|
|
HET
DRIEMAAL “TOEN” IN HET TEMPELVISOEN VAN JESAJA.
Printversie: 
“
In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en
verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem;
ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee
bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander
toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde
is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide
roepen en het huis werd vervuld met rook.
TOEN zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van
lippen en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is, - en
mijn ogen hebben de Koning, de HERE der heerscharen, gezien. TOEN (King
James vertaling)
vloog
één der serafs naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een
tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmede aan en
zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid
geweken en uw zonde verzoend.
Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie
zal voor ons gaan? TOEN (KJV) zeide ik: Hier ben ik, zend mij."
In dit gedeelte hebben we het verslag van een visioen, dat werd
gegeven aan de begenadigde profeet Jesaja, een visioen, dat zo groots
van karakter was en zo’n groot effect had op degene, die het zag, dat
hij de precieze datum ervan vastlegt. “In het sterfjaar van koning
Uzzia.” Zulke glorierijke openbaringen van boven komen niet elke dag
voor en daarom is het goed het gebeuren ervan met rode letters te
noteren. Misschien werd de datum des te meer vastgelegd in zijn geheugen
door een contrasterende gedachte: de koning van Juda was dood en toen
zag de profeet de levende Koning zitten op Zijn troon. Die dode koning
was de tempel binnengedrongen, maar de eeuwige Koning regeert daar en
vervult de heilige plaats met Zijn zomen.
Ons punt op
dit ogenblik is het opmerken van het driemaal “toen”. De profeet
begint zijn verhaal met een opmerking over de tijd en hij laat zijn klok
van de tijd nogmaals en nogmaals en
nogmaals slaan: toen, toen, TOEN.
Het eerste
“TOEN” gebeurt als volgt: de profeet werd er toegebracht om zijn
eigen onreinheid en de onreinheid van de mensen temidden waarvan hij
woonde, te ervaren. Wanneer gebeurde dat? Het is immers voor ons
belangrijk ons bewust te zijn van
dezelfde schuldigverklaring. Hoe kwam de profeet zover? Was het, toen
hij in zijn hart had gekeken en de vuile verraderlijkheid en de zwarte
stromen van de werkelijke overtreding, die uit die innerlijke bron van
verdorvenheid omhoog welden, had gezien? Hij zou zeker: “Wee mij!”
hebben gezegd, als hij daar naar had gekeken, maar dat deed hij bij deze
gelegenheid niet.
Was hij bezig
geweest de wet van God te overdenken, had hij gemerkt, hoever die reikt,
hoe die de gedachten en de bedoelingen van het hart raakt en ons
veroordeelt, omdat wij niet voldoen aan haar eisen van volmaakte
gehoorzaamheid? Zeker, als hij gezien had op die reine en heilige wet,
zou hij terecht zijn schuld hebben beweend, want de kennis der zonde is
er door de wet.
Of had hij de
bladzijden van de herinnering omgeslagen en had hij zijn eigen
tekortkomingen en de zonden van zijn medemensen opgemerkt? Had hij zijn
eigen falen in het gebed, in het dienen of in het geduld opgemerkt? Had
hij zichzelf gadegeslagen in de binnenkamer en in het openbaar en bracht
het verslag van het verleden een bewustzijn van zonde over hem? Als dit
zo was, dan zou hij reden genoeg hebben om te klagen voor de Here en te
roepen: “Wee mij, want ik ben onrein!” Ik zou zelfs kunnen zeggen:
stel, dat hij één enkele dag van zijn leven een zelfonderzoek had
uitgevoerd en die dag was de zondag geweest en hij was opgetreden als de
prediker, of hij had gezeten onder de meest bewogen bediening en hij had
aangezeten aan het heilige feest van de Here, dan nog zou hij reden voor
belijdenis van schuld hebben gevonden. Ik wil mijn broeders niet
oordelen, maar ik wil deze belijdenis van mijzelf afleggen, dat, als ik
de beste dag onderzoek, die ik ooit heb geleefd, ik zelfs met mijn arme
zwakke ogen genoeg zonde in mijn heiligste dingen kan zien, die mij doen
uitroepen: “Wee mij, ik ga ten onder.” De beste preek, die ik ooit
gepredikt heb, is een zeker bewijs voor mij, dat mijn lippen onrein
zijn, want wanneer ik die met zorg onderzoek, ontdek ik er duizend
gebreken in.
