|
|
Voorbericht van "Manna voor pelgrims"
Graag willen we een korte inleiding geven op het boek "De
Opwekking" van Marie Monsen. Zij was een Noorse zendelinge bij de
China Inland Mission en werd door God gebruikt bij de opwekking in China
van 1927 tot 1929.
Bekering
en wedergeboorte.
De Here Jezus zei tegen Nicodemus: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg
u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet
zien."(Joh. 3:3) Twee keer "voorwaar" betekent dat
de Here Jezus hier heel erg de nadruk op legt. "Ik zeg u".
Jezus Zelf zegt, dat wij wederom geboren moeten worden en anders is het
niet best met zo iemand: "hij kan het Koninkrijk Gods niet
zien" dwz. bekering en wedergeboorte zijn een voorwaarde om later
bij God in de hemel te komen. Daarom is het van het allergrootste
belang, dat wij ons dat goed beseffen en God smeken om de genade, dat
Hij Zijn werk in ons tot stand brengt. Helaas weten veel christenen
niet, wat bekering en wedergeboorte inhouden.
Bekering en wedergeboorte zijn voor 100% het werk van de Heilige
Geest.
"Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest
geboren is, is geest."(Joh. 3:6)
Wanneer zijn we bekeerd?
Allereerst is een bekering zuiver een persoonlijke zaak. Een ander kan
niet voor mij beslissen. Ook reis ik niet mee op het geloof van een
ander. De naam Jezus betekent "Redder". Waarvan, waaruit
en waartoe redt Hij ons? Wanneer we door de Heilige Geest
antwoord op deze drie vragen krijgen, staan we voor een bekering. Als we
door de Heilige Geest mogen zien, dat wij zondige schepselen zijn, die
niet verder kunnen leven zonder genade van God te ontvangen, dan zijn de
beloften, die in de bijbel staan, er voor ons om te ontvangen.
"Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren
Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren
ga, maar eeuwig leven hebbe." (Joh. 3:16)
We moeten geloven en aannemen, ja er volkomen op vertrouwen, dat God
doet, wat Hij zegt, anders maken we Hem tot een leugenaar. Hij zegt, dat
een ieder, die al zijn zonden oprecht aan Jezus belijdt, gered is van de
eeuwige straf, de dood. Wanneer de realiteit van de vergeving tot
ons doordringt, zijn we de gelukkigste mensen van de hele wereld. God is
tot ons gekomen door de Heilige Geest. Ons leven verandert: wat we
vroeger deden, willen we nu niet meer doen. We beseffen, dat we in alles
Gods hulp nodig hebben. We zijn volkomen afhankelijk geworden van Zijn
genade. We vertrouwen reëel op Hem. We gaan Romeinen 6, 7 en 8
begrijpen en hebben last van onze oude mens. Bij echt berouw is er een
vergevende Heiland en onze dankbaarheid aan Hem wordt steeds groter. Met
ons menselijke verstand kunnen we Gods liefde en genade niet begrijpen.
Omdat dit onderwerp zo belangrijk is, hebben we aan de OZG(Overzeese
Zendingsgemeenschap, de vroegere China Inland Mission) gevraagd, of we
het boekje van Marie Monsen op deze site mogen zetten. Ze heeft het
begin van de opwekking in China(1927-1937) meegemaakt. God heeft haar
hier enorm voor gebruikt.
Er is een groot verschil tussen mensen, die nederig willen zijn en mensen,
die door het werk van de Heilige Geest nederig gemaakt zijn. Marie
Monsen zei vaak: "Dat wat niets is, wil God gebruiken. Ik zal gaan
Heer, in vertrouwen op U." Ze werd voorbereid voor 't werk, dat God
door haar wilde doen. De voorbereiding duurde vele jaren, voordat het
grote werk van de Heilige Geest kon beginnen. Er is zo jarenlang om een
opwekking gebeden, voordat deze kwam.
Wat voortdurend opvalt, is het werk van de Heilige Geest in het hart van
de mensen. Steeds is er hetzelfde patroon: ze zagen hun zonden en
verlorenheid. En ze werden gered met grote blijdschap in hun hart.
MARIE MONSEN
DE
OPWEKKING
Revival
in China, een werk van de Heilige Geest
Printversie: 
(Even geduld a.u.b.)
Uitgave
van de OZG (China Inland Mission) Eendrachtsstraat 29a 3784
KA Terschuur
© Copyright Nederlandse
vertaling: OZG Terschuur. Met vriendelijke toestemming op deze site
geplaatst.
Voorwoord
Daar ik alleen het begin van de opwekking in China meemaakte, die in
1927 begon, ben ik nooit van plan geweest erover te schrijven.
De laatste twee jaar werd ik er echter zeer op aangesproken om er wel
over te schrijven. Onverwachtse bezoeken van verschillende zendelingen,
die de vruchten van de opwekking hadden gezien, droegen hier nog toe
bij.
De moed om erover te schrijven kreeg ik door het woord: "Zij gaven
verslag van al wat God met hen gedaan had" (Hand. 14: 27). Zij
vonden toehoorders, die geestelijk genoeg waren in gesteld om hen te
begrijpen. Ik geloof, dat God gelijk gezinde mensen wenst te bereiken
met dit getuigenis, dat Hijzelf mij opdroeg neer te schrijven.
Marie
Monsen
Bergen, Noorwegen 1960
AANTEKENING
VAN DE UITGEVER
Hieronder
volgt een uittreksel van een brief van de heer Louis Gaussen, geschreven
vanuit de provincie Honan in 1932:
"Grotendeels door het bezoek van Maria Monsen tot het houden van
bijzondere samenkomsten, heeft de Heer hier gedurende de laatste weken
een grote opleving in het werk gegeven. Tijdens deze samenkomsten
werden twee leraren en een van de twee evangelisten wedergeboren en
zeer gezegend. Vanaf dat moment ging de zegen verder en zijn
verscheidene anderen tot geloof gekomen. Juist voordat wij aankwamen,
brak er een opwekking uit in de school en kon er enkele dagen niet
gewerkt worden, daar er zoveel kinderen diep overtuigd werden van zonde.
Sindsdien is een groot aantal van hen werkelijk behouden en zij gaven in
het openbaar een getuigenis van hun redding. "Het blijkt mogelijk,
een groot verstandelijk geloof te hebben in de feiten van het
evangelie, zonder enig begrip van de fundamentele geestelijke eisen
ervan.
Zodoende kunnen leden van kerken en gemeenten nog verstrikt zijn in de
netten van de schrikbarende zonden van een heidens land zonder
zondebesef te hebben. Het schijnt, dat de Heer aan Marie Monsen een
speciale bediening heeft gegeven voor deze mensen."
HISTORISCHE
INLEIDING, geschreven door Leslie T. Lyall
1900
was het jaar van de Boxer-opstand, een crisis zowel in de geschiedenis
van de Chinese natie als van de christelijke Kerk in China. Het lijkt
mij nuttig een kort overzicht te geven van de voortgang van het
evangelie gedurende de laatste zestig jaar en de invloed van de
politieke gebeurtenissen op de Gemeente van Christus.
In deze periode van 1900-1960 zijn er meer crisisjaren geweest: 1911 -
de republikeinse revolutie; 1914 het uitbreken van de eerste
wereldoorlog; 1927 - de evacuatie van zendelingen tengevolge van de
communistische campagne tegen de vreemdelingen; 1937 het uitbreken
van de Chinees-Japanse oorlog; 1945 - de overwinning van de Geallieerden
over Japan; 1949 - het uitroepen van de Volksregering in Peking en het
zich terugtrekken van de Nationale regering naar Formosa; 1951 - de
beslissing, dat de gehele protestantse zending zich terugtrekt van het
vasteland van China.
Voor 1900 had de christelijke zending moeten strijden tegen het
ingewortelde conservatisme van het Chinese volk. De Chinezen hadden een
haat tegen de vreemdelingen en een verachting voor alles, wat deze
vertegenwoordigden. Er kwamen weinigen tot bekering. Maar de val van
het keizerlijk hof te Peking door de gebeurtenissen van 1900 had
tengevolge, dat de tegenstand tegen de westerse cultuur verminderde.
De jongeren kregen een verlangen naar vernieuwing en stonden open voor
bijna alles, wat uit het westen kwam. Het onderwijs en de politieke
structuur van het land werden radicaal veranderd. Bij de dood van de
keizerin-moeder en haar zoon in 1908 was er geen opvolger meer en kwam de weg vrij voor de republikeinse
revolutie van 1911.
In de jaren na 1900 kregen de christelijke kerken en gemeenten ongekende
mogelijkheden. K.S. Latourette wijst erop, dat "nooit tevoren in de
gehele geschiedenis van de Kerk van Christus zo'n groot aantal nietchristenen
zo ontvankelijk waren geweest voor het evangelie." Zendingsscholen
en universiteiten, waar Engels werd onderwezen, werden steeds meer bezocht.
De intellectuelen van het land hadden een open oor voor de boodschap van
vooraanstaande christelijke leiders uit het westen, zoals Dr. John
Mott in 1907 en Dr. Sherwood Eddy in 1911. In 1908 verspreidde een
opwekking in Korea zich naar Mantsjoerije en naar andere delen van
China. Tengevolge hiervan nam het aantal gemeenteleden aanzienlijk toe.
Waar in 1895 het werk van een groot zendingsgenootschap in geheel China
slechts 700 dopelingen opleverde, werden in 1905 2500 mensen gedoopt en
in 1914 4500! In sommige streken waren er zoveel aanvragen, dat de
zendelingen het niet meer goed aankonden.
De revolutie van 1911 werd in het begin een reactie tegen het
christendom, hoewel een der leiders, Dr. Sun Yat Sen, een christen was
en andere leiders met het christendom sympathiseerden. Naarmate het nationalisme
sterker werd, verminderde het aanzien van de Kerk. In 1914 werd de
christelijke Kerk zeer aangevochten door sceptische lectuur uit het
westen en een vernieuwde belangstelling voor China's eigen religies. Het
christendom werd bedreigd door secularisme. Onderwijs nam de plaats in
van evangelisatie en meer dan de helft van alle zendelingen waren
ingeschakeld bij het onderwijs. De eerste wereldoorlog bracht een hevige
slag toe aan het westerse prestige. Bovendien was China teleurgesteld,
dat zij bij de vredesconferentie te Parijs geen speciale concessies
kreeg en ging openstaan voor Russische invloeden.
Sinds 1911 waren er voortdurend burgeroorlogen geweest en had de
eigenlijke regering de macht steeds minder in handen. Na 1917 was
misdaad en wetteloosheid aan de orde van de dag en zendelingen en zendingsinstellingen
hadden het zwaar te verduren. De burgeroorlogen en het banditisme gingen
voort gedurende de twintiger en dertiger jaren, waardoor de ellende
in China toenam. Maar de kerken en gemeenten groeiden; tussen 1917 en
1922 werden 90.000 belijdende gemeenteleden toegevoegd. Bovendien
kreeg de Chinese Kerk in 1919 reeds meer verantwoordelijkheid voor
haar eigen zaken en nam het aantal leiders met een opleiding toe. Door
de algemeen heersende vijandigheid tegenover de vreemdelingen,
werden de christenen steeds onverdraagzamer ten opzichte van buitenlands
toezicht op de gemeenten. In 1922 werd deze onafhankelijkheidsbeweging
nog versneld door het tot stand komen van een unie van kerken van
verschillende denominaties binnen de "Gemeente van Christus in
China".
Maar in hoeverre was de Kerk werkelijk klaar om het hoofd te bieden aan
de zware beproevingen, die een hoogtepunt bereikten in 1926 en die voort
zouden gaan na het uitbreken van de oorlog met Japan en de
communistische overwinning in 1949? Het moet worden toegegeven, dat de
tien jaar van populariteit na 1900 en de daarop volgende tien jaar van
christelijk onderwijs en secularisme wel kwantitatief hadden bijgedragen
tot de groei van de Kerk, maar niet de kwaliteit van christenen hadden
voortgebracht, zoals de martelaren van 1900.
Er was teveel belijden met de mond, maar buiten het hart om. Vrijzinnige
theologie had het geloof in de bijbelse waarheden ondermijnd.
Dientengevolge waren de zedelijke maatstaven te laag en werd de Kerk wereldgelijkvormig.
Onder de gemeenteleden kwamen de grofste zonden voor. Zelfs onder de
leiders van de kerken en gemeenten waren velen, die hun verhouding tot
Jezus Christus niet duidelijk onder woorden konden brengen. Zij waren
geestelijk blinde leiders voor hun even blinde volgelingen. Indien de
Kerk niet alleen de zware beproevingen moest overleven, maar ook
overwinnaar moest blijven in haar getuigenis voor Christus, was het
dringend nodig, dat er een diepgaand, herscheppend, reinigend
opwekkingswerk van de Heilige Geest zou plaatsvinden. Deze nood
werd tenslotte algemeen erkend in 1929, toen de nationale christelijke
Raad overeenkwam om de "Five Year Forward Movement" met zijn
slagzin "Heer, wek Uw kerk op en begin met mij!" krachtig te
steunen.
God gebruikte velen, zowel Chinezen als zendelingen, om dit nieuwe leven
door te geven. Zeer bekend is de naam van John Sung. Zijn medewerker,
Andrew Gih, kwam tot geloof tijdens samenkomsten gehouden door Paget
Wilkes uit Japan. En wie zal kunnen zeggen, hoevelen door dit nederige
instrument gezegend zijn geworden? Want het werk van de Bethel-groepen,
waarvan de bekendste geleid werd door Andrew Gih, bracht vele
zieltogende gemeenten en christenen tot nieuw leven. Dr. Chia Yu-ming
uit Nanking werd machtig door de Heer gebruikt. En dan niet te vergeten
Wang Ming-tao, geboren in de Britse legatie tijdens het beleg van de
Boxers in 1900. Hij was de zoon van een dominee, opgevoed op een
zendingsschool, maar onbekeerd! Toen hij eenmaal de herscheppende en
heiligende kracht van de Heilige Geest ervaren had, werd hij een
welsprekend vertolker van Gods Woord en de vurige prediker van de
wedergeboorte en een leven, dat geleefd moest worden in strikte
gehoorzaamheid aan de eisen van het Woord van God. Van de buitenlanders
werd Anna Christensen uit Denemarken in heel China bekend door haar
bediening voor opwekking en evangelisatie. Deze en nog vele anderen
waren Gods instrumenten tijdens de jaren van opwekking, in het bijzonder
na 1929.
Maar de voorloopster van hen allen was Marie Monsen uit Noorwegen, de
dienstmaagd waar Gods Geest allereerst op uitgestort werd. Zij had een
speciale bediening om zonden aan het licht te brengen, die in de Kerk
verborgen waren en die zich schuil hield achter het glimlachend
uiterlijk van vele naam-christenen - zelfs van menig christelijk
leider. In alle rust stond zij er op, dat de wedergeboorte werkelijk beleefd
werd. In deze wijze van werken werd zij een voorbeeld voor anderen.
En wat was het resultaat hiervan? Er ontstond een beweging, die als een
reinigende windvlaag door de kerken en gemeenten van China ging.
Chinezen en zendelingen werden allen aangeraakt. De Kerk was de crisis
van de jaren 1925-'27 te boven gekomen hoewel niet zonder enige afval.
Tijdens de jaren 1930-'35 was er in sommige streken van China een
voortdurende opwekking gaande, die er de stoot toe gaf, dat de
zendelingen de volledige leiding overdroegen aan de kerken. In 1937
brak er met de Japanse invasie weer een storm los, maar toen was de Kerk
sterk en onafhankelijk genoeg om met vliegende vaandels deze vuurproef
te doorstaan. Na het einde van de oorlog in 1945 volgden er verscheidene
jaren van opmerkelijke groei en uitbreiding, totdat tenslotte de
communisten de regering in handen kregen. Maar wat er ook gebeuren zal
- de ware Gemeente van Christus in China heeft reeds zeer geleden -
God zal een overblijfsel voor Zichzelf bewaren: namelijk diegenen, die
de waarheden ervaren hebben, waarop Marie Monsen en haar opvolgers zo de
nadruk hebben gelegd - een volkomen bekering tot God en een levend
geloof in de Here Jezus Christus.
Terugziende op deze zestig jaar, is het bemoedigend voor ons geloof om
te zien, hoe God op het juiste moment door een opwekking werkte in de
geschiedenis van een natie en een Kerk en op het juiste moment Zijn
uitverkoren instrumenten had om te gebruiken.
D
E O P W E K K I N G
De
zendingsroeping kwam ongelegen
God riep mij op een tijdstip, dat de mensen in Noorwegen sterk
nationalistisch gezind waren. Er was een rage geweest voor Amerika. Maar
toen men zag, dat vele bekwame jonge mensen het land verlaten hadden om
daar carrière te maken, begon men te twijfelen aan deze gang van zaken.
De leraren van onze kweekschool voor onderwijzers hadden verklaard tegen
emigratie te zijn. Het sprak dus vanzelf, dat ik, die daar studeerde,
hun mening deelde en ik wenste het land niet te verlaten. Wel was ik
bereid te gaan overal, waar God mij maar in Noorwegen kon gebruiken. Op
dat moment was ik als christen nog niet rijp genoeg om te begrijpen, dat
ik zelfs op aarde allereerst en bovenal een burger van het Koninkrijk
der hemelen was.
De evangelist Tormod Rettedal, een huisvriend, was degene die mij hielp.
Ik had in die tijd zorgvuldig vermeden over zendingswerk te spreken,
maar met het inzicht, dat hij bezat, moet hij mijn gedachten hebben
geraden. Hij maakte gebruik van een gelegenheid, die God hem gaf, om er
mij aan te herinneren, hoe Jona Gods roepstem om naar Ninevé te gaan
hoorde, maar het niet deed. "Eerst mocht hij zijn gang gaan, maar
God was niet met hem op deze zelfgekozen weg. Wees geen Jona!"
Gedurende drie dagen deed deze korte preek over Jona zijn werk in mijn
hart; toen beantwoordde ik de roeping met een bereidwillig, "Ja,
Heer" en ik heb er nooit spijt van gehad.
Voor mij was er maar één zending, en dat was de Noorse Chinese
Zending, die men bij ons thuis een warm hart toedroeg en die ik sinds
mijn jeugd kende.
De
opleiding gaat voort
Daarna volgde een verpleegstersopleiding in het Lovisenberg
Ziekenhuis, een verblijf in Engeland en tot slot een winter lesgeven aan de Framnes School. Mijn oorspronkelijke plan was eerder naar China
te gaan, maar de Boxer opstand van 1900 verhinderde dat.
In die dagen leerde ik Brandzaeg kennen en het maakte grote indruk op
mij, hoe hij iedere morgen voor het ontbijt in zijn studeerkamer ruim
tijd nam om met God te zijn en de bijbel te lezen. Toen kwam ik dan ook
tot de gedachte: met minder kan een zendeling niet volstaan. Voor iemand
die van nature houdt van vroeg opstaan, was het nooit moeilijk iedere
dag deze tijd ervoor te nemen.
De
beproeving begint
Nauwelijks een maand in China., viel ik van een ijzeren trap en
lag verscheidene dagen bewusteloos met een hersenschudding. Dit had ten
gevolge, dat een zendingsarts mij voorschreef: twee jaar geen taalstudie.
Dus moest ik in die tijd de taal leren, enkel door ernaar te luisteren.
Na zes jaren lang voortdurend aan hoofdpijnen te hebben geleden, werd ik
genezen door zalving en gebed (zie Jac. 5 : 14, "Is er iemand bij
u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij
over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des
Heren"). Het was een wondere ervaring van Gods tussenkomst, wat,
naar ik toen in mijn onwetendheid meende, maar eenmaal in een
mensenleven kon gebeuren.
De
roeping wordt genadegave.
Kort na mijn aankomst
in China kreeg ik ook malaria. Deze ziekte bracht mij op de rand van de
dood. Niets hielp om de koorts te onderdrukken en men verwachtte ieder
ogenblik het einde van mijn leven na slechts enkele maanden op het.
zendingsveld. Erger dan de koorts was echter mijn innerlijke
opstandigheid. Het leek zo zinloos geroepen te zijn alleen om hier te
sterven, terwijl het mij zo moeilijk gevallen was in gehoorzaamheid
te gaan. Ik kon dit niet aanvaarden. Het was onbegrijpelijk.
Maar op een dag, dat ik geheel ontmoedigd was en er niet meer tegen op
kon, riep ik uit: ,,O, Heer, als dit alleen was wat U van mij wilde, Uw
wil geschiede." Die dag daalde de koorts en vanaf dat ogenblik wist
ik, dat de roeping louter genade was.
De hele eerste termijn in China volbracht ik het werk door wilskracht,
zonder er lichamelijk tegen opgewassen te zijn. Ik voelde, dat ik
moest werken, of zij zouden mij naar huis sturen als ongeschikt en wat
moest er dan van mijn roeping worden? Dit dreef mij ertoe meer door te
zetten dan verstandig was. Aanvallen van malaria en dysenterie
wisselden elkaar af en sloopten mij. Tijdens mijn tweede termijn in
China werd ik in antwoord op gebed genezen van deze ziekten, die
volgens de doktoren chronisch waren geworden.
God koos mijn werkkring
Toen ik naar het zendingsveld ging, was ik in de veronderstelling,
dat ik zou gaan werken bij het onderwijs. Dit kon niet beter. Het was
de vervulling van een droom, daar ik mijn hele jeugd niets liever deed
dan schooltje spelen.
Maar iedere keer dat ik met lesgeven zou beginnen, kreeg ik malaria en
moest het uitgesteld worden. Uiteindelijk drong het tot mij door, dat
de Heer zelf deze deur voor mij gesloten had. Dit was een zware slag
voor mij en eerst veel later zag ik Gods wijsheid hier achter.
Daarna kwam de overplaatsing naar de naburige provincie Honan met zijn
droger klimaat. Het was pionierswerk in de stad Nanyang en het gebied
erom heen, een bijzonder moeilijke plaats. Nanyang had een grote
studentenbevolking en beroemde examengebouwen, maar het recht om
examens af te nemen was de stad ontnomen, wegens het deelnemen aan de
Boxer opstand. Het was in deze provincie, dat de bekende Dr. Jonathan
Goforth, toen hij met zijn familie vluchtte, aangevallen en verwond
werd. Tengevolge hiervan waren vreemdelingen allesbehalve welkom.
Ons hoofddoel was allereerst een goede verstandhouding te krijgen met
de bevolking en tegelijkertijd het zaad van het evangelie te zaaien.
Onwetendheid, bijgeloof, achterdocht en haat tegen de vreemdelingen
maakten hun harten ontoegankelijk en het leek onmogelijk om door dit
bolwerk heen te breken. Iedere dag na afloop van de dagtaak was het,
alsof de vijand telkens weer tegen mij zei: "Dit is je leven weggooien,
je kan net zo goed thuis blijven en tegen de lemen muren spreken. Wat
zou je in Noorwegen niet bereikt hebben als onderwijzeres!"
Het werk op zichzelf en ook deze aanvallen van de vijand zouden iemand
de moed doen verliezen, maar "God heeft ons niet gegeven een geest
van lafhartigheid," zoals de Schrift zegt (2 Tim. 1: 7) en daar
moest ik mij aan vasthouden. Het was mijn redding, dat ik overtuigd was
van mijn roeping. Iedere dag trok ik er weer met nieuwe moed op uit in
de zekerheid: "God heeft mij geroepen om het evangelie te
prediken aan deze harde, koude harten, God heeft mij hier
geplaatst."
Geleidelijk aan werden er een of twee wat toeschietelijker. Wij
vertroetelden hen als kasplantjes.
Naarmate de tijd voorbijging, veranderden sommige van deze
"plantjes" zichtbaar. Zij gaven hun afgodenverering op,
leerden lezen, kwamen regelmatig om het Woord van God te horen, leerden
bidden, verdroegen spot en vervolging van familie en buren, ter wille
van hun nieuwe vrienden en hun nieuw geloof. Tenslotte werden zij
gedoopt, hoewel wij hier zeer voorzichtig mee waren. Velen van hen
werden aanvaard als oprechte gelovige christenen, toch waren weinigen
werkelijk wedergeboren. Eerst later zouden wij daar achter komen en
het begrijpen.
Verdere
opleiding
Omdat wij geen bijbelvrouw* (Chinese
evangeliste) op onze post hadden, zonden onze Engelse buren ons
een oudere vrouw, heel eenvoudig van geest, maar werkelijk wedergeboren,
om ons te helpen met ons werk. Zij was een onontbeerlijke en bijzonder
nuttige hulp bij het leggen van contacten tussen ons en onze heidense
buren. Haar kamer en de mijne grensden aan elkaar. De onderste helft
van de scheidingsmuur was van leem en de bovenste helft van papier,
zodat ik gemakkelijk kon horen, wat er in de kamer naast mij voorviel.
Zij was een vrouw van gebed. Ik kon alles verstaan, waarvoor zij bad en
ik zag, hoe haar gebeden werden verhoord. Er scheen een groot verschil
te zijn tussen het resultaat van haar gebed en het mijne. Meer dan eens,
als ik haar hoorde bidden, dacht ik, "dat gebeurt nooit,"
maar "dat" gebeurde juist wel. Het kostte mij enige tijd,
voordat ik begreep hoe dit kwam. Zij had een levend, kinderlijk geloof
en voor haar God was alles mogelijk. Ik had meer twijfel dan geloof,
daarom waren moeilijkheden in mijn ogen zo geweldig, dat God mijn
gebeden niet direct kon beantwoorden. Ik kwam tot de ontdekking, dat
ik een gelovige was zonder geloof.
Nieuwe
lessen
Mijn hele leven ben ik dankbaar geweest voor de les, die God mij
leerde door deze vrouw. Kort daarna kreeg ik de uitgebreide
levensbeschrijvingen van Georg Müller en Hudson Taylor in handen. Door
het zorgvuldig bestuderen en herlezen van deze boeken, leerde ik
verstaan, wat echt geloofsleven van een gelovig christen kan zijn. Dit
was een geloof "om mij naar uit te strekken" (Phil. 3 : 14).
Deze eerste pioniersjaren was ik dagelijks bezig met het boek
Handelingen en bemerkte, hoe weinig overeenkomst er was tussen de
wijze van werken, zoals het daar beschreven wordt en het zendingswerk
van onze dagen, dat ik geleidelijk aan goed had leren kennen.
Al voor dat wij op het zendingsveld aankwamen, hadden wij, jongere
zendelingen, een oudere zendeling "van naam" met stelligheid
horen verklaren, dat wij niet konden verwachten vóór de derde
generatie echte christenen te zien, zoals in het Westen. Een nieuweling
kon haar stem niet verheffen om tegen de ervaring en wijsheid van een
oudere in te gaan, maar vanaf het eerste moment, dat ik deze uitspraak
hoorde, kwam ik daar met mijn gehele hart tegen in opstand: "De
bijbel zegt het anders."
De
opwekking in Korea
Voor het eerst kreeg ik wat licht op dit punt, toen wij hoorden van
de opwekking in Korea, die in 1907 begon. Door een wederopleving van
het gebed onder zendelingen was een machtige opwekking ontstaan. O, om
daarheen te kunnen gaan en een paar gloeiende kooltjes mee terug te
nemen naar ons eigen veld! Maar de reis was lang en kostbaar en ik had
er het geld niet voor. Terwijl ik bad om geld en daarnaar uitzag, sprak
God duidelijk tot mij: "Wat je verlangt te krijgen door deze reis,
kan je hier ook krijgen in antwoord op gebed." Deze woorden waren
een enorme uitdaging voor mij. Ik beloofde plechtig: "Dan zal ik
bidden tot ik het ontvangen heb."
Nadat ik deze belofte had afgelegd, liep ik door de kamer, naar mijn
gebedshoekje om voor de eerste maal voor opwekking te gaan bidden. Ik
had nog geen twee stappen gedaan of ik werd tegengehouden. Wat er toen
gebeurde, kan alleen beschreven worden als volgt: het was alsof een boa
constrictor zich om mijn lichaam heenkronkelde en het leven uit mij
perste. Ik werd doodsbenauwd. Eindelijk, terwijl ik naar adem hapte,
slaagde ik erin dit ene woord te uiten: "Jezus! Jezus! Jezus!"
Iedere keer, dat ik kreunend de dierbare naam uitsprak, werd het
gemakkelijker om adem te halen en tenslotte liet de "slang"
mij los. Ik stond verbijsterd. Mijn eerste bewuste gedachte was:
"Dan is het gebed dus zo belangrijk en dat ik mijn belofte zal
nakomen is van zó'n grote betekenis." Deze ervaring hielp mij te
volharden gedurende de bijna twintig jaren, die moesten voorbijgaan,
voordat de eerste kleine tekenen van opwekking zichtbaar werden. God
gaat inderdaad zonder haast te werk.
Tijdens deze periode van afwachten kwamen zo nu en dan andere
zendelingen onze post bezoeken. Zij waren altijd belangstellend om ons
werk te zien en vroegen, hoeveel kinderen onze scholen bezochten,
hoevelen er gedoopt waren, hoeveel gemeenteleden wij hadden. Maar ik
merkte altijd op, dat er nooit één vroeg, of er zielen gered werden.
In
Shanghai en Edinburgh
Mijn probleem bracht mij ertoe in 1907 de conferentie bij te wonen
ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de zendingen in China
en in 1910 de grote wereldzendingsconferentie in Edinburgh.
Het hoogtepunt in Edinburgh kwam, toen een oudere zendeling, die de
opwekking in Korea van meet af aan had meegemaakt, gevraagd werd te
spreken. Er heerste een plechtige stilte in de grote samenkomst. Het
was, alsof iedere afgevaardigde dacht: "Als dit ook eens bij ons
was gebeurd."
Na afloop van zijn machtig getuigenis stond een zendeling uit
Zuid-China op om te spreken. Zijn naam was wijd en zijd bekend in China.
Hij zei: "Wij kunnen nooit verwachten in China te zien gebeuren,
wat u ervaren hebt in Korea, wij hebben daar met een heel andere
bevolking te doen." Een kleine onbekende zendelinge, niet eens een
afgevaardigde, die op de voorste rij van een der galerijen zat, kreeg
een geweldig verlangen om op te staan en uit te roepen: "Als dit
in China niet mogelijk is, dan hebben wij niet dezelfde God als de
zendelingen in Korea." Het kostte moeite om te blijven zitten, maar
ik deed het.
De golf van opwekking in Korea had in 1908 Mantsjoerije bereikt.
Hoe
opwekkingen beginnen
Intussen had God er mij toe geleid verslagen over opwekkingen op
andere zendingsvelden van de wereld te bestuderen, voor zover het
mogelijk was om gegevens te verkrijgen.
Gedurende de lange wachttijd waren deze studies voor mij persoonlijk een
enorme steun. Ik kwam tot de conclusie, dat bijna altijd vijfentwintig
tot dertig jaar voorbijgingen, voordat de zendelingen inzagen, dat een
te groot deel van de leden en leiders van de gemeente het geloof
verstandelijk hadden aangenomen, zonder daadwerkelijk het nieuwe leven
ontvangen te hebben. Hun geloofsovertuigingen, levensbeschouwingen
en dagelijkse leven veranderden zo, dat zij aanvaard werden als ware
christenen. Maar na een tijd ging men zien, hoe het werkelijk stond met
een groot aantal van hen. Zij waren godsdienstige, rechtzinnige
gemeenteleden, maar zonder levend geloof. De zendelingen waren hierover
zeer bekommerd en konden deze nood alleen maar bij de Heer brengen. Er
werd dikwijls een beroep gedaan op voorbidders thuis om mee te doen in
de gebedstrijd. En dan ontstonden er opwekkingen: zij moesten wel
komen in antwoord op de gebeden, die opgezonden werden uit een diepe
bewogenheid.
Hoe
moet men zich voorbereiden voor opwekking?
Ik realiseerde mij nu, dat wij ons moesten instellen op een lange
voorbereidingstijd. Het Woord van God moest gelezen, bestudeerd en uit
het hoofd geleerd worden. Uit persoonlijke ervaring wist ik, wat het betekende,
dat ik bijbelgedeelten en liederen van buiten kende. De Geest van God
kon, wanneer dat nodig was, het Woord van God uit het onderbewuste te
voorschijn roepen. Door Gods Geest werd een bijbelgedeelte dan zo'n
werkelijkheid, dat Gods beloften op het juiste moment in vervulling
konden gaan. Zo ontstond als vanzelf het eenvoudige zinnetje: "De
Geest gebruikt het Woord." Later werd deze zin letterlijk duizenden
malen gebruikt voor mijzelf, voor andere zendelingen en voor talloze
Chinezen.
Al gauw kwam het fonetische schrift ons bij het werk te hulp. Het was
ideaal voor de vrouwen en kinderen. Om geen kosten te maken, werden de
lessen met krijt op de lemen muur geschreven. De aarden vloer was hun
lei, een spijker hun griffel. Het was een genoegen op zichzelf om de
kinderen met hun moeders naar de lessen te zien komen. Zelfs vier- en
vijfjarigen luisterden naar de klanken en leerden veel sneller, hoe
zij die moesten combineren dan de ouderen. De kleintjes werden zo een
waardevolle hulp voor de oudere leerlingen bij hun huiswerk. Op deze
wijze konden wij ernaar streven, dat alle vrouwen in onze gemeenten
het Woord van God leerden lezen.
Vrouwenverenigingen
of niet?
Wij legden deze vraag aan God voor. Het werd ons duidelijk, dat de
tijd, die anders besteed zou worden aan het organiseren van
vrouwenverenigingen, benut moest worden om zoveel mogelijk het
bijbelonderricht in te halen, dat wij in ons geboorteland op school,
thuis, op zondagsscholen, belijdeniscatechisaties en andere
samenkomsten hadden gehad.
Bijbelstudiecursussen
voor vrouwen
Tot mijn vreugde kreeg ik de opdracht de vrouwen het Woord te
onderwijzen en hen te leren bidden. Aan deze studies moest veel tijd
worden gegeven, omdat wij ons instelden op een opwekking. Er zouden leidende
figuren nodig zijn, "moeders", die veel afwisten van Gods
Woord en van gebed. Geen van mijn collega's heeft ooit geweten, hoe
enorm dankbaar ik was, dat ik vrij gelaten werd te werken volgens
richtlijnen, die God mij had laten zien. Zolang ik op ons zendingsveld
was, waren deze bijbelcursussen mijn arbeidsterrein.
Met verlof in Noorwegen
Voor de eerste maal thuiskomend met verlof, had ik het onplezierige
gevoel, dat mijn tijd op het zendingsveld voornamelijk voor mijzelf
was geweest. Ik kwam tot de slotsom, dat ik een hoogst noodzakelijke
opleiding voor het zendingswerk achter de rug had. Toen ik de eerste
maal uitging dacht ik, dat ik goed opgeleid was en heel geschikt voor
dit werk. En nu was ik weer thuis en voelde mij onbekwaam voor wat dan
ook. Ik droeg een zwaardere last, dan ik zelf wist: de toekomst van ons
zendingswerk. Want ik besefte niet, dat Gods Geest aan het werk was om
mij mijn vertrouwen in mijzelf en mijn eigen opleiding en gaven te
ontnemen. De Heer was bezig een zendelinge om te vormen, opdat zij er
diep van doordrongen zou zijn, dat God haar uitverkoren had als
"dat wat niets is" (1 Cor. 1: 28) en dat zij moest leren
rekening te houden met God en op Zijn macht te vertrouwen.
Het tweede verlof was geenszins beter, eerder erger! De gebedslast
drukte toen zwaar op mij. Er waren momenten geweest op het veld
(bijvoorbeeld tijdens het reizen met andere zendelingen), dat de last zo
zwaar was, dat ik mij moest terugtrekken uit het algemene gesprek, om
in de stilte te gaan bidden.
Het was dan ook geen wonder, dat mijn medewerkers mij vreemd vonden en
slechts enkelen mij in die tijd konden begrijpen. Mijn collega's
begonnen zich af te vragen, wat er gebeuren moest met een werker die,
actief van aard, schijnbaar "tot stilstand was gekomen". Zou
het misschien het beste zijn om haar tijdig naar huis te sturen? Maar
God had Zijn plannen. Ik bleef zowaar verscheidene jaren langer in het
werk op het veld dan gebruikelijk was. Ieder jaar leidden onvoorziene
omstandigheden ertoe, dat mij gevraagd werd mijn verlof uit te stellen.
Tenslotte kwam ik weer in Noorwegen, zonder een antwoord gezien te
hebben op de gebeden en verwachtingen van zovele jaren. Maar ik voelde
duidelijk, dat ook deze periode allereerst voor mijn opleiding als
zendelinge gediend had. Toen het zendingsgenootschap mij voorstelde een
gedeelte van mijn verlof door te brengen met lesgeven aan een school
voor volwassen jonge mensen, was mijn reactie, dat ik dit niet aandurfde
na zo lang in China geweest te zijn onder een zeer primitieve bevolking.
Men vond dit gelukkig een redelijk excuus.
Zowel tijdens mijn eerste als tweede verlof werd ik bemoedigd door de
gedachte aan al de zendelingen op het veld, die met trouw en volharding
het evangelie predikten en lesgaven aan kinderen en volwassenen. Ook het
feit, dat er enkelen behouden waren en een levend geloof hadden, gaf mij
moed. Sommigen van hen waren bijzonder goede Chinese predikers, echte
oprechte getuigen. Wanneer de opwekking kwam die wij verwachtten - en
die moest komen, omdat er zo velen in onze gemeenten alleen in theorie
christenen waren - zou dit alles een goed fundament vormen.
In de loop der jaren kregen wij heel wat evangelisten op bezoek, zowel
Chinezen als Europeanen. Zij lieten blijvende sporen achter en
verschillende malen kregen wij een voorproefje van opwekking. Maar het
was nooit die opwekking, in het leven geroepen door de Heilige Geest,
waar ik naar uitzag. Wel droegen ook deze bezoeken ertoe bij de weg voor
te bereiden onder de zendelingen en de Chinese christenen.
De plaats, waar de minste resultaten waren, was de stad en de provincie,
waar ik werkte. Het was het zendingsveld op de harde grond met de altijd
kleine gemeente. Maar "De kleinste zal tot een geslacht worden en
de geringste tot een machtig volk; Ik, de Here, zal het te zijner tijd
met haast volvoeren" (Jes. 60: 22). Deze belofte wacht nog steeds
op vervulling, ik heb altijd geloofd dat het zou komen. Misschien (ik
schrijf dit in 1959) gebeurt het nu, want een opmerkelijk werk van God
is gaande in deze provincie Honan. Er zijn geen samenkomsten of
sprekers, het breidt zich uit van mens tot mens. De berichten hierover
komen uit bronnen, die altijd betrouwbaar zijn gebleken. Gedurende het
tweede verlof besteedde ik mijn tijd aan het op zoek gaan naar gelovige
voorbidders om, zo mogelijk, deze in te schakelen. Ik meende, dat God
mij hierin leidde, maar het resultaat scheen pover, voor zover ik dit
kon beoordelen. De dienst der voorbede is terzijde gesteld en
gerangschikt onder de minder belangrijke bezigheden in alle
christelijk werk, zowel hier thuis alsook op het zendingsveld.
"Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden
op aarde?" (Luc. 18 : 8). Deze woorden werden speciaal in dit
verband tot ons gesproken: volharding in gebed.
Op deze bladzijden is veel van persoonlijke aard neergeschreven. Het
valt mij niet makkelijk dit te publiceren. Ik heb het alleen gedaan
ter wille van hen, die onder gelijke omstandigheden zijn, of zullen zijn
als ik was, voordat de opwekking komt, die het werk is van de Heilige
Geest.
Een
nieuwe tijd
Mijn derde termijn in China was vanaf het begin anders dan de twee
vorige. Sinds 1922 was er veel politieke onrust geweest, wat een
sterke toename van misdaad en wetteloosheid met zich meebracht. Ten
gevolge hiervan werden in 1927 alle zendelingen naar de kust geëvacueerd.
Aloude tempeldiensten en bekende afgoden werden openlijk voor waardeloos
verklaard en in verscheidene plaatsen, zij het min of meer met
tegenzin, afgedankt. Waar moesten de mensen in geloven?
Velen moesten nu hier, dan daar, over langere of kortere afstand
vluchten, al naar gelang van hun financiële draagkracht. Dikwijls
werden hele scholen overgebracht van de ene kant van het land naar de
andere.
Temidden van al die onrust zaten wij met vier vrouwelijke zendelingen
over de toekomst van de gemeenten en kerken te praten: "Zij
zullen zijn als de lamme en de blinde, de ene kan niet lopen, de andere
kan niet zien." Er waren zo weinig vrouwen in de gemeenten. Sinds
onheugelijke tijden waren de Chinese vrouwen thuisgebleven en dat
deden zij nog. "Huisbewaarder" was het woord dat in de
spreektaal gebruikt werd voor "vrouw".
In dat uur steeg er diep uit ons hart een gebed op voor de
vrouwen van China. Een van ons had van de Heer een woord gekregen:
"De Here deed het machtwoord weerklinken; de boodschapsters van
goede tijding waren een grote schare" (Ps. 68: 12). Het was alsof
deze belofte ons innerlijk beroerde en ophief uit onze ontmoediging.
En wij kregen de vervulling te zien. Al de onrust, veroorzaakt door
voortdurende roofovervallen, dwongen de "huisbewaarders" van
China ertoe hun huizen te verlaten. Zij raakten eraan gewend om
ogenblikkelijk te vluchten, om buiten rond te lopen en gezien te
worden. Men werd eraan gewoon hen op ieder uur van de dag te zien; dit
was niet een van de minst belangrijke gevolgen van de algehele
ontreddering. Christenvrouwen kregen prachtig de gelegenheid om
heidense, ongelovige vrouwen, die uit hun verwoeste huizen vluchtten, te
ontmoeten en Gods getuigen voor hen te zijn in tijden van moeilijkheden.
De eerste maal dat ik meemaakte, hoe door de onrustige tijden het
woord, dat wij gekregen hadden, in vervulling ging, was een
onvergetelijk ogenblik. Het vond plaats op een van onze buitenposten.
Wat een aanblik! De samenkomst was vijfmaal groter dan wij ooit hadden
meegemaakt en drie van iedere vijf aanwezigen waren vrouwen. Ik begon
mij af te vragen, of er ooit een tijd zou komen, dat wij zouden moeten
bidden om meer mannen op onze samenkomsten.
“Zij
werden diep in hun hart getroffen” (Hand. 2 : 37)
Sinds de gedenkwaardige dag, waarop ik de belofte had afgelegd te zullen
bidden voor een opwekking, was er met ernst en volharding gebeden, dat
mannen en vrouwen "diep in hun hart getroffen zouden worden"
bij het horen van Gods Woord.
Op een dag las ik Mattheus 18: 19, 20: "Wederom, ik zeg u, dat, als
twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten
deel vallen van mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie
vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden." Deze
belofte, die ik al zolang kende en geloofde, drong plotseling in zijn
volle betekenis tot mij door en werd een grote stimulans voor mijn
gebed. Ik zag een nieuwe weg om te komen tot het doel, de opwekking:
"Het zal hun ten deel vallen." Ik nam het in geloof
aan. Die dag kreeg ik een nieuwe visie: een opleving van het gebed
onder de zendelingen en onder alle gelovigen thuis en in het buitenland.
Twee van u
Waar moest ik de andere vandaan halen? Toen ik bad tot de Heer, dat
Hij mij iemand zou aanwijzen, werd ik ertoe geleid S.E. te vragen, die
dat jaar aangesteld was om mij te helpen met de vrouwenbijbelcursus. Ik
vroeg, of zij erover wilde denken en ervoor bidden. Zij was het met mij
eens, dat tijdens de twee maanden van ons samen werken het gebed de
eerste plaats moest hebben.
Drie verschillende klassen
In de regel hadden wij alleen bijbelvrouwen op onze bijbelcursussen,
maar die keer waren er nog twee andere groepen. Sommige van de
evangelisten en werkers op het zendingsveld hadden volkomen
"onmogelijke" vrouwen. Als laatste hoop hadden zij ons gevraagd,
of deze vrouwen, ongeveer dertig in getal, de bijbelcursus ook
mochten volgen, zodat zij konden samen zijn met de grote groep
christelijke vrouwen, die zouden komen.
De derde groep bestond uit ongelovige vrouwen uit een bergdistrict. Zij
hadden het getuigenis van een Chinese christelijke dokter één- of
tweemaal gehoord. Deze vriendelijke man had gevraagd, of. de meer intelligente
van zijn vroegere patiënten zich een paar weken mochten aansluiten bij
de christenvrouwen.
Gebedstijd
S.E. was slaperig in de morgen en ik in de avond. Daarom besloten
wij, dat twaalf uur 's middags de beste tijd zou zijn voor onze
voorbededienst. Op dat uur waren al onze leerlingen bezig hun potje te
koken en zouden wij niet gestoord worden.
De namen van de vrouwen werden opgeschreven, iedere groep op een apart
blad en de drie vellen papier werden voor de Heer uitgespreid. Tijdens
het gebed waren wij er ons ten volle van bewust, dat wij zélf geen
enkel hart konden bewegen, want "zonder Mij kunt gij niets
doen".
De grootste dag van mijn zendingsleven
De eerste dag dat wij samen baden, vastbesloten op Gods beloften te
vertrouwen, was de grootste dag van mijn leven als zendelinge. Wij waren
dat uur werkelijk in Gods tegenwoordigheid; de kleine kamer werd als
het heilige der heiligen (Hebr. 9 : 4).
Toen wij van onze knieën opstonden, grepen wij zonder te spreken
spontaan elkaars handen. Toen kwamen, in heilige vreze, de woorden:
"De Heer was hier in ons midden."
"Ja."
"Hij had Zijn oor geneigd om te horen."
"Ja, Hij heeft alles gehoord."
"En Hij zal antwoorden."
"Ja, Hij zal het doen."
"Er gaat hier iets gebeuren."
Het was een uur geweest bij de troon der genade en iedere volgende dag
ging het net zo.
Eindelijk
– het wonder
De klassen waren drie dagen aan de gang. De vierde dag zou ik de
groep ongelovige vrouwen weer lesgeven. Het waren er zestien. Wij
hadden het over kindermoord. Plotseling zei een van de vrouwen in stomme
verbazing: "Kunnen wij met onze kinderen niet doen wat wij
willen?"
Wij spraken er nog een tijdje over. Toen barstte zij in tranen uit: ,,O,
en ik heb er drie gedood."
"En ik vijf . . ."
"En ik heb acht van mijn kinderen omgebracht."
"En ik dertien, maar het waren allemaal meisjes." (Al de
anderen waren waarschijnlijk ook meisjes geweest). Slechts twee van
hen zeiden niet, dat zij deze zonde hadden bedreven.
Het was de eerste maal na meer dan twintig jaar op het zendingsveld, dat
ik vrouwen, die wisten, dat wij het doden van kinderen als zonde
beschouwden, hoorde bekennen, dat zij deze speciale zonde begaan hadden.
Zij kenden natuurlijk vele anderen, die het ook gedaan hadden. Dit was
de eerste maal, dat ik meemaakte, hoe de Heilige Geest werkzaam was in
een hele groep - werkelijk een wonder.
Slapeloze
nachten
Deze
gebeurtenis maakte mij sprakeloos. Toen vroeg plotseling een van hen:
"Waarom slapen wij hier zo slecht?"
"Slaapt u niet? Hoezo dan?"
"Wij huilen, wij doen niets dan huilen."
"Waarom huilt u dan?"
"Wij moeten aan zoveel denken."
"Herinnert u zich alle verkeerde dingen die u gedaan hebt?"
Zij knikten stilzwijgend van ja. Toen wist ik, dat Hij, die gekomen is
om de wereld te overtuigen van zonde, vanaf de eerste dag bezig geweest
was Zijn werk te doen in de harten van deze onwetende, heidense vrouwen.
Zij stonden in de rij om hulp
Voor deze klas was er die dag geen les meer. "Nu mag u
binnenkomen en een voor een met mij spreken." Onmiddellijk kreeg ik
de hele groep achter mij aan; één stond met de deurknop in haar hand.
"Ik eerst, ik voel mij zo ellendig, ik kan niet wachten."
Zodra de deur achter haar gesloten was, wierp zij zich op haar knieën
met haar hoofd op de grond en haar schuldbelijdenis stroomde eruit als
een zwart braaksel. Ik had zoiets nog nooit meegemaakt en voelde mij
verbijsterd en enigszins radeloos. Hoe kon ik een hele groep vrouwen,
die bijna niets van God afwisten, helpen om tot verlossing te komen?
Gelukkig schoot mij de tekst te binnen over het vragen om wijsheid en
dat hielp mij in mijn volslagen hulpeloosheid. Maar er was nauwelijks
tijd om te bidden; ik zuchtte alleen maar tot de Heer uit een diep
erbarmen, dat God mij gaf voor deze vrouw, in heidendom opgegroeid.
Nadat zij haar schuldbelijdenis beëindigd had, stond zij op en toen zag
ik in haar ogen de glans van eeuwig leven en licht. De vrede van God
straalde van haar gezicht, dat er tevoren zo moe en afgetobd had
uitgezien. Zij was gered - zonder enige menselijke hulp.
"Weet u, hoe ik mij voel?" vroeg zij. "Het is net alsof
ik een grote misdadigster was en de soldaten mij na een hevige
achtervolging gepakt hadden en voor de Mandarijn gesleurd; en in plaats
van alles te ontkennen, heb ik alles toegegeven en de Mandarijn zei
niet: 'Breng haar weg en schiet haar dood', maar hij zei: 'Zij heeft
bekend, het wordt haar niet meer aangerekend. Ga naar huis in vrede.
"
Dit was het evangelie - in haar eigen woorden. Een grote, stille vrede
vervulde haar en mij ook. Ten langen leste had ik gezien, wat ik in
vertrouwen op de bijbel had verwacht, waar ik al die jaren op gewacht
had. Maar nu het gekomen was, kwam het als één van Gods verhoringen,
die zijn "veel meer dan wij bidden of beseffen." Het was alles
gebeurd zonder enige menselijke tussenkomst, zodra de gebedskanalen open
waren.
Later op diezelfde avond stond deze vrouw in een van de kamers met haar
gezicht tegen de muur.
"Wat doet u daar?"
"Ik vraag Jezus om mij direct thuis te halen, naar de hemel, zodat
ik niet meer zal zondigen."
Ditzelfde gebed zou ik daarna talloze malen horen bidden door mensen,
die pas behouden waren.
Op dezelfde wijze kwamen bijna alle ongelovige vrouwen uit die groep
om hun zonden te belijden en vrede te vinden met God.
Daar ik in vele andere gedeelten van China moest reizen, zag ik
slechts enkele van deze vrouwen terug. Maar later hoorde ik, dat een
aantal van hen leden geworden waren van een kleine gemeente in de bergen,
waar de rovers danig hadden huisgehouden. Deze gemeente werd de "Weduwenkerk"
genoemd en telde veertig weduwen onder haar leden.
De ervaringen van die ene dag waren de vele jaren van bidden en wachten
ten volle waard. In Zijn grote genade begon God te werken in de groep,
die niets van Hem afwist, zodat wij zouden zien en beseffen, dat het
helemaal Zijn werk was, "opdat geen vlees zou roemen" (1 Cor.
1 : 29).
De
“onmogelijke” groep op de bijbelcursus
Onder de "onmogelijke" vrouwen gebeurde er een even groot
wonder. Het vond plaats een paar dagen, nadat de eerste groep erdoorheen
geholpen was. Wat God met deze eenvoudige, ongelovige vrouwen gedaan
had, maakte diepe indruk op de anderen.
Het scheen, alsof de Geest van God deze maal meer dramatisch te werk
moest gaan. Dezelfde nacht hadden vier van hen dromen, waar zij
helemaal van ondersteboven waren. De avond daarop, direct nadat het
donker werd, kwamen zij een voor een mijn kamer binnen geslopen.
"Steek het licht niet aan, laten wij in het donker zitten”,
waren de eerste woorden, die ik hen hoorde zeggen.
Een van hen had gedroomd, dat zij levend begraven was. Zij had tegen de
deksel van de kist geklopt, maar niemand had het gehoord en de kist was
bedekt met aarde. Een ander had gedroomd, dat een lijk haar overal als
een schaduw volgde, waar zij maar zat, liep of stond. De derde had
gedroomd, dat haar man naast haar in bed lag met een stralende glimlach
op zijn gezicht, maar hij was dood! De vierde had de hel voor zich
geopend gezien. De uitleg, die zij zelf gaven aan deze dromen, was, dat
zij de naam hadden te leven, maar in Gods ogen dood waren. (Hun mannen
waren allen werkers in de zending.) Het scheen, dat de vijfde genoeg
had aan de verhalen van de anderen, maar de volgende avond "viel
zij als dood neer." Zij lag daar in grote duisternis en kon niet
spreken. De vrouwen knielden huilend en biddend om paar heen. Zij dachten,
dat zij doodging, maar haar pols was normaal. Toen zij haar spraak
terugkreeg, stroomde haar schuldbelijdenis eruit en daarna vertelde zij
ons, dat een stralende gedaante aan haar was verschenen en haar gezegd
had, dat dit haar laatste kans was om redding te ontvangen. Deze vijf
waren werkelijk in eigen ogen zondaars geworden, die een Verlosser nodig
hadden. Zij waren echt gered.
De vreze des Heren kwam over alle bijbelvrouwen, voor wie de
bijbelcursus gehouden werd en zij beleefden een tijd van diepe,
geestelijke vernieuwing. Zij spraken op fluisterende toon met elkaar,
niemand durfde hardop te spreken. De Heer gaf het woord van vermaning en
troost, dat viel in toebereide harten. Gedurende de rest van de tijd
was een heilige vreze voor een heilig God onder ons merkbaar. Wanneer
de naam van Jezus werd genoemd, zeiden zij met warmte en dankbaarheid:
"Hij is mijn Heiland." Het verliep alles zo wonderlijk rustig.
Wij waren dat niet gewend.
Terwijl de dagen voorbijgingen kwamen anderen tot Jezus, één voor één.
Zij kwamen allen tot inzicht, dat zij persoonlijk een Verlosser nodig
hadden. Deze anderen waren bezoekers, leden van de plaatselijke gemeente,
die zo nu en dan kwamen om de lessen bij te wonen.
Dit was de laatste bijbelcursus voor vrouwen, die ik op ons veld zou
meemaken, hoewel ik dat toen nog niet wist. Mijn hart was vol
dankbaarheid voor de grenzeloze genade van God. Het was gekomen na lang
wachten, maar op Zijn tijd.
Een
nieuwe taak en een verrijkende leertijd
Allang voor de boven beschreven bijbelcursus was ik bepaald geworden
bij een nieuwe taak. Persoonlijk twijfel ik er niet aan, dat Gods Geest
mij ertoe leidde. Het bestond hierin, dat ik vragen stelde aan de leden
van gemeenten en kerken, die een levend geloof hadden, om te weten te
komen, hoe zij dit hadden verkregen. Dit onderzoek werd bij alle
mogelijke gelegenheden en op vele plaatsen voortgezet.
Het had mij verontrust, hoe zelden wij de woorden "behouden"
en "wedergeboren" gebruikten. De uitdrukking, die nog het
meest gebruikt werd, was, "in God geloven" of “in Jezus
geloven". De vraag "gelooft u in Jezus?" werd door de
leden en de regelmatige bezoekers van onze gemeenten en kerken altijd
bevestigend beantwoord.
Hier zijn een paar voorbeelden van dit uiterst belangwekkende werk:
H. was al verscheidene jaren evangelist. Ik twijfelde geen seconde aan
de redding van zijn ziel.
"Gelooft u in Jezus?" vroeg ik hem. Hij keek mij verbaasd
aan.
"Ja, dat weet u toch."
"Bent u wedergeboren?”
"Wedergeboren, wedergeboren? Nee, dat weet ik niet."
"Denk er eens over na, dan spreken wij er een andere keer nog eens
over."
De volgende dag kwam hij met een stralend gezicht op mij af en zei:
"Ja, ik ben wedergeboren."
"Hoe weet u dat?"
"De catechismus zegt, dat een mens na zijn wedergeboorte haat wat
hij eens liefhad en liefheeft wat hij eens haatte. Welnu, ik haatte
vreemdelingen en hun leer en bovenal haatte ik de naam Jezus, vanaf het
ogenblik dat ik die voor het eerst hoorde. Nu heb ik Jezus lief en de
bijbel en de zendelingen en alle gelovigen."
Hij was kennelijk verheugd over het heldere inzicht, dat hij had
ontvangen.
"Wanneer kwam die verandering?"
"Ik heb er geen idee van."
"Als u het ooit te weten komt, wilt u het mij dan vertellen
?"
De volgende morgen vroeg was hij er weer en zijn gezicht straalde.
"Nu weet ik het. Het klinkt misschien vreemd, maar de verandering
vond plaats na een kleinigheid, die op een dag gebeurde. Er was een
conferentie op onze post. Ik zat vooraan in de samenkomst. Maar die dag
had ik het gevoel, dat ik aldoor kon huilen. Wat zouden de mensen
zeggen, als zij mij zagen huilen? Tenslotte was het mij onmogelijk
mijn tranen in bedwang te houden, daarom rende ik naar buiten. Ik liep
de binnenplaats op en neer, terwijl tranen langs mijn gezicht
stroomden. Een ongelovige man, die te laat kwam, stond stil om dit
vreemde schouwspel aan te zien: een evangelist in tranen.
"Waarom huilt u?" vroeg hij.
Op deze vraag gaf ik een antwoord, waarvan de betekenis pas tot mij
doordrong, toen ik de woorden had uitgesproken: "Omdat ik zo'n
grote zondaar ben." "Maar daar hoeft u toch niet om te huilen.
U zegt immers altijd, dat Jezus zondaars redt?"
In een flits werd deze waarheid een levende werkelijkheid voor mij en
ik werd vervuld met vrede, rust en blijdschap."
"Dat moet de dag zijn, waarop u tot een levend geloof kwam."
"Ja, dat zie ik nu ook. Ik ben blij, dat ik nu anderen zal kunnen
vertellen, hoe ik gered werd. Misschien zal het iemand helpen. Ik wilde
die dag wel naar de samenkomst teruggaan en iedereen toeroepen: 'Jezus
stierf om zondaars te redden.' "
Dezelfde
vraag werd gesteld aan evangelist W., met wie ik ook geestelijk contact
had: "Bent u wedergeboren ?"
"Ik weet het niet."
"Is u nooit iets overkomen, waardoor u weet, dat u vanaf dat moment
een nieuw mens werd?"
"Ja, dat wel. Ik was een tijd erg in de put geweest, ik voelde mij
ongelukkig en huilde veel. Op een dag kon ik mijn tranen niet langer
inhouden en liep huilend door de straten van de stad, de stadspoort door
naar buiten, om een van die eenvoudige gelovigen te bezoeken, die tot
de gemeente behoorde. Hij kon zelfs niet lezen. "
Nadat de evangelist hem zijn moeilijkheden verteld had, zei deze man:
"God wil u zegenen. Nu moeten wij in de bijbel lezen, want daar
vinden wij alle zegen." De eenvoudige gelovige opende de bijbel op
goed geluk en verzocht de evangelist te lezen. Het was de geschiedenis
van Zachéüs.
Zijn uitleg was: "Zachéüs was als u. Jezus wist, dat hij een
zondaar was, die zegen nodig had, net als u. Daarom ging Jezus
met hem naar zijn huis, en hij ontving een zegen. Nu kunt u naar huis
gaan. Jezus zal met u gaan; en u kunt doen, zoals Zachéüs deed. U kunt
met Jezus praten over alle verkeerde dingen, die u in uw hart hebt, dan
zal Hij u zegenen."
De evangelist ging naar huis en deed precies wat hem gezegd was; en de
zegen kwam - vrede met God. Hij werd zo'n blijde christen, dat hij zijn
blijdschap altijd met anderen wilde delen.
"Op dat moment werd u dus wedergeboren."
"Ja, dat besef ik nu ook, sinds u er met mij over hebt gesproken.
"
Mevrouw
G. was een oudere, ontwikkelde vrouw, een van de weinigen, die als kind
had leren lezen. Zij kwam uit een andere streek en woonde vlakbij de
zendingspost. Spoedig was zij een regelmatige bezoekster van onze
samenkomsten en kocht een bijbel. Voor een heidenvrouw had zij een
bijzonder edel karakter, men had geestelijk contact met haar. Op een
vraag of zij behouden was, antwoordde zij: "Ik kon onmogelijk
iedere dag in de bijbel lezen en regelmatig naar samenkomsten gaan,
zonder tot de ontdekking te komen, dat mijn hart vol zonde was. Op het
laatst was ik wanhopig over mijn toestand. Op een zondag hoorde ik van
Hem, Die in mijn plaats aan het kruis gestorven was en op dat moment
werd ik tijdens de samenkomst bevrijd van mijn last. Het was mijn redding,
dat ik naar de stad verhuisde."
Zij hielp altijd degenen, die leerden lezen en die hulp nodig hadden om
het Woord van God te verstaan.
Ongeveer een jaar ging ik door met dit persoonlijk werk in christelijke
groepen, overal waar ik kwam.
Het was niet alleen bijzonder boeiend, maar ook uiterst leerzaam.
Aangezien God mij in dit werk leidde, kan ik Hem alleen maar danken
voor de resultaten. Het gaf mij een nieuw inzicht in de geestelijke
toestand vim de gemeenteleden in de belangrijke periode voor de
opwekking, toen de Heilige Geest in het verborgene Zijn werk deed onder
ons.
Uit
de geestelijke studies, die ik zo verzamelde, kon ik later, toen de
opwekking kwam, praktische voorbeelden halen.
Terloops zou ik willen opmerken, dat dit soort werk niet alleen in
China, maar ook in andere delen van de wereld zeer nuttig zou kunnen
zijn. Men kan dit echter alleen doen, indien men zowel de blijdschap
heeft over het verkrijgen van meer inzicht, als ook de diepe
dankbaarheid, dat men anderen als een begrijpende, medelevende hulp
terzijde mag staan, zij het op nog zo bescheiden wijze.
Dit was een belangrijk onderdeel van onze evangeliebediening voor de
opwekking. Talloze verhalen werden ons in die tijd verteld. Dit is er
een van:
Dominee D. was een bijzonder vriendelijk mens, altijd bezig met zijn
werk in een grote gemeente. Het was een betrouwbaar man, met een warm
hart, vrij van aanzien des persoons, een goede prediker en trouwe herder
van zijn kudde. Zo werd het mij verteld. Nadat ik tweemaal met hem had
gesproken, wist ik, dat ik hem de onvermijdelijke vraag moest stellen,
want ondanks al het goede, dat over hem werd gezegd, waren wij niet op
dezelfde golflengte.
"Bent u wedergeboren?"
Hij antwoordde heel ernstig: "Ik wilde, dat ik het wist. Deze vraag
is allang mijn enige grote probleem." "Wilt u mij precies
vertellen, waar u staat, dan kunnen wij misschien samen de oplossing
van dit probleem vinden."
"Ik heb het gevoel, alsof ik woon in een groot leeg huis zonder
deuren of ramen, waar ik aldoor langs de muren tast om een
uitgang te vinden."
Mijn hart werd vervuld met een grote ontferming en liefde, toen ik hem
moest vertellen, dat hij nog niet gered was.
"Ik ben nooit een zondaar geweest, die een verlosser nodig
had."
Het antwoord viel bijna uit zijn mond.
"Maar dan bent u een blinde leider van blinden."
Zwijgend ging hij weg. Er werd voorbede voor hem gedaan. Een paar dagen
later kwam hij terug. Door de zonde, die ik genoemd had, was hij tot
inzicht gekomen.
"Ik ben een schijnheilige dominee geweest," zei hij. Hij
ondervond, dat hij genade ontving als zondaar en door Christus in de
vrijheid werd gesteld. Daarna maakte hij vele samenkomsten mee en zijn
levend getuigenis van zonde en genade was velen tot een grote zegen.
"Ik, die totaal blind was, ben nu ziende geworden."
Evacuatie
naar de kust, voorjaar 1927
Het jaar 1927 zal lang in onze herinnering blijven als het jaar,
waarin vele buitenlandse zendelingen werden geëvacueerd. Eerst werd
besloten, dat de vrouwen en kinderen en enkele mannen ons veld zouden
verlaten. Ik mocht blijven, wanneer ik dat wilde. Onderdanen van
andere landen waren al op weg naar de kust op consulair bevel.
Voordat een van ons vertrokken was, werd de toestand ernstiger en men
besloot, dat allen zouden gaan. Het leek mij onmogelijk al het nieuwe
leven, dat zich begon te openbaren, achter te laten. Maar God weet
altijd, wat Hij toelaat en Hij toonde mij duidelijk, dat het Zijn wil
was, om met de anderen mee te gaan. Later begreep ik, dat wij nog niet
rijp waren voor de opwekking, die wij verwachtten.
Ik bleef niet lang met mijn medezendelingen in Shanghai, daar ik mij
gedrongen voelde naar Mantsjoerije te gaan. Ik herinnerde mij, dat
Emil Jensen uit Denemarken, een pionierzendeling, daar in Dalny woonde.
Op mijn vraag, of ik hen mocht bezoeken om wat van hun werk te zien,
kreeg ik ten antwoord, dat ik hartelijk welkom was, hoewel zij mij niet
persoonlijk kenden.
Eerste
bezoek aan Mantsjoerije
Zendeling Jensen uit Dalny, nu al lang thuis bij de Heer, had bijna
dertig jaar pionierswerk gedaan in een uitgestrekt gebied. Daar
aangekomen vernam ik, dat er gedurende enkele dagen een gewestelijke
conferentie zou zijn en ik was blij bij de gedachte, deze bijzondere
samenkomsten mee te kunnen maken.
De avond voordat de conferentie zou beginnen, las meneer Jensen mij een
telegram voor, dat juist aangekomen was. Er stond in, dat de bekende
Chinese bijbelleraar, Ds. Chia, die toegezegd had de spreker te zullen
zijn, niet eerder kon komen dan de laatste dag van de conferentie.
Terwijl meneer Jensen het telegram voorlas, liepen er tranen over zijn
gezicht en hij zei: "Ik kan onmogelijk spreken op deze bijzondere
samenkomsten. De afgevaardigden hebben mij al deze jaren tot in den
treure gehoord. Het enige, wat wij nodig hebben, is een opwekking, die
diep gaat en ik had verwacht, dat die nu zou komen. Ik dacht dat,
wanneer Ds. Chia kwam, wij nu de opwekking zouden krijgen. Ik had mij
zoveel voorgesteld van deze samenkomsten. Ik kan niet meer tot hen
spreken, zij hebben er genoeg van om mij te horen." (Later ontdekte
ik, dat in die tijd talloze zendelingen gebukt gingen onder dit gevoel
van mislukking.) Hier was een zendeling in grote nood en ik kon met hem
meevoelen. Toch schrok ik, toen hij zei: "Nu moet u de samenkomsten
overnemen."
De afgevaardigden, die al aankwamen, waren in de verwachting de alom
bekende Ds. Chia te zullen horen en nu kwam het voorstel dat een
vrouw, een onbekende nog wel, tot hen zou spreken. Wat een onmogelijke
situatie.
"Ik moet vanavond alleen zijn, morgen vroeg zal ik u mijn antwoord
geven."
Eerst later begreep ik, dat de toestand, waarin meneer Jensen en vele
andere zendelingen in die tijd verkeerden, het werk was van de Heilige
Geest en een deel van de voorbereiding voor de opwekking.
Die nacht duurde lang. "Hij heeft uitverkoren, dat, wat niets
is" was het woord, dat tenslotte mijn aarzeling overwon. Verder
kwamen twee van Finney's speciale bijbelteksten mij in de gedachten,
die vroeger ook al een grote hulp voor mij waren geweest: "Want wet
doet zonde kennen" (Rom. 3: 20). Deze kennis van zonde hadden wij
nodig in een tijd van opwekking. En dan ook nog Galaten 3 : 24,
"De wet is dus een
tuchtmeester voor ons geweest tot Christus." Voorts vertrouwde ik
op de waarheid, dat "de Geest het Woord gebruikt". Het werd
mij mogelijk op de conferentie te spreken door de kracht, die van al
deze teksten uitging.
Zo stond ik dan de volgende morgen op de preekstoel.
De kerk was tot op de laatste plaats bezet. De mensen waren keurig
gekleed en veel ontwikkelder dan zij, die onze gemeenten in het
binnenland van Chia bezochten. Ik herinner mij niet meer over welke
tekst ik sprak, maar ik weet wel, dat meneer Jensens last ook de mijne
werd. Er was hier maar één ding nodig: een opwekking.
Voor zover ik het kon beoordelen, ging de boodschap er direct in. Alles
leek rijp voor de eerste oogst. Dit werd duidelijk, toen vele
voorgangers om een persoonlijk onderhoud vroegen.
Ds. Chia kwam de laatste dag en loste mij af op de preekstoel. Hij
scheen zich te verheugen over wat hij zag. De heer en mevrouw Jensen
hadden hun handen vol met de zielszorg van hen, die door de prediking
waren aangeraakt.
In
Chefoo
Na mijn eerste korte bezoek aan Mantsjoerije, waar ik zo onverwachts
in het evangelisatiewerk belandde, bracht ik de zomermaanden door in
Chefoo, gelegen aan de kust van Noordoost-China. Ik logeerde bij enkele
vrienden, Engelse zendelingen uit het binnenland. De China Inland
Mission had daar drie scholen voor kinderen van zendelingen, benevens
een ziekenhuis en een sanatorium. Dit leidde ertoe, dat Chefoo als
vanzelf een vakantieoord werd voor zendelingen. De hele zomer was een
geweldige belevenis, want ik ontmoette talrijke zendelingen die met een
even groot verlangen naar een opwekking uitzagen als ik en daar een
gebedslast voor hadden. Of wij nu met velen of weinigen waren, wij
spraken altijd over de geestelijke toestand van de gemeenten en kerken
en de geestelijke vernieuwing, die zo broodnodig was.
In Chefoo hoorde ik ook van vele zendelingen, die ik nog nooit ontmoet
had en die erg alleen stonden met hetzelfde grote probleem: een
opwekking in China bewerkt door de Heilige Geest. En zij baden daarvoor
met volharding. Een van deze "alleenstaanden" was pas twee
jaar geleden naar China gekomen om een zendeling te vervangen, die naar
huis moest. Hij deed zijn werk met behulp van een tolk. Hoewel ook hij
inzag, dat er een geestelijke opleving moest komen, werd al zijn tijd in
beslag genomen door zijn werk. Op een gegeven moment bracht een van die
tropische infectieziekten - cholera of pokken - hem op de rand van de
dood. De dokter gaf toestemming, dat de andere zendelingen buiten voor
het open raam mochten staan om hun stervende vriend voor het laatst te
zien. Terwijl zij daar stonden, hoorden zij hem bidden: "Heer,
wanneer U mijn leven spaart, zal ik veel tijd nemen voor gebed
overeenkomstig Uw wil" Vanaf dat ogenblik nam zijn ziekte een
gunstige wending. Hij hield zijn belofte en bracht verschillende malen
per dag uren door in gebed. Hij had een gebedslast voor opwekking.
Ik verheugde er mij bijzonder over, toen ik ontdekte, dat over heel
China verspreid mensen geroepen waren tot deze voorbededienst. Dit was
Gods plan, Zijn werkwijze. Al Zijn medearbeiders moesten in de juiste
verhouding tot Hem staan, voordat Hij de opwekking door de Heilige
Geest kon geven en wij die konden ontvangen. De periode van wachten en
bidden bracht ons tot de rijpheid, die nodig was, voordat God onze
gebeden kon verhoren.
Laura Möller beschreef deze tijd in haar boek, By Faith in God, als een
gebedsopleving in Chefoo.
Ik maakte daar de eerste kleine opwekking onder zendelingen mee. Enkele
Amerikaanse zendelingen hadden mij gevraagd bij een kleine samenkomst.
Een van hen ging steeds slechter zien en had gevraagd, gezalfd te
worden met olie door haar eigen man. Na afloop van de zalvingsdienst
baden de elf of twaalf vrienden nog een lange tijd samen. Wij lagen
geknield in een kring. Na een tijdje bemerkte ik, dat er achter mij wat
gebeurde en omkijkend zag ik, dat twee of drie zachtjes met elkaar
fluisterden. Zij waren bezig onopgeloste grieven met elkaar uit te
spreken. Zo'n werkelijkheid was de Heilige Geest in ons midden, wij
voelden Zijn tegenwoordigheid. Toen wij tenslotte de samenkomst beëindigden,
kwamen wij tot de ontdekking, dat in de keuken, die door de gang
gescheiden was van onze kamer, de Heilige Geest ook werkzaam was
geweest onder de Chinese broeders en dat deze overtuigd werden van
zonde. Dit maakte diepe indruk op ons allen. Het was het eerste kleine
begin van een opwekking, die, voorzover ik kon nagaan, uitgroeide tot
de grootste opwekking, die ooit in China heeft plaatsgevonden. Ik hoorde
later, dat de vrouw haar gezicht terugkreeg.
Vroeg in het najaar gaven de verschillende consulaten de zendelingen
toestemming naar hun posten terug te keren. Na deze gebedsopleving
ervaren te hebben gingen zij terug, met het vaste voornemen gebedsgroepjes
te vormen onder voorgangers en anderen, die dagelijks bijeenkwamen op
het meest geschikte uur. Zelfs het erop uitgaan om het evangelie te
verkondigen werd ondergeschikt gemaakt, zowel door de zendelingen als
door de Chinese evangelisten, aan de dienst, die zo verwaarloosd en
juist van zo'n essentieel belang was: een eenparig gebed voor een
opwekking, die het werk is van de Heilige Geest.
In
Peking
Gods Geest had mij duidelijk geleid tot een reis naar Shansi met S.R.,
maar daar de tijd onrustig was, kwamen wij niet verder dan Peking.
Hij, die voor ons zorgt, en aan Wien alle huizen in Peking toebehoren,
gaf een wonderbare oplossing. Ik kreeg een kamer voor mijzelf in het
huis van een Hollandse christelijke familie. Meneer Kok was de
secretaris van het gezantschap en hield zondags samenkomsten voor
Chinezen in zijn grote zitkamer.
S.R. vond een kamer bij een paar Zweedse vrienden, met wie zij veel
geestelijk contact had. Zij waren ook geëvacueerd en hoopten terug te
keren naar Shansi. Beiden vonden wij werk in de stad en omgeving. Ik
werd geleid in "werken, die tevoren bereid waren" (Eph. 2 :
10) en ik zal nu vertellen over drie plaatsen, waar de Heer mij bracht.
De
tapijtenfabriek
Het was interessant kennis te maken met een fabrikant van mooie
Oosterse tapijten.
"Ik ben deze fabriek eigenlijk begonnen om jongelui regelmatig
onder christelijke invloed te brengen," zei hij, "maar ik heb
er nog geen een tot bekering zien komen. Als een van u kan komen om
samenkomsten te houden, wordt het weven stopgezet en u kunt net zoveel
tijd krijgen als u maar wilt."
Zo werd afgesproken, dat wij daar iedere dag bijeenkomsten zouden
houden. Er kwamen ongeveer twintig jongens en nog anderen, die op de
gebedslijst van de fabrikant stonden. Wij spraken tot harten, die openstonden,
want door de gebeden van de fabrikant en van de leden van de gemeente,
waartoe hij behoorde, was het voorbereidend werk gedaan voor de oogst,
die wij mochten binnenhalen. Het was als het oogsten van rijp graan op
de akker. Wij voelden beiden, dat de Geest het Woord gebruikte en zagen
het aan hun gezichten. Iedere dag werd ik herinnerd aan de woorden,
oudtijds gesproken: "Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats,
waarop gij staat, is heilige grond." Onze Zweedse vrienden, bij wie
S.R. logeerde, waren een klein gebedsleger, waar wij altijd op konden
rekenen en wij, die erop uittrokken om te oogsten, hadden hen nodig.
De eigenaar van de fabriek was intens blij.
"Hier heb ik nu jaren naar verlangd en voor gebeden. Het is
werkelijk boven verwachting, dat er opeens zoveel gebeurt."
Later vertelde hij ons, hoe geweldig het was, met deze kleine groep, die
God hem gegeven had, zondags naar de kerk te kunnen gaan.
De
blindenschool
Het was een belevenis om een vroegere zendelinge uit het binnenland
van China, die ik kende, terug te zien. Zij en haar man stonden aan het
hoofd van een school voor blinden in de buurt van Peking. Zij hadden
ook gebeden, dat de blinde jongens, die al die tijd het evangelie hadden
gehoord, het eeuwige leven mochten ontvangen.
Ook hier "waren de werken tevoren bereid". Er was in het
bijzonder gebeden voor de Chinese lerarenstaf en hun harten stonden
open. Wij brachten gezegende uren door met het behandelen van het
onderwerp: zonde en genade. Persoonlijk moest ik tastend mijn weg vinden
temidden van deze ongewone groep toehoorders, maar ik was mij
voortdurend bewust van de leiding van de Heilige Geest. De oudste leraar
kwam het eerst tot overgave en werd onmiddellijk een geestelijke hulp
voor zijn leerlingen.
Een van de leerlingen zal ik niet licht vergeten.
"Ik heb het hart van een dief en ik steel maar en steel maar."
Het viel mij moeilijk het gesprek voort te zetten: ik was verbaasd en
met ontferming bewogen.
"Van wie steel je dan?"
"Van iedereen hier op school."
"Maar hoe kan je stelen, als je niets ziet?"
"Het gehoor neemt de plaats in van het zien bij mij."
"Maar je kan niet houden wat je steelt, je bent blind."
"Nee, dat is het juist. Er is een diepe vijver in de buurt, even
buiten het schoolterrein. Ik moet de dingen bijna altijd direct
weggooien."
Hij was diep wanhopig over zijn zonde en bleek werkelijk bekeerd te
zijn. Het viel de anderen niet moeilijk hem te vergeven. Zij hadden te
worstelen met de noden van hun eigen hart. Voor zover ik weet, was de
jongen vanaf dat moment genezen van kleptomanie.
Op een morgen vertelde de oudste leraar, stralend van blijdschap door
zijn wedergeboorte, mij het volgende verhaal: "Gisterenavond,
toen ik de avondsluiting voor de jongens leidde, zei ik, dat redding
is als een reddingslijn, die vanuit de hemel naar beneden hangt en dat
wij die stevig moeten vasthouden. Toen ik later alleen op mijn kamer
was, voelde ik mij zo ongelukkig, over wat ik had gezegd, dat ik hardop
kreunde, maar ik kreeg er geen licht over.
"Tenslotte viel ik in slaap en in een droom ontving ik de oplossing
van het probleem. Ik zag een grote hand, die uit de hemel kwam en in die
hand de handen van de jongens, die gered waren. Bij het ontwaken hoorde
ik mijzelf uitroepen: "Halleluja, halleluja!" Vanmorgen heb
ik weer tot de jongens gesproken en de prediking van gisteravond
verbeterd. Ik vertelde hun, wat ik gezien had in mijn droom. Hoe blij
was ik, toen ik de woorden las: "Niemand kan iets roven uit de hand
des Vaders" (Joh. 10 : 29); en begreep dat wij veilig zijn
in die hand, zolang wij dat zelf willen."
De directeuren zeiden later, dat het een hele nieuwe school was geworden
om in te werken.
Op
een theologische school
De directeur, een doctor in de theologie, zag er bedrukt uit.
"Wanneer hier geen opwekking komt, kunnen wij deze school wel
sluiten en naar huis gaan. De studenten zijn een wilde bende."
"Zijn zij allemaal zo?"
"Er is één uitzondering, maar zelfs hij gelooft niet, dat Jezus
de Zoon van God is, ondanks al onze pogingen om hem te helpen."
"Wordt er voor hen gebeden in uw zending?"
"Ja, wij hebben onze wekelijkse gebedssamenkomsten. "
"Mag ik de gebedssamenkomst meemaken, voordat wij verder iets
afspreken?"
Het was een grote Amerikaanse zendingspost. Er kwamen drie mensen naar
de gebedssamenkomst, bovengenoemde directeur en twee oudere
vrouwelijke zendelingen. Het was een onbeschrijfelijk dorre bidstond.
De directeur moest geconfronteerd worden met het simpele feit, dat een
onmisbare voorwaarde voor opwekking is een levend, onafgebroken,
dringend gebed en dat het anders onmogelijk is een geestelijke opleving
te verwachten.
Op weg naar huis hoorde ik plotseling duidelijk de woorden: "Je
hebt voorbidders." Ik dacht direct aan de Zweedse vrienden. De zaak
werd hun voorgelegd, en zij, die tijd beschikbaar hadden, waren bereid
deze voorbededienst op zich te nemen.
Waar moesten wij een plekje vinden om te bidden? Geëvacueerde
zendelingen hebben nooit veel plaats tot hun beschikking, maar er werd
ruimte gemaakt in een nogal vol berghok onder een trap. Wij rangschikten
de grote en kleine koffers zo, dat zij als zitplaatsen konden dienen.
Daar kwamen zij overdag, voorzover zij tijd hadden, bijeen voor gebed en
altijd ’s avonds tijdens de samenkomsten op de school.
Het huis, waar ik woonde, lag wat verder weg, zodat ik maar eenmaal
per dag erbij kon zijn.
De directeur was erg blij, dat er diensten zouden zijn voor de jongens.
De eerste avond sprak ik als tegen een muur. Zij vonden mij belachelijk,
zoiets als David, toen hij tegen Goliath ten strijde trok. De studenten
waren hoogmoedig en laatdunkend en "hadden opdracht gekregen naar
de kapel te gaan om een vrouw aan te horen." Zij deden arrogant en
waren kennelijk geamuseerd over het schouwspel, dat zij moesten bijwonen.
Na afloop stormden zij joelend en lachend naar buiten en gingen zelfs
zover, dat zij elkaar de teksten, in de samenkomst aangehaald, spottend
toeriepen. Hun stemmen waren zo luid, dat de spreekster, die alleen
achtergebleven was in de kapel, hen wel moest horen. Zij waren inderdaad
"een wilde bende."
En
toen - op naar het berghok; allereerst om verslag uit te brengen over de
samenkomst en daarna om de voorbidders de eerste namen door te geven,
die zij in hun gebeden konden noemen. Zij hadden gevraagd zo snel
mogelijk de namen van de studenten te krijgen. De eerste naam was
"de spotter". Nooit tevoren had ik zo'n bidstond meegemaakt.
Hier volgen enkele van de gebeden, die opgezonden werden tot God voor
"de spotter", die blijkbaar de bendeleider was.
"Heer, Gij hebt in Uw woord gezegd, dat het hart van de koning is
in Uw hand als waterbeken, wij dragen dit hart nu aan U op om het
daarheen te leiden, waar het U behaagt (Spr. 21 : 1). U kunt het doen en
wij danken u daarvoor. Wij vertrouwen erop, dat deze dagen iets met hem
zal gebeuren."
"Heer, wanneer U zijn hart op geen andere manier kunt bewegen,
houdt hem boven de hel, zodat hij die onder zich ziet gapen."
Dit gebed lijkt koud nu het gedrukt staat, maar de geest, waarin het
gebeden werd, was aangrijpend; het kwam uit een hart, dat met diep
erbarmen worstelde voor de redding van "de spotter".
Er werd ook speciaal gebeden voor "de twijfelaar". Hij was de
enige, onder de studenten, die het ernstig meende.
"Laat Jezus alles worden voor "de twijfelaar", laat de
naam van Jezus de dierbaarste naam worden, die hij kent. Laat Jezus zijn
boodschap tot zijn volk worden."
De directeur en de andere leraren werden allen in gebed gebracht. Achter
de gesloten deur van dat berghok werd gepleit op de beloften van God.
Hoewel wij er met elkaar niet over spraken, hadden wij sterk het gevoel,
dat de Heilige Geest onder de studenten zou gaan werken en waren vol
vertrouwen, dat er iets ging gebeuren.
De
volgende avond voor de samenkomst, vertelde de directeur mij, dat een
van de leerlingen niet kon komen, omdat hij ziek was. Moesten zij een
dokter roepen?
"Wanneer zijn temperatuur en pols normaal zijn, is dat toch niet
nodig?" Er werd niet meer over hem gesproken.
Met verbazing, vreugde en dankbaarheid bemerkte ik, dat bijna de hele
groep luisterde, zij het misschien met tegenzin. Het leek er op dat
"de spotter" bezig was zijn leiderschap te verliezen en
wanhopige pogingen deed om het te behouden. Na de samenkomst was er geen
abnormale luidruchtigheid, zoals de vorige dag.
Na die avond werd er ook in het bijzonder gebeden voor "de zieke
student".
"Laat hij zich zo ziek voelen, dat hij leert, hoezeer hij Jezus
nodig heeft, geef hem nieuw leven, eeuwig leven."
"Herinner hem aan al zijn zonden vanaf zijn prilste jeugd, stal die
zonden voor hem uit als waren op een toonbank."
"Breng hem in zo'n toestand, dat hij vastbesloten is, het volkomen
met U in orde te maken."
"Plant Uw tweesnijdend zwaard in zijn hart en draai het rond, zodat
hij de pijn ervan voelt."
Dat waren enkele van de gebeden, die die avond voor de zieke student
gebeden werden.
De
avond daarop waren er geen spottende gezichten meer. De zieke student
had de hele dag in bed gelegen, maar hij zou naar de samenkomst komen.
Na de toespraak stond een van de studenten op en vroeg, of hij iets tot
de anderen mocht zeggen.
"Jullie noemen mij "de schorpioen" en niet zonder reden,
want die naam past bij mij. Ik had deze dagen een vreemde ziekte. God
riep mij voor Zijn rechterstoel. Jullie weten alles van mij, maar nu
moet ik het zelf uitspreken, ik moet schoon schip maken."
Ik dankte God, dat hij het deed. Hij richtte zich tot iedere student
persoonlijk en bekende, hoe hij hen ieder
op zijn beurt kwaad had gedaan. Het waren geen kleine onbetekenende
dingen. Het waren gestolen boeken, geld, een fiets, enz. Hij beloofde
alles terug te geven. Maar dit was nog het minste van wat hem
bezwaarde. Was de steek van "de schorpioen" giftig geweest, nu
gaf hij zich genadeloos bloot. Alleen Gods Geest kon hem ertoe gebracht
hebben, zo'n bekentenis te doen. Toen hij ophield met spreken, zag hij
doodsbleek. Het leek, of hij nauwelijks meer de kracht had om op zijn
plaats te gaan zitten.
Als op commando, hoewel niemand wat zei, stonden alle anderen op en
liepen zwijgend naar voren. De leraren keken verbijsterd over wat zij
zagen en hoorden. Die avond na de samenkomst werd "de schorpioen"
gered en op zijn knieën prees hij God, die "de goddelozen
rechtvaardigt". Vele studenten drukten de hand van de spreekster
met warmte bij het verlaten van de zaal. Zij gingen zo stilletjes weg,
dat men geen voetstap hoorde, toen zij de trap opliepen.
In het berghok werd de avond besloten met dankliederen.
Een jonge Zweedse zendeling, die inviel voor een van de leraren, ging de
volgende morgen zijn eerste college geven. Toen hij de vestibule
binnenkwam, keek hij om zich heen, of hij wel in het goede huis was.
Hoewel hij niemand zag, voelde hij zo'n verandering in de atmosfeer,
dat hij niet kon geloven, dat het dezelfde school was. Hij had de avond
tevoren een andere samenkomst bezocht en daar hij laat thuis was
gekomen, wist hij niet wat er gebeurd was.
De volgende avond waren alle harten open en ontvankelijk. In de loop
van de dag hadden zij allemaal het getuigenis van de zojuist geredde
student gehoord en wat hij die avond bij de sluiting van de samenkomst
had gezegd, had diepe indruk gemaakt.
"Ik was blind en ben nu ziende geworden. Ik heb een Verlosser
gevonden voor al mijn zonden. Jezus is begonnen; Jezus zal het
voltooien. Een geweten, dat bezwaard was door schuld, is gereinigd,
mijn zonden zijn uitgewist."
Zijn laatste woorden waren: "Niemand van jullie moet nu van deze
samenkomst weggaan zonder Jezus. Denk eens aan, dat wij zo'n kans
gekregen hebben!”
Er
volgden drukke dagen, ook voor sommigen, die in het berghok waren
geweest. Zielen in nood moesten geholpen. De eerste die kwam was
"de twijfelaar". "Ik kan onmogelijk geloven, dat Jezus
meer is dan de beste mens, die ooit geleefd heeft."
"Maar je gelooft toch, dat God God is?"
"Ja, daar heb ik nooit aan getwijfeld."
"En je gelooft alles, wat Hij gesproken heeft, zoals het in de
bijbel is opgetekend?"
"Ja, natuurlijk, daar heb ik geen moeilijkheden mee." Wij
gaven hem een bijbel in handen en hij las zelf de indrukwekkende woorden
van Lucas 3: 21,22 en Mattheus 17 : 5 "Gij zijt Mijn Zoon, de
geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen" en "Deze is mijn Zoon,
de geliefde, in Wien Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!"
Lange tijd zat hij te draaien op zijn stoel zonder een woord te
zeggen. Plotseling gebeurde het wonder. De Geest maakte het Woord
levend voor hem, men kon het aan zijn gezicht zien. Geruime tijd zat hij
met gesloten ogen. Iemand klopte op de deur.
"Laat niemand binnenkomen en mij storen," zei hij, "ik
zit hier in tegenwoordigheid van mijn hemelse Vader."
Hij mocht rustig blijven zitten, zolang hij dat nodig had en verliet de
kamer met vrede in zijn hart. Later werd van hem verteld, dat
"hoort naar Hem" zijn boodschap was aan zijn volk.
De
volgende die kwam was "de spotter".
"Ik heb ellendige dagen achter de rug. Wat hebben wij een genadig
God, geen moeite is Hem te veel om Zich de levens toe te eigenen, waar
Hij de losprijs voor betaald heeft. Hij hield mij boven de afgrond van
de hel. Daar zag ik mensen, die ik kende. Daar is wanhoop en
zielsangst. Hij wil mij daarvoor bewaren."
Dit trotse hart maakte een pijnlijke crisis door, maar hij was oprecht
en ondervond persoonlijk, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon,
reinigt van alle zonde en goddeloosheid.
Een paar jaar later ontmoette ik hem weer. Hij vertelde mij toen, dat
hij na zijn bekering alle kerken bezocht had, waarin hij als student
gepredikt had en om vergeving had gevraagd.
"Hij, die toen tot u sprak, was een goddeloos man," had hij
gezegd en hij besloot zijn verhaal: "Sindsdien zijn er velen in die
plaatsen tot een persoonlijk geloof gekomen."
Zij kwamen een voor een, die "wilde bende", hoewel het leek,
dat drie van hen niet diep genoeg overtuigd waren van zonde. Gods Geest
werkte ook machtig onder de leden van de staf, maar blijkbaar waren de
kosten te hoog om dezelfde weg te gaan als de "wilde bende".
Later kreeg ik bemoedigende berichten over het werk, dat deze nieuwe
"vissers van mensen" deden.
De dappere, gelovige voorbidders, die gehoorzaam doorgingen met bidden,
waren de kanalen die door de Heer van de oogst gebruikt werden, zodat de
Heilige Geest, die gekomen is "om de wereld te overtuigen van
zonde" juist deze "wilde bende" met hun volkomen
ontoegankelijke harten kon bereiken. Wat onder deze studenten
plaatsvond, zou nooit gebeurd zijn, wanneer de groep voorbidders er niet
geweest was. De Heer wil, dat wij onder andere op deze wijze Zijn
medearbeiders zijn.
In
de provincie Shansi
Na ruim tien maanden gewacht te hebben kon ik met S.R., die deze
streken goed kende, naar Shansi reizen. L.M., die al eerder in Shansi
aangekomen was, had gebedsgroepen voor opwekking gevormd. Zij schreef
over deze tijd van voorbereiding: "Wij bemerkten, dat de
gebedsopleving in Chefoo vrucht droeg."
Een week lang hadden wij tweemaal per dag samenkomsten op de
zendingspost van L.M. Hierover vermeldde zij: "Velen werden
overtuigd van zonde en kwamen tot een persoonlijke ervaring van redding
en bevrijding. Het was heerlijk om de Heilige Geest aan het werk te
zien."
L.M. maakte later de samenkomsten op de post van S.R. mee en daarover
schreef zij: "Ook in deze grote gemeente werden velen geestelijk
vernieuwd en velen kwamen tot een levend geloof. Sommigen waren zo diep
overtuigd van zonde, dat zij niet konden eten of slapen, voordat zij
bevrijding vonden van deze zondelast. Een man vroeg: "Wat
betekent het om wedergeboren te zijn?"
"Wanneer u wedergeboren bent, weet u wat het is," kreeg hij
ten antwoord. Na een slapeloze nacht in gebed doorgebracht te hebben,
kwam hij met een stralend gezicht terug en zei: "Nu weet ik
het."
S.R. had ook een verslag over deze samenkomsten geschreven: "Op
onze post was een grote gemeente, maar niet veel geestelijk leven.
Enkelen waren werkelijk behouden, waaronder velen van de vrouwenbijbelklas,
maar wij zagen uit naar grotere dingen. Vier jaar lang hadden wij
dagelijks bidstonden voor opwekking gehad met de Chinese leiders. Wij
wisten dat de opwekking moest beginnen in onszelf, de dienaren van de
Heer, en dat er veel afgebroken en opgeruimd moest worden om open
kanalen te zijn voor de stromen van levend water, waar wij voor baden.
En God was ons zeer genadig. Hij gaf ons, waar wij om vroegen. Wij zagen
Zijn wonderbaar werk in ons midden. Eerst nodigden wij de vrouwen uit
voor bijzondere samenkