noemt in 2 Corinthiërs 4:4 de duivel ‘de god dezer eeuw’, die de
mensen met blindheid geslagen heeft. De duivel is de god van deze tijd,
waarin wij leven. De geestelijke strijd, waar we ons als Christenen hier
op aarde in bevinden, omschrijft Paulus met de woorden: “Want wij hebben
niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de
machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten
in de hemelse gewesten.” Met andere woorden, een Christen bevindt zich
hier op aarde op vijandelijk gebied. In Galaten 1:4 zegt Paulus dat Jezus
Christus ons getrokken heeft ‘uit de tegenwoordige boze wereld’. In
Galaten 6:14 blijkt dat deze scheiding met de wereld voltrokken wordt door
het kruis van Golgotha. Dit komt overeen met wat Jezus Christus zegt in
Johannes 12:32: “Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij
trekken. En dit zei Hij om aan te duiden welke dood Hij sterven zou.”
Het kruis van Golgotha maakte een eeuwige scheiding tussen deze gevallen
wereld en het Koninkrijk der hemelen.
Augustinus
spreekt in zijn boek “De Staat Gods” heel anders over deze twee
rijken. Opnieuw is duidelijk de invloed van de heidense filosofie van het
neoplatonisme herkenbaar. Al het geschapene moet zijn plek krijgen in de
uiteindelijke grote ordening. Augustinus keurt daarom de wereld niet
categorisch af, maar ziet er nog goede dingen in. Hij stelt de twee rijken
niet tegenover elkaar maar onder elkaar. De wereldse staat is niet een
vijand van God. Zoiets was onvoorstelbaar in de toenmalige filosofie. Daar
bleef men worstelen met de oorsprong van het kwaad. Bij Augustinus is het
kwaad niet de veroorzaker van slechte dingen (causa efficiens), maar duidt
het kwaad op een tekort aan ‘zijn’ (causa deficiens). Zelfs de duivel,
voor zover die geschapen is, heeft nog wel iets goeds (vergelijk hoofdstuk
2 van boek 12). De wereldse staat was slechts van een lagere orde dan de
Staat Gods. Bovendien, de kerk als staatskerk had de wereldse staat, in
die tijd het Romeinse keizerrijk, nodig voor het bestrijden van ketterij.
De Donatisten waren net bestreden. Daarom is Augustinus redelijk positief
over het wereldse rijk. Exegetisch denkt hij het te kunnen onderbouwen met
zijn allegorische uitleg van Openbaring 20. Volgens hem leefde men toen
reeds in het duizendjarig rijk. De eerste opstanding (vers 5,6) was
volgens Augustinus de wedergeboorte van de gelovigen. Die wedergeboorte
dacht de kerk zelf in de hand te hebben door de ceremonie van de doop.
Deze dwaling over het reeds aanwezige duizendjarige rijk bestond reeds
voor Augustinus. Eusebius spreekt er ook over in zijn kerkgeschiedenis.
Overigens,
als Augustinus de Staat Gods beschrijft, laat hij die beginnen bij de
kinderen van Adam (boek 15,1) en niet bij de komst van Jezus Christus. Zo
begint hij dus ook hier bij de schepping en niet bij de redding, terwijl
het Koninkrijk der hemelen juist alles te maken heeft met de verlossing
door Jezus Christus. Christus begon Zijn werk met te verkondigen:
“Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij
gekomen” (Mattheüs 4:17). Er is nog meer aan te voeren, maar voorlopig
laten we het hierbij. Samenvattend kunnen we zeggen dat bij de gedachten
van Augustinus over het Koninkrijk der hemelen zichtbaar wordt dat hij
niet uitgaat van de waarheid van de Bijbel, maar van een heidense
filosofie, het neoplatonisme. Het wordt een koninkrijk van deze aarde.
Bij Calvijn
is er helaas geen duidelijke afwijzing van het denkkader van Augustinus te
zien. De 288 verwijzingen naar hem in Calvijns hoofdwerk zijn een
duidelijk symptoom hiervan. Had hij maar niet naast de Bijbel ook de
werken van Augustinus als leidraad genomen. Dan had hij geweten dat wij
als gelovigen niet op edelen moeten vertrouwen (Psalm 118:9, 146:3), of
vlees tot onze arm stellen (Jeremia 17:5). Nu zag hij evenals Augustinus
het als een taak van de wereldlijke overheid om ook de eerste tafel van de
Tien Geboden dwingend op te leggen (Institutie, IV,20,9). Hoe kan een
overheid haar burgers verplichten tot het Christelijk geloof? Zoiets gaat
lijnrecht tegen de Bijbel in. Zo’n staatskerk is een vijand van God.
Hoezeer Calvijn vasthield aan het idee van één staatskerk blijkt uit
zijn afwijzende reacties op het godsdienstgesprek in Poissy (1561). De
Franse Protestanten wilden het liefst na alle ellende van de vervolgingen
kiezen voor de optie van twee kerken in Frankrijk. Calvijn wilde dat er
ondergronds zou worden doorgewerkt, totdat de hele kerk in Frankrijk
Protestants zou worden en er zo een Protestantse natie zou ontstaan. Zelf
werkte Calvijn in Genève. Daar was de Protestantse kerk staatskerk. Daar
is ook de ketter Servet door de overheid geëxecuteerd. Door de waarde die
Calvijn aan Augustinus hechtte, zag hij niet het onbijbelse fundament van
dit soort Christendom. Een land, een volk of een stad kan niet Christelijk
zijn. Verder keurde Calvijn de gedachte van het chiliasme ten sterkste af
(Institutie III,25,5). Wijst men echter het chiliasme af, en gaat men
ervan uit dat we nu in het Vrederijk van Christus leven, dan krijgt men
een totaal verkeerd beeld van deze gevallen werkelijkheid. De afgelopen
tweeduizend jaar vormen een aaneenschakeling van bewijzen dat we nu niet
in het Vrederijk leven.
Door de
werken van A. Kuyper (1837-1920) en H. Bavinck (1854-1921) kwam via
Calvijn Augustinus weer volop in beeld. Kuyper en Bavinck stonden veel te
open voor de wereld. Hun Stone-lezingen uit 1898 en 1908 staan bol van
cultuurfilosofische opmerkingen. De eenvoud van het kinderlijke vertrouwen
op Jezus Christus ontbreekt helaas. Kuyper had het over de ‘gemene
gratie’, de algemene genade, die de verdorvenheid van de mensen binnen
de perken hield, waardoor er nog positieve elementen in de cultuur zouden
zijn overgebleven. Je hoort als het ware Augustinus praten. Volgens Kuyper
had Augustinus reeds het Calvinisme in zijn diepste gedachte gegrepen (1e
Stone-lezing). Bavinck zegt aan het eind van zijn lezing over
“Openbaring en Cultuur” dat het evangelie “huwelijk en huisgezin,
maatschappij en staat, natuur en geschiedenis, kunst en wetenschap liefheeft”
(hoofdstuk 9 Wijsbegeerte en Openbaring) (cursivering b.k.). Tijdens het
uitspreken van deze lezing in Amerika gebruikte Bavinck zelfs voor
“liefheeft” het woord “koestert”. Dit alles is een noodlottige
verdraaiing van de waarheid van de Bijbel. Het evangelie van Jezus
Christus is, dat Hij voor zondaren gekruisigd is. Hij is niet op Golgotha
gestorven voor de bevordering van bijvoorbeeld maatschappij, kunst en
wetenschap. Toen ik bovenstaand citaat van Bavinck voor de eerste keer
las, riep dat heftige verontwaardiging bij mij op. Hoe durft iemand te
beweren dat het sterven van Jezus Christus iets te maken heeft met dingen
zoals bijvoorbeeld sportverenigingen (maatschappij), of de Nachtwacht van
Rembrandt (kunst) of de krachtwetten van Newton (wetenschap). God zij
gedankt voor de waarheid, dat Jezus Christus uit
liefde gestorven is voor verloren zondaren. Dat is voor nu het hele
evangelie. Door Augustinus en Calvijn na te volgen raakte Bavinck heel ver
bij de Bijbelse waarheid vandaan. Het Koninkrijk der hemelen betreft op
dit ogenblik alleen de bekeerde, wedergeboren zondaren en meer niet. De
gemeente heeft geen cultuuropdracht. Ze heeft alleen de opdracht te
getuigen van het evangelie van Jezus Christus, opdat er in deze genadetijd
mensen, individuen, gered worden. We leven nu nog niet in het 1000-jarig
vrederijk. Jezus Christus heeft Zijn discipelen er nadrukkelijk op
gewezen, dat Zijn zichtbare rijk later komt (Lucas 19:11,12 en Handelingen
1:7,8). Heel deze schepping is nu nog aan de vergankelijkheid onderworpen
(Romeinen 8:21). Ook Prof. K. Schilder (1890-1952) volgde Kuyper en
Bavinck op dit dwaalspoor van Augustinus, toen hij in zijn boek
“Christus en Cultuur”, geheel tegen bovenstaande Bijbelteksten in, het
1000-jarig vrederijk liet beginnen op de Eerste Pinksterdag bij de
uitstorting van de Heilige Geest. Helaas is de invloed van deze foute
Bijbeluitleg niet beperkt gebleven tot studeerkamers, collegezalen en
universiteitsbibliotheken.
Kuyper,
Bavinck en Schilder hebben zich maximaal ingespannen voor iets, waarvan
zij dachten dat het het Koninkrijk der hemelen was. Echter, het bleek een
koninkrijk te zijn, dat niet haar fundament in de hemel had, maar dat een
plek had op de aarde hier beneden. Hun strijden voor dit koninkrijk was
niet met geestelijke wapens, maar met de vleselijke wapens van het
menselijk intellect, dezelfde wapens die hun tegenstanders gebruikten. Als
u alleen al let op de titel van de Stone-lezingen van Bavinck:
“Wijsbegeerte der openbaring”, dan ziet u daaraan dat dit geestelijk
gezien een onmogelijke combinatie is. Wijsbegeerte en openbaring staan
lijnrecht tegenover elkaar. Wijsbegeerte komt van beneden, openbaring komt
als genadegave van boven. Ze kunnen niet samengaan, maar botsen maximaal.
God heeft de wijsheid van deze wereld tot dwaasheid gemaakt (1 Corinthiërs
1:20). De wijsbegeerte is een wapen dat de gebruiker zelf verwondt en
uiteindelijk doodt. Dat heeft de geschiedenis laten zien. De door Kuyper,
Bavinck en Schilder opgerichte en gesteunde Christelijke universiteit, de
Vrije Universiteit, leek in het begin een bolwerk van geloof te zijn. Een
tijdlang werd er zelfs de ‘Parade der Mannenbroeders’ gehouden. Daarna
bleek dat hun openstaan voor de cultuur en hun strijd tegen het moderne
ongeloof een menselijke basis had. Dat is de verklaring voor een
verschijnsel als de ‘stille revolutie’. Na een periode van aanpassing
heeft het Verlichtingsdenken het orthodox Protestantse denken van Kuyper
en Bavinck totaal weggevaagd, evenals vele eeuwen geleden in Noord-Afrika
de Islam het Christendom van Augustinus onder de voet gelopen heeft.
Onlangs nog heeft men aan de VU een leergang opgesteld voor de door hen
geplande opleiding tot boeddhistisch of hindoeïstisch geestelijke. Die
lesstof beheersen ze aan de VU blijkbaar goed. Kan de schande nog groter
worden?
De
ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn enorm
triest. Zeker in het begin van de geschiedenis van deze kerken was de
geest van Augustinus duidelijk herkenbaar. Zie bijvoorbeeld de gedachten
over de ‘ware’ kerk als heilsorgaan en de prominente rol van de
theologie. De wedergeboorte werd in de praktijk gelijkgesteld met het
geboren worden uit kerkelijke ouders en het gedoopt worden, net als bij
Augustinus. Ook is er geprobeerd om dat vervalste koninkrijk Gods, dat
door Augustinus verdedigd werd, zoveel mogelijk gestalte te geven in deze
werkelijkheid door al die vrijgemaakt-gereformeerde organisaties op te
richten. Het maakt de al jaren geleden begonnen ‘stille revolutie’ in
deze kerken des te schrijnender.
De leer van
Augustinus over een Christelijk rijk hier op aarde heeft nog een
rampzalige consequentie. Mensen zouden van dat rijk deel kunnen uitmaken
zonder bekeerd te zijn. Hierdoor ontstaat er ruimte om zich te houden aan
allerlei Christelijke gewoonten, zoals de kinderdoop, kerkgang, psalmen
zingen, bidden, Bijbellezen, terwijl men ondertussen kan blijven rondlopen
met het idee dat men nog geen Christen is. Dit is het geval in de
bevindelijke kerken. Men gaat daar uit van een soort driedeling van deze
werkelijkheid. Er zijn ongelovigen, er zijn ongelovige kerkleden
(uitwendig verbond) en er zijn gelovige kerkleden (inwendig verbond). Dit
zouden dan de weinige uitverkorenen zijn. Wat zei Augustinus hierover?
Opnieuw uitgaande van zijn filosofische gedachten over de scheppingsorde
beweerde hij dat er evenveel uitverkoren mensen in de Staat Gods waren als
gevallen engelen. Echter, tijdens het dicteren van de tekst van dit boek
bedacht hij zich blijkbaar en werd hij nog wat ruimer en meer gunnend in
zijn spreken. Hij voegde er namelijk aan toe dat het er misschien wel meer
kunnen zijn. (Boek 22, einde hoofdstuk 1). Zulke speculaties zijn
verschrikkelijk. Wat is hier nog van Gods liefde voor zondaren te zien?
Deze driedeling is helemaal niet Bijbels! In de Bijbel is er slechts een
tweedeling: deze wereld en het Koninkrijk der hemelen. Als men Christen
wordt en deel krijgt aan Christus, gaat men daardoor weg uit het rijk van
deze wereld en wordt men burger van een rijk in de hemelen (zie
bijvoorbeeld Johannes 12:32, Efeziërs 2:6, Colossenzen 1:13). Er bestaat
geen rijk Gods buiten de wedergeboren mensen. “Gij moet
wederom geboren worden” (Johannes 3). Tussen de beide rijken bevindt
zich géén niemandsland. Het
is òf – òf. Het gevolg van de driedeling is dat men in de bevindelijke
hoek een andere invulling geeft aan de bekering dan er in de Bijbel staat.
Het is een soort gevoelsmystiek geworden. Bij Augustinus nam het gevoel
ook een prominente plaats in. Een ‘bekering’ à la Augustinus doet het
goed in bevindelijke kringen. Er is die bijzondere ‘leiding’, namelijk
het horen van het “Tolle, lege”, er is die Bijbeltekst over het
losbandige leven en dan het gevoel van vreugde. Door de jaren heen hebben
we een heel aantal bevindelijke bekeringsgeschiedenissen gelezen. Ook
hebben we diverse gesprekken gevoerd. Het gaat allemaal vooral over de
gemoedstoestand van de ‘bekeerde’, hoe hij ‘tot ruimte is gekomen’
en nu ‘de Heere mag kennen’ en wat voor uitdrukkingen er verder nog
mogen bestaan in de ‘tale Kanaäns’. Jezus Christus staat niet in het
centrum. Evenals Spurgeon hebben we een afkeer van ingevingen,
gemoedstoestanden, etc., etc. als zekerheid van iemands redding. Ons
geloof rust op Gods Woord, de Bijbel, en op de beloften, die God daar
geeft. Wanneer Gods Woord door de Heilige Geest diep tot het hart
doordringt, dan wordt dat zichtbaar in het doen en laten van de bekeerde.
In de Metropolitan Tabernacle werd hiernaar gekeken. Zie deze link.
Er is nog een reden aan te wijzen, waarom die door Augustinus
gesuggereerde driedeling totaal onbijbels is. De wet is geestelijk
(Romeinen 7:14). Onwedergeboren mensen hebben een hekel aan de geestelijke
wet. Van onszelf zijn we ‘vlees’. Pas als Gods Geest in ons komt wonen
bij de wedergeboorte, gaan we ons verlustigen in de wet van God (Romeinen
7:22). Alleen het houden van de wet met een
gelovig hart is welgevallig bij God, anders is het een poging om
de eigen gerechtigheid te doen gelden (Romeinen 10:3). Waar zijn al die
leden van het uitwendig verbond nu feitelijk mee bezig? Zij proberen zich
aan Gods wet te houden vanuit de natuurlijke mens met een ongelovig hart. Maar dat
is de fatale valkuil van de eigen gerechtigheid!! Deze driedeling van
Augustinus, de aardse staat, de Staat Gods met daarin wettisch levende
naamchristenen en de groep ‘uitverkorenen’, gaat daarom lijnrecht
tegen het evangelie van Jezus Christus in.
Tot zover
de bespreking van de Protestantse theologie. Tot zover ook de behandeling
van de vraag: “Wat leert ons de geschiedenis?
VI.
Terug naar Golgotha.
Er is
enorm veel misgegaan in de geschiedenis van het Christendom. Toch zijn er
momenten aan te wijzen, waarop de hand van God zichtbaar werd en Zijn
boodschap met kracht verkondigd werd, of de mensen het nu wilden horen dan
wel nalieten om te horen. Van die momenten willen wij in het kader van dit
document er drie noemen. In de eerste plaats bespreken wij Maarten Luther
(1483-1546). Hij is door God als breekijzer gebruikt om veel zielen te
laten ontsnappen aan de macht van de Rooms-katholieke kerk. De boodschap
van Luther kan kort worden samengevat in deze twee motto’s: “niet de traditie, maar de Bijbel” en “niet de kerk, maar Christus”.
Het eerste motto is te zien in het voorwoord van Luthers commentaar op de
Romeinenbrief. Hier klopt het hart van het evangelie. Hoe belangrijk is
het om in te zien dat de wet geestelijk is. Alleen zo komt het eigen
onvermogen van de mens om de wet te houden aan het licht en zoekt de mens
zijn toevlucht bij Christus! Luther legt daar nog meer begrippen uit,
zoals geloof en gerechtigheid. Slechts op deze wijze kan de Bijbel
begrepen worden. Dan waarschuwt hij expliciet geen andere betekenis aan
deze begrippen te geven en zich niet te laten verleiden. Letterlijk zegt
hij: “Weest daarom op uw hoede voor iedere leermeester die een andere
uitlegging heeft voor deze woorden; het geeft niet wie het is, of het nu
Hiëronymus, Augustinus, Ambrosius, Origenes of enig ander is, of
leermeesters die nog beroemder zijn dan zij.”
Het tweede
motto: “niet de kerk, maar Christus” is overal terug te vinden in de
geschriften van Luther. Het jaar 1520 valt in dit verband op. In dat jaar
lanceerde Luther een rechtstreekse aanval op de Rooms-katholieke kerk met
zijn boek “De Babylonische gevangenschap van de kerk”. Hij schreef het
in het Latijn. Heel scherp viel hij de Rooms-katholieke mis aan. De Roomse
leer over de mis diende als fundament voor de leer dat de kerk uitdeelster
van de genade is. Van de zeven sacramenten hield Luther er uiteindelijk
maar twee (Doop en Avondmaal) voor Bijbels. De rest keurde hij af. In
hetzelfde jaar schreef hij “De vrijheid van een Christen”. Hierin
legde Luther het evangelie van Jezus Christus uit aan de paus en aan ieder
die het maar wilde horen. Het wonder van de genade is, dat de gelovige
door het geloof één wordt met Christus en zo deel krijgt aan de
gerechtigheid van Christus. In dit boekje schittert de kerk door
afwezigheid. Niet de kerk, maar Christus redt. Na vele, vele eeuwen
duisternis scheen het licht van het evangelie weer helder.
De furieuze
reactie van de Rooms-katholieke kerk is typerend. Dit publiceren van de
Bijbelse waarheid moest volgens de leiding zo snel mogelijk de kop worden
ingedrukt. Waarom? Als de Roomse geestelijkheid het heil van de mensen op
het oog had gehad, dan had ze blij moeten zijn met de bijdrage van Luther.
Nu spande zij zich in om zo snel mogelijk Luther uit te schakelen en heel
de beweging uit te roeien met alle mogelijke middelen: politieke macht,
laster, leugens, de banbul, brandstapels, etc., etc. Zo liet ze haar ware
aard zien. Het ging haar alleen maar om de macht van de kerk. Daarom werd de waarheid van de Bijbel niet
getolereerd. Zo werd openbaar wie de regie had (en heeft) in de kerk van
Rome. Dat is de duivel. Luther schreef er aan het eind van zijn leven nog
een boek over.
Het
volgende moment dat we aan de orde willen stellen, is de periode van het
midden van de 19e eeuw. Sinds de Franse revolutie waren kerk en
staat gescheiden. Dat gaf de Rooms-katholieke kerk de ruimte om haar
kerkelijke organisatie ook in Protestantse landen weer op te bouwen. Er
werden vanuit katholieke landen kloosters gevestigd op strategische
plaatsen. In Engeland kwam er een beweging op gang om de Anglicaanse kerk
weer zoveel mogelijk terug te winnen. Deze beweging heette het Puseyïsme.
Charles Spurgeon (1834-1892), één van de bekendste, zo niet de bekendste
evangelieprediker uit de 19e eeuw, zag het allemaal voor zijn
ogen gebeuren. Het werd een steeds grotere geestelijke last voor hem. Op 5
juni 1864 hield hij hierover een preek: “De verwerping van de
wedergeboorte door middel van de doop”. In niet mis te verstane
bewoordingen ontmaskerde hij het bedrog van deze dwaling. Hij stelde het
gedrag van de evangelische predikanten in de Anglicaanse kerk aan de kaak.
Hoe konden zij door het ondertekenen van de geloofsbelijdenissen van de
Anglicaanse kerk zweren dat deze ketterij van de wedergeboorte door de
doop waar was en ondertussen nog doorgaan met de oproep tot bekering en
wedergeboorte vanaf de preekstoel? Hoe konden zij zo’n dubbelrol op zich
nemen voor Gods aangezicht? Hoezeer het Spurgeon ernst was, is te zien in
het volgende citaat: “Wij hebben
opnieuw John Knox nodig. Praat me niet van aardige en vriendelijke mensen,
van beschaafde manieren en welgekozen woorden. Wij hebben de felle Knox
nodig en zelfs al zou zijn heftigheid ‘onze preekstoelen aan splinters
slaan’, dan zou dat een goede zaak zijn, als ons hart daardoor maar in
actie kwam. We hebben Luther nodig om de mensen in gewone, niet mis te
verstane woorden de waarheid te vertellen. De laatste tijd hebben onze
predikers fluweel op de tong gekregen, maar we moeten ons van onze mooie
buitenkant ontdoen en de
waarheid, niets dan de waarheid, moet worden gesproken. Van alle leugens,
die miljoenen naar de hel hebben gesleept, beschouw ik deze als één van
de meest gruwelijke - dat er in een Protestantse kerk sommigen zijn die
zweren dat de doop de ziel redt. Noem iemand een Baptist, of een
Presbyteriaan, of een Dissenter, of een Anglicaan, dat kan me niet schelen
- als hij zegt dat de doop de ziel redt, val hem aan, val hem aan. Hij
beweert wat God nooit heeft geleerd, wat niet in de Bijbel staat en wat
nooit verkondigd dient te worden door mensen die belijden dat de Bijbel,
de hele Bijbel, de godsdienst van de Protestanten is.” Spurgeon
wist dat de gevolgen van de gedrukte preek enorm groot zouden zijn. Een
student van het Pastors College vertelde dat Spurgeon de erop volgende
maandagmiddag geen les aan de studenten gaf, maar dat zij samen een
bidstond hielden. De preek riep inderdaad een storm van protest op. Er
kwam een breuk met de Evangelische Alliantie. Desondanks werd dit
Spurgeons meest verkochte toespraak.
Drie weken
later herhaalde Spurgeon zijn oproep in zijn preek “Laten wij
uitgaan”. Letterlijk zegt hij daar: “We moeten er echter voor zorgen, dat we naar Christus
toegaan; niet naar een partij, niet naar een denominatie; maar naar niets
anders dan alleen Christus en Zijn waarheid. Weg met het
denominationalisme, of iets anders dat niet de geur van Christus Jezus
heeft! Of het nu de baptistenkerk is, of de Episcopaalse kerk, of de
Presbyteriaanse kerk, die afdwaalt van de weg van Christus, het maakt een
ieder van ons niets uit welke het mag zijn; het is Christus om Wie we
geven en om Christus’ waarheid en dit moeten wij volgen over heggen en
sloten van menselijke makelij, regelrecht naar Christus.”
Het derde
moment vond plaats in de zestiger jaren van de vorige eeuw. In die tijd
dachten veel Protestanten (ten onrechte zoals later bleek), dat de
Rooms-katholieke kerk door het Tweede Vaticaans Concilie open was gaan
staan voor een dialoog met het Protestantisme. Verder was er de Wereldraad
van Kerken, waar veel vrijzinnig Protestantse kerken lid van waren. In
toenemende mate werd ervan uitgegaan dat ook de Rooms-katholieke kerk zich
hierbij zou aansluiten. Bijna niemand zag het geestelijke gevaar van dit
alles. Op 18 oktober 1966 gaf de bekende evangelieprediker Martin
Lloyd-Jones een luid en duidelijk alarmsignaal af. Al jaren had hij
gewezen op de valse oecumene. Men krijgt geen eenheid door een bepaald
project voor die eenheid op te zetten. Echte eenheid is een logisch gevolg
als men Christen is, zoals het in de Bijbel staat. Lloyd-Jones had dat
tijdens lezingen uitgelegd en dit in het boekje “The Basis of Christian
Unity” (1962) gepubliceerd. Als evangelisch leider, wiens standpunt wel
degelijk bekend was, was hem gevraagd op de Second National Assembly of
Evangelicals de openingstoespraak te houden over het onderwerp
“kerkelijke eenheid”. Deze toespraak is te vinden in “Knowing the
times” (1989), een bundel toespraken van Lloyd-Jones. Lloyd-Jones legde
zijn toehoorders de situatie van dat moment uit. De evangelische
afdelingen in de diverse vrijzinnige kerken probeerden zo goed mogelijk in
het gareel van hun eigen kerk te lopen en ondertussen evangelisch te
blijven. Daar ging hun energie in zitten. Ze gehoorzaamden ongelovige
leiders. Ondertussen zaten hun werkelijke broeders en zusters in de
evangelische afdelingen van andere kerken. Lloyd-Jones gaf aan dat dit
niets anders is dan de zonde van schisma, verdeeldheid. Ook wees hij op
het gevaar van de oecumene met Rome met de volgende woorden: “Wij staan
in de positie van de Protestantse Hervormers. Zijn we dit moderne idee aan
het accepteren, dat de Reformatie de grootste tragedie was, die er ooit
plaatsvond? Als u wilt zeggen dat het een tragedie was: hier was de
tragedie, dat de Roomse kerk zo verrot was geworden, dat het noodzakelijk
voor de Hervormers was geworden om te doen wat ze deden. Het was niet het
vertrek van de Hervormers, dat de tragedie was. Het was de toestand van de
Roomse kerk. Dat was de tragedie.” Lloyd-Jones riep de evangelische
groeperingen op niet langer met hun diverse kerken mee te doen, maar een
gemeenschap of een verband van evangelische gemeenten te gaan vormen.
Zo’n onderneming kan niet uitgevoerd worden in menselijke kracht.
Lloyd-Jones zei hierover: “We zullen grote genade nodig hebben. We
zullen het nodig hebben om vervuld te worden met de Geest. We zullen het
allemaal nodig hebben verootmoedigd te worden. Maar als we slechts één
doel hebben, namelijk de eer van de Here en het welslagen van Zijn
Koninkrijk, dan denk ik dat we geleid zullen worden door de Geest naar het
ware antwoord op deze diverse problemen.”
Na
deze toespraak gebeurde er iets, waardoor er een scheiding van geesten
zichtbaar werd. De voorzitter van de vergadering, John Stott, week af van
het programma. Hij sloot de vergadering niet, maar raadde in een korte
speech de mensen af in te gaan op de oproep van Lloyd-Jones. De
geschiedenis zou het tegendeel bewijzen en het overblijfsel zou zich
binnen de kerk en niet erbuiten bevinden. Hij hoopte dat niemand overhaast
zou handelen. De impact van dit verschil in visie tussen Lloyd-Jones en
Stott was en is groot. Er ontstond een wereldwijde verdeeldheid binnen de
evangelische beweging. Vaak is er met een beschuldigende vinger naar
Lloyd-Jones gewezen. Hij zou de oorzaak van de verdeeldheid zijn vanwege
zijn ‘separatistisch’ standpunt. Maar de zaak ligt anders. Lloyd-Jones
toonde door zijn toespraak aan dat de Evangelische beweging het eigen
kerkgenootschap boven Christus stelde. De interventie van Stott liet zien
hoezeer hij vasthield aan de eigen menselijke regie en tevens hoe hij zelf
bij de keuze Christus òf de kerk, koos voor de kerk, alle vrome woorden
ten spijt. Nog steeds zijn er evangelische leiders, die diezelfde
verkeerde kant kiezen zoals bijvoorbeeld Jim Packer en Alister McGrath.
Packer schreef in 1970 samen met Rooms-katholieken het boek “Growing
into Union”. Dit noodzaakte Lloyd Jones om voorgoed met Packer te
breken.
De invloed van de Rooms-katholieke kerk is de laatste tijd weer
sterk aan het toenemen. Dat heeft niets te maken met een soort innerlijke
kracht, die die kerk zou bezitten, of met het feit, dat zij zich nog voor
een deel aan de waarheid zou houden. Er is eerder sprake van een soort
geestelijke bedwelming, die van haar uitgaat. Deze bedwelming heeft effect
op de Protestantse kerken en de Evangelische beweging vanwege de enorme
geestelijke armoede die daar heerst. Er speelt nog iets mee in dit geheel.
De invloed van Rome op de Protestantse kerken wordt mede veroorzaakt door
hun vasthouden aan het Roomse bijgeloof van de kinderdoop. Spurgeon blijkt
helemaal gelijk te hebben gehad, toen hij in 1873 tijdens een toespraak
het volgende zei:
“Ik zal grote aanstoot geven als ik nu verderga en zeg, als voor Gods aangezicht, dat ik ervan
overtuigd ben dat, zolang als de kinderdoop wordt gepraktiseerd in een
christelijke kerk, het pausdom er een deur heeft, die wijd open staat voor
haar terugkeer. Het is één van die nesten, die uit de boom moet worden
gehaald, of anders zullen de smerige vogels er weer in gaan bouwen. We
moeten terugkeren tot de wet en tot de getuigenis, en elke inzetting die
niet duidelijk onderwezen wordt in de Schrift, moet worden weggedaan.
Zolang als u de doop geeft aan een onwedergeboren kind, zullen mensen zich
inbeelden dat het kind er iets goeds door krijgt, want ze zullen zich de
vraag stellen: ‘Als het kind er niets goeds door krijgt, waarom wordt
het dan gedoopt?’ De stelling dat het kinderen in het verbond plaatst of
hen tot leden van de zichtbare gemeente maakt, is slechts een versluierde
vorm van de fundamentele dwaling van de wedergeboorte door middel van de
doop. Als u aan de inzetting vasthoudt, zult u altijd mensen hebben, die
op een bijgelovige manier geloven dat de baby er iets goeds door krijgt en
wat is dat anders dan onvervalst pausdom? Aangezien het kind niet kan
begrijpen wat er wordt gedaan, zal al het goeds wat het krijgt, tot hem
moeten komen op de occulte manier, die zozeer in zwang is bij bijgelovige
mensen. Is het een wonder dat er paapse geloofsideeën uit ontstaan?”
Er
zijn veel voorbeelden te vinden van die toegenomen invloed. Een paar
willen wij noemen. Het mediaspektakel van de EO en de RKK in Gouda, The
Passion. Dit vond plaats op Goede Vrijdag 2011. Er was een groot optreden
van allerlei wereldse artiesten op een podium op de markt. Ondertussen
liepen mensen met een groot verlicht neonkruis vanaf de buitenwijken van
Gouda naar die markt toe. We hebben geen woorden voor deze blasfemische en
banale show, zo erg vinden wij het. Ds. Glashouwer, de oprichter van de
EO, zou zich, bij wijze van spreken, omkeren in zijn graf, als hij zag dat
de EO zich zou verlagen tot zo’n soort optreden en zo’n verbintenis
met Rome. Een ander voorbeeld is het Evangelisch Werkverband. Deze
evangelische club heeft voor 2012 een evangelisatiecampagne gepland in
samenwerking met de Roomse kerk. Zoiets maakt duidelijk dat deze mensen
zelf totaal niets begrijpen van het evangelie en dat het hen niet om
Christus gaat maar om de kerk. Ooit was er een tijd dat we met onze eigen
ogen de ‘wolven’ van de moderne theologie de kudde zagen
binnendringen, maar zijn deze evangelischen niet evenzeer ‘wolven in
schaapskleren’?
Verder zijn
er nog de diverse conferenties te noemen, waarop Protestantse en
Rooms-katholieke theologen met elkaar in gesprek gaan. De bereidheid van
de Protestanten om water bij de wijn te doen is verbluffend. Zo zou men de
uitdrukking ‘vervloekte afgoderij’ als aanduiding van de Roomse mis
uit de Heidelbergse Catechismus willen verwijderen, terwijl deze
uitdrukking nog steeds precies de waarheid weergeeft. Ook is het frappant
dat er Rooms-katholieke instellingen deel uitmaken van Refo500, een comité
van de Reformatieherdenkingen. Wat voor waarde hecht men dan nog aan het
feit dat God een Luther heeft gegeven om opnieuw de Bijbelse boodschap te
brengen? Is men vergeten, waarvoor de martelaren gestorven zijn?
Ze werden gemarteld, verbrand, verdronken, opgehangen, geradbraakt
ter wille hun Bijbelse geloof in Jezus Christus. Lees de geschiedenis!!
Rome heeft op geen enkel wezenlijk punt haar leer veranderd. Lees het boek
“50 jaren in de kerk van Rome” van Chiniquy! Terwijl tegenwoordig hoe
langer hoe meer duidelijk wordt wat voor grote beerput de Rooms-katholieke
kerk is, zijn de Protestantse theologen nog steeds stekeblind. Laten we
toch nuchter worden en waakzaam zijn.
Wat moet er
nu gebeuren? Laten we met het oog hierop nog een keer naar Luther,
Spurgeon en Lloyd Jones kijken. Bij alle drie zien we een grote
bewogenheid voor zielen. Alle drie hebben zij zich tot het uiterste toe
ingespannen om het evangelie van Jezus Christus zo goed mogelijk uit te
leggen aan de mensen van hun tijd. Hierbij sloten ze geen enkel compromis
met de tijdgeest. Zij kwamen niet aanzetten met een kerkelijke,
collectieve, dus menselijke oplossing van het probleem van de zonde en de
dood, maar zij verkondigden het zuivere evangelie van de gekruisigde
Christus aan iedere individuele zondaar. Ook lieten de laatste twee zich
niet bedwelmen door het moderne denken. Zij bagatelliseerden het probleem
van de zonde en de dood op geen enkele wijze. Deze zuivere verkondiging
van het evangelie van Jezus Christus is nu het eerst noodzakelijke.
Misschien
maakt u die dit leest, zich grote zorgen over de huidige kerkelijke
situatie. Terecht. Maar al uw zorgen zullen niets uitwerken, als u niet
eerst uw persoonlijke zonde en uw persoonlijke dood tot uw grootste zorg
hebt gemaakt. Hebt u zich werkelijk helemaal als enkeling toevertrouwd aan
Jezus Christus wat betreft uw eigen zonde en uw eigen dood? Als u dat nog
niet hebt gedaan, maak daar dan nu ernst mee. Dringend vraag ik u uzelf op
dit punt niet voor de gek te houden. God kent uw hart.
Wie
zichzelf helemaal aan Jezus Christus heeft toevertrouwd, gaat een ander
leven leiden. Jezus Christus krijgt daar de regie. Hoe vreemd het mag
klinken: dat is pas echte vrijheid. Zo ervaarde Paulus het (Galaten 5:1).
Hiervan getuigde Luther in “De vrijheid van de Christen”. Het is goed
om onszelf op de proef te stellen en ons af te vragen, of Jezus Christus alleen
de regie in ons leven heeft. Hij deelt die regie niet met u, ook niet met
uw kerkgenootschap, of met uw vrienden, of met uw familie. Als Hij niet uw
enige Heer is, kan Hij ook
niet uw Redder zijn (Lucas 9:23,24).
In
de Bijbel staan een paar heel belangrijke dingen om nu over na te denken,
om die met God te bespreken, en er naar te handelen. Als Gods Geest niet
in een kerk is, door wiens geest wordt er dan gesproken? In zo’n
situatie gelden de woorden uit 1 Timotheüs 6:20,21 en 2 Corinthiërs
6:14-18.
“ O
Timotheüs, bewaar wat u is toevertrouwd, houd u buiten het bereik van de
onheilige, holle klanken en de tegenstellingen der ten onrechte zo
genoemde kennis. Sommigen, die woordvoerders daarvan zijn, zijn het spoor
des geloofs bijster geraakt.”
“Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid
gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de
duisternis? Welke overeenstemming is er tussen
Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een
ongelovige? Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met
afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken
heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij
zullen Mijn volk zijn.
Daarom gaat weg uit hun midden,
en scheidt u af, spreekt de Here,
en houdt niet vast aan het onreine.
en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn
en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn,
zegt de Here, de Almachtige.”
Als u een kerk verlaat om naar Golgotha te gaan tot Christus, Die
Zelf buiten de legerplaats geleden heeft, zoek dan contact met Hem in
gebed. Als u werkelijk Jezus Christus wilt
volgen als uw Heer, dan geldt voor u de belofte uit Psalm 32:8: “Ik
leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; Mijn
oog is op u.” Jezus
zegt: “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun
midden.” Daar komt het op aan. Op Zijn tijd zal Jezus Christus levende stenen samenvoegen
tot Zijn huis. Hijzelf zal Zijn gemeente bouwen. Mensen, wier hart
volkomen uitgaat naar Jezus Christus, zullen niet rusten, voordat zij
anderen hebben gevonden, bij wie hetzelfde het geval is.
De gemeente bestaat uit mensen die het
volgende vanuit hun hart kunnen zeggen (of zingen):
------------------------------------------------------------------------------
I STAND AMAZED IN THE PRESENCE
Ik sta verwonderd in de tegenwoordigheid
I stand
amazed in the presence
Ik sta verwonderd in de tegenwoordigheid
of Jesus the Nazarene,
van Jezus de Nazarener,
and wonder how He could love me,
en vraag me af hoe Hij mij lief kon hebben,
A sinner, condemned, unclean
een zondaar, veroordeeld, onrein.
How marvellous! How wonderful!
Hoe wonderbaar! Hoe
groot!
And my song shall ever be:
Mijn lied zal altijd zijn:
How marvellous! How wonderful!
Hoe wonderbaar! Hoe groot!
Is my Saviour’s love for me!
Is de liefde van mijn Heiland voor mij!
For
me it was in the garden He prayed,
Voor mij was het, dat Hij in de hof bad:
“Not My will, but Thine”:
“Niet Mijn wil, maar de Uwe”:
He had no tears for His own griefs,
Hij had geen tranen voor Zijn eigen leed,
but sweat drops of blood for mine.
Maar zweetdruppels van
bloed voor dat van mij.
He
took my sins and my sorrows,
Hij nam mijn zonden en mijn verdriet
He made them His very own;
Hij maakte ze tot die van Hem;
He bore the burden to Calvary,
Hij droeg de last naar Golgotha,
And suffered and died alone.
En leed en stierf eenzaam.
When
with the ransomed in glory
Wanneer ik tenslotte met de vrijgekochten
His face I at last shall see,
in de heerlijkheid Zijn gelaat zal zien,
‘Twill be my joy through the ages
zal het de eeuwen door mijn vreugde zijn
To sing of His love for me.
Te zingen van Zijn liefde voor mij.
Charles
Gabriel (1856 – 1932) Copyright Kingsway Music (50 Golden Hymns)
Kingsway Music gaf ons
toestemming om de muziek van het bovenstaande lied op deze site te
plaatsen. Het copyright berust bij Kingsway Music !!
Als u hierboven op de button klikt, wordt de muziek gedownload.
Dit duurt even. Zeer waarschijnlijk krijgt u een nieuw scherm. Als de
muziek begint te spelen, kunt u het nieuwe scherm onder in de
werkbalk zetten door rechtsboven op het min-teken te klikken. Vervolgens
kunt u bovenstaande tekst meelezen.
[i]
INHOUD
I. *
Inleiding.
II. *
Wie is Christen?
a. Wat is het getuigenis van de Bijbel over Jezus Christus?
1. Getuigenis Oude Testament.
2.
Getuigenis Nieuwe Testament.
- Zijn leven hier
op aarde.
- Golgotha.
- Opstanding
en hemelvaart.
b.
Wat zegt de Bijbel over het deel krijgen aan Christus?
III.
* Wat is de Gemeente?
IV. *
Hoe Bijbels is het hedendaagse Christendom?
a. De Rooms-katholieke kerk.
b. De Vrijzinnig Protestantse Kerken.
c. De Orthodox Protestantse Kerken.
d. De Evangelische Beweging.
V. *
Wat leert ons de geschiedenis?
a. Het ‘corpus christianum’.
1. De apologeten en de vroege kerkvaders.
2. Constantijn de Grote en zijn concilie.
3. Augustinus.
4. De Middeleeuwen.
5. Rome in de laatste eeuwen.
6. Het probleem van de zonde en de dood bij het ‘corpus
christianum’.
b. De Verlichting.
1. Het “Verlichte’ denken tot nu toe.
2. De evolutietheorie.
3. De ontwikkeling van de natuurkunde.
4. De geest van het Verlichtingsdenken.
5. Het probleem van de zonde en de dood bij het
Verlichtingsdenken.
c. De Protestantse theologie.
1. De ‘stille revolutie’
2. De refozuil.
3. De vergissing.
VI. *
Terug naar Golgotha
Copyright
© B. Kroeze, Doldersum 2011
Email: info@reformatorischebaptisten.nl
[ii]
De brief van paus Gregorius.
Een kopie van de brief, die paus Gregorius stuurde naar
abt Mellitus, die toen naar Brittannië ging. (A.D. 601)
Toen de hiervoor genoemde boodschappers waren vertrokken, stuurde de
heilige vader Gregorius hen brieven achterna, die het waard zijn in
herinnering gehouden te worden en waarin hij duidelijk toont wat voor
zorg hij besteedde aan de redding van ons volk. De brief was als
volgt:
“Aan zijn meest geliefde zoon, de abt Mellitus;
Gregorius, de dienstknecht van de dienstknechten van God. We
zijn erg in zorg geweest sinds het vertrek van onze congregatie, die
bij u is, omdat we geen verslag hebben gekregen van het succes van uw
reis. Wanneer de Almachtige God u daarom zal brengen bij de zeer
eerwaarde bisschop Augustinus, onze broeder, vertel hem dan, wat ik na
rijp beraad heb besloten over de zaak van de Engelsen, namelijk dat de
tempels van de afgoden in die natie niet verwoest behoren te worden,
maar laten de afgodsbeelden, die erin staan, vernietigd worden; laat
er heilig water gemaakt worden en in de genoemde tempels gesprenkeld
worden, laten er altaren worden opgericht en relikwieën worden
geplaatst. Want als die tempels goed gebouwd zijn, is het nodig dat ze
omgebouwd worden van de aanbidding van duivelen tot de dienst van de
ware God, opdat het volk, als ze zien dat hun tempels niet verwoest
worden, de dwaling uit zijn hart mag wegdoen en opdat zij, nu ze de
ware God kennen en aanbidden, met des te meer vertrouwdheid steeds
weer hun toevlucht mogen nemen tot de plaatsen, waaraan ze gewend
waren. En omdat ze gewoon waren veel ossen te slachten bij de offers
aan de duivelen, moet er voor hen hiervoor een plechtigheid in de
plaats komen, zoals die op de dag van de wijding, of het geboortefeest
van de heilige martelaren, wier relikwieën daar worden bewaard, dat
zij dan voor zichzelf hutten van boomtakken bouwen rond die kerken,
die voor dat gebruik veranderd zijn vanuit hun toestand als tempel, en
de plechtigheid vieren met een godsdienstig feest, en niet langer
dieren offeren aan de duivel, maar bij hun eten vee slachten tot de
eer van God en de Gever van alle dingen dankzeggen voor hun
levensonderhoud; met het doel dat, terwijl hen een paar uiterlijke
genietingen worden toegestaan, zij des te gemakkelijker mogen
instemmen met de innerlijke vertroostingen van de genade van God. Want
het lijdt geen twijfel, dat het onmogelijk is meteen alles uit te
wissen uit hun verstokte geest, omdat hij die zich inspant op te
stijgen naar de hoogste plaats, dat trede voor trede, stap voor stap
doet, en niet met sprongen. Zo maakte de Here Zichzelf bekend aan het
volk Israël, en toch stond Hij hen bij Zijn eigen eredienst het
gebruik van de offers toe, die zij gewend waren te offeren aan de
duivel; om hen zo te bevelen bij Zijn offer dieren te doden, met het
doel dat, bij het veranderen van hun hart, zij een deel van het offer
aan de kant zouden leggen, terwijl zij een ander deel zouden houden,
opdat zij, terwijl zij dezelfde dieren offerden, die zij gewoon waren
te offeren, die aan God zouden offeren en niet aan de afgoden; zo
zouden het niet langer dezelfde offers zijn. Het betaamt uw liefde om
dit aan onze tevoren genoemde broeder mee te delen, opdat hij, als hij
daar aanwezig is, mag overwegen hoe hij alle dingen moet ordenen. God
beware u veilig, zeer geliefde zoon.
“Gegeven
de 17de juni, in het negentiende jaar van de regering van
onze heer, de zeer godvruchtige keizer, Mauritius Tiberius, het
achttiende jaar na het consulschap van onze genoemde heer. De vierde
indictie.”
|