Maar geen van
deze dingen worden hier genoemd als de aanleiding voor de
verootmoedigende uitroep van Jesaja. Wanneer was het dan, dat hij zo’n
overweldigend gevoel kreeg van zijn eigen onwaardigheid en van de zonde
van het volk temidden waarvan hij woonde? Het was “TOEN”, toen
hij de Here had gezien. Het was hem vergund in een visioen de
grote Koning op Zijn troon te aanschouwen. Hij had Hem gezien in Zijn
oneindige soevereiniteit. Hij had Zijn heerlijkheid de tempel zien
vullen, totdat het huis vervuld werd met rook om de weergaloze pracht te
bedekken. Hij had in het visioen die zondeloze wezens, de serafs,
gehoord, die in extase uitriepen: “Heilig, heilig, heilig is de HERE
der heerscharen.” Hij had zorgvuldig opgemerkt, dat, toen ze de
ontzagwekkende majesteit naderden, een ieder van hen de vleugels
gebruikte als een viervoudige sluier om er zichzelf mee te verbergen:
“ met twee bedekte hij zijn aangezicht en met twee bedekte hij zijn
voeten.” Zelfs zij durfden niet te kijken naar de heerlijkheid van God
of zonder een bedekking voor Hem te staan. Door hun roep “Heilig,
heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van Zijn
heerlijkheid vol” en door hun nederige houding tijdens hun aanbidden
werd de profeet verootmoedigd en vroeg hij zich af, hoe en in welke taal
hij ooit met God zou kunnen spreken. Johannes vertelt ons in zijn
evangelie, dat Jesaja de heerlijkheid van God zag in de persoon van de
Here Jezus. De dorpelposten beefden bij de aanwezigheid van de Here der
ganse aarde vanwege dit intense geroep van aanbidding, dat opsteeg uit
het talloze gezelschap van engelen, waarvan de serafs beschouwd kunnen
worden als vertegenwoordigers. Het was de aanblik van de driemaal
heilige God, die de profeet deed zeggen: “Wee mij, ik ga ten onder,
want ik ben een man, onrein van lippen.”
O, mijn
geliefde broeders en zusters, als u nooit God hebt gezien, als u nooit
een blik van het geloof op Hem hebt gehad, dan hebt u nog nooit echt
uzelf gezien! U zult nooit weten hoe zwart u bent, totdat u gezien hebt
hoe schitterend Hij is en in zoverre u nooit heel Zijn schittering zult
kennen, in zoverre zult u nooit heel uw eigen duisternis kennen. Leer
echter deze les: het is een grote vergissing voor u om uw aangezicht van
God af te wenden om berouw te hebben van zonde. Het is de aanblik van
God in Christus Jezus, die verootmoediging en een nederige belijdenis
van zonde zal voortbrengen. Droom er niet van, dat u bij Christus
vandaan moet blijven, totdat u voldoende uw zonde betreurt. Het is een
ernstige dwaling en een bittere dwaasheid, want niets brengt zozeer de
zondige aard van de zonde aan het licht als een blik op de heerlijkheid
van God in Christus Jezus. Nee, uw aangezicht moet gericht zijn op het
huis van uw Vader en u moet vol hoop de beslissing nemen op te staan en
naar uw Vader te gaan, anders zult u nooit roepen: “Vader, ik heb
gezondigd tegen de hemel en voor U.” Ja, en ik zal wagen het te
zeggen, dat, hoe dichter de verloren zoon bij zijn vader kwam, hoe meer
berouw hij had. Toen zijn gezicht was verborgen aan de boezem van zijn
vader, toen was zijn berouw het diepst van al. O, arme harten, als u
niet tot Christus kunt komen met berouw, kom dan tot Hem om
berouw! Als u wilt ervaren: “Wee mij!” kom dan en zie de
heerlijkheid van Jezus en de heiligheid van de grote God. Dan zal uw
knie zich buigen en uw hart beven. Er is geen weg naar berouw, die zo
kort en zeker is, als te denken aan uw God en geestelijk in Zijn
aanwezigheid te treden. “Ik zag de Here zitten op een hoge en verheven
troon……TOEN zei ik: Wee mij!”
Wel nu, is er
hier iemand, die zegt: “Ik heb nauw contact met God gehad”? Broeder,
we zullen luisteren naar uw spreken en uw aanmatigingen beoordelen.
Hoorde ik u zeggen: “Ik ben iemand, die heel dicht bij God leeft. Ik
wandel in het licht, zoals God in het licht is en ik geniet een hoger
leven dan andere christenen”? Broeder, uw spreken is als schallend
koper en een rinkelende cimbaal, want geen mens, die net bij God vandaan
komt, spreekt ooit vanuit eigen roem. Wat zei Job? “Zie, ik ben
onrein. Wat zal ik U antwoorden?” “Met het gehoor des oors heb ik U
gehoord, maar nu ziet mijn oog U. Daarom verfoei ik mij en ik heb berouw
in stof en as.” (Job
42:5,6 S.V.). Zo was de ervaring van een volmaakt en oprecht man,
iemand die God vreesde en het kwaad schuwde. Als u echt in contact met
God gekomen bent, zullen dezelfde nederige gevoelens uw hart vervullen.
Geen mens, die zichzelf verhoogt, heeft de Here hoog en verheven gezien.
Wanneer we begenadigd worden de Here te kennen, dan worden
we verootmoedigd, pas dan.
U ziet de profeet beven:
in het bewustzijn zelf onrein te zijn en omgeven door een volk, net zo
onrein als hijzelf. Wanneer hij in deze toestand is, komen we ons tweede
“TOEN” tegen. “Toen (KJV) vloog één van de serafs naar mij toe
met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had;
hij raakte mijn mond
daarmede aan en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw
ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend.” “Toen”, dat is,
niet toen deze man vol vreugde en blijdschap was, maar toen hij zei:
“Wee mij!” Niet, toen hij leefde in een subliem roemrijk
zelfbewustzijn, maar toen hij riep: “Ik ga ten onder!” – “toen
vloog er één van de serafs”. Toen hij zich er bewust van was,
dat hij ongeschikt was, toen gaf de Here hem de opdracht. Toen
hij zijn onreinheid ervoer, toen hij de verlorenheid van zijn natuur
beleed en de trieste toestand van zijn volk, toen raakte
de seraf hem met de gloeiende kool van het altaar aan.
Broeders,
ervaart u zozeer uw zondigheid, dat u bang bent, dat de Here u nooit zal
gebruiken voor de bekering van zondaren? Ik ben er blij om. Bent u zich
ervan bewust, dat uw lippen niet waardig zijn namens de heilige God te
spreken? Dan weet ik, dat u ervaart, dat als God ooit een ziel door u
zou redden, Hij al de eer ervan moet hebben. U ervaart, dat het een
wonder van genade is, dat u zelf gered bent en als er ooit anderen door
middel van u gered worden, dan belijdt u, dat het een wonder van
Goddelijke macht zal zijn. In dit alles verheug ik mij, want uw uur van
acceptabele dienst is begonnen. Ik heb in mijn eigen ervaring gemerkt,
dat steeds, wanneer ik het meest werd gezegend in het redden van zielen,
het in het algemeen was, nadat ik een grondige verbreking in mijn eigen
hart had doorgemaakt of door
zielsproblemen was fijngewreven als met een stamper in een vijzel,
totdat ik tot stof leek vermalen te zijn. Beproeving ging vooraf aan de
overwinning. Een ruimer veld werd mij geopend door het afbreken van mijn
heggen. Ik ben ineen gekrompen, totdat ik mijzelf vergat en toen heeft
de Here mij bewogen om op een brandende wijze tot Zijn eer te spreken.
Ik herinner
mij een dwaas persoon, die een keer naar mij toe kwam, nadat ik had
gesproken. Hij zei tegen mij: “U zei, dat u een zondaar was, toen u
aan het prediken was.” Ik antwoordde: “Ja, dat klopt en ik meende
het.” Zijn antwoord was: “Welk recht had u om te prediken, als u een
zondaar bent?” “Wel,” antwoordde ik, “mijn recht om te prediken
ligt in het bevel van de Here : ‘Laat hem, die hoort, zeggen, Kom’.
Ik denk echter niet zozeer aan een bepaald recht, want ik predik, omdat
ik er niets aan kan doen. Ik predik tot zondaren, omdat ikzelf een
zondaar ben en ik sympathie met hen voel. Als iemand het nodig heeft om
dagelijks door Christus gered te worden, dan ben ik dat en daarom heb ik
er een behagen in om de redding te beschrijven, die mij zo dierbaar is.
Soms, wanneer ik zelf in
banden lag, heb ik in ketenen gepredikt
tot mensen in ketenen, maar ik maakte muziek met mijn boeien door
Christus aan te bevelen, toen ik geen goed woord over mijzelf kon
zeggen.” Wel, ik denk dat iemand die een bepaald medicijn genomen
heeft en beter geworden is, juist degene is om over dit geneesmiddel te
roemen bij anderen. Ja en als hij nog steeds merkt, dat de ziekte nog
steeds een beetje in hem zit, hoewel de dodelijke kracht ervan
weggenomen is en als hij ervaart, dat hij elke dag de genezende drank
moet drinken en het genezende bad moet nemen, dan is hij juist de
persoon om voortdurend te vertellen van de blijvende kracht van dat
altijd kostbare middel, dat paste bij zijn geval. Zelfs wanneer wij
wandelen in het licht met God, dan nog reinigt het kostbare bloed van
Jezus ons van alle zonde en vertellen we over de genadekracht ervan
vanuit onze eigen ervaring.
Mijn geliefde
broeders en zusters, ik wil dat dit u bemoedigt, als u zich ongelukkig
voelt in uw werk voor de Here. Als u zich erg terneergeslagen voelt en
roept: “Wee mij” hou dan daarom niet op met uw dienst. Als het
afgelopen zondag niet lukte, toen u predikte, als u elke dag blunders
maakt met die onreine lippen van u, als u geen succes hebt gehad met uw
werk onder de mensen temidden waarvan u woont, of als het u niet gelukt
is met de kinderen van uw klas of met uw eigen kinderen thuis, dan is
het nu de tijd om de zegen te zoeken, nu de tijd om ervoor te bidden in
hoop. “Toen vloog één der serafs naar mij toe met een gloeiende
kool, die hij met een tang van het altaar genomen had.” De seraf komt
niet met gloeiende kolen van het altaar naar mensen met reine lippen,
die nooit ten onder gingen, want die vinden het prima zonder de
altaarkolen. Maar wanneer de uitverkoren dienstknecht van de Here zich
diep bewust is van zijn onwaardigheid, zal de Here hem van bovenaf
inspireren. Het is Zijn vreugde om lege vaten te vullen en Zijn schat in
kisten te doen, die niets van zichzelf bevatten.
Laten we nu heel kort spreken over het derde “TOEN”.
“Toen (KJV) hoorde ik de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik
zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij.”
Hoort u het vanavond niet, de stem die nooit ophoudt te roepen in de
Gemeente: “Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan. O, dat we
gereed mogen zijn om er antwoord op te geven! Helaas! We geven niet
graag het antwoord “Zend mij” omdat we ervaren dat we ten onder gaan
en onze lippen onrein zijn, maar geliefden, als, terwijl we hier zitten,
de engel de gloeiende kool van het altaar zal brengen – één van die
kolen, waarmee ons grote Offer werd verteerd – en daarmee elke lip zal
aanraken en zeggen: “Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt, nu is uw
ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend”, dan zullen we overeind
springen en roepen: “Hier ben ik, zend mij.” Wetend, dat we nu rein
zijn voor het aangezicht van God door het altaar, dat alles heiligt wat
het aanraakt, zal alle angst van ons zijn weggedaan en dan zal dankbare
liefde uitbarsten in de roep van volledige overgave en algehele
toewijding: “Hier ben ik, zend mij”. Hier is iemand vol melaatsheid
en daar is een genezend bad. Jehova Rophi roept: “Wie zal het nieuws
van de zekere en doeltreffende genezing gaan brengen?” De man geeft
geen antwoord, omdat hij zelf nog vol ziekte zit, maar op het moment,
dat hij erin stapt en merkt, dat hij wordt gereinigd, roept hij:
“Eureka, ik heb het gevonden” en hij begint meteen het blijde nieuws
te verkondigen. Hij verlangt naar gelegenheden om zijn verhaal te
vertellen. Hij rust dag noch nacht om het goede nieuws van de redding
bekend te maken.
“Dan zal ik de wereld Uw wegen leren;
Zondaren zullen Uw
soevereine genade leren kennen;
Ik zal hen naar het
bloed van mijn Heiland leiden;
En zij zullen een
vergevend God prijzen.”
“Hier ben ik, zend mij.” Wie onder u zal dit zeggen
met betrekking tot de zending in het buitenland of het werk der heiligen
in ons land? Ik verwacht het te horen van hen, die veel liefde hebben,
omdat hen veel vergeven is. De kool, die heiligt, zal ook uw lippen in
vlam zetten en de banden verteren, die uw tong vasthouden. “De liefde
van Christus dwingt ons.” Hoe kunnen we ons stil houden? De balk uit
het dak en de betimmering van de muur zouden het tegen ons uitroepen,
als we niet getuigden van onze Here. Anderen kunnen zich misschien
stilhouden, wat ons betreft moeten wij het uitroepen: “Hier ben ik,
zend mij.” Ik zou geheel van harte kunnen wensen, dat meer van u zich
diep bewust werden van uw onwaardigheid, totdat u er benauwd van werd en
dat u opnieuw de reinigende vlam van het altaar voelde, want dan zou u
aangevuurd worden met ijver en enthousiasme en dan zou er een groot werk
voor mijn Here worden gedaan. De nieuwe ervaring van wat zonde is, zou u
medelijden geven voor zorgeloze zondaren; pas gezegend met een besef van
reiniging door het offer, zou u de mensen ernstig wijzen op de Heiland.
Het vuur, dat uw leven in brand zette, zou overspringen naar de harten
van vele anderen.
Dit zijn de
drie “toens’: “toen”, toen ik God had gezien, zei ik: “Ik ga
ten onder”; “toen”, toen ik me er bewust van werd, dat ik ten
onder ging, bracht de seraf de brandende kool en raakte mijn lippen aan
en toen die lippen werden aangeraakt, werd ik gereinigd; “toen” zei
ik: “Hier ben ik, zend mij.” Moge dit een woord op het juiste moment
zijn voor velen! Dan zullen ze worden gezegend, dan
zullen we ons samen verheugen en dan zal God worden
verheerlijkt.
©
Copyright vertaling 2004 B. Kroeze, Doldersum. Alle rechten
voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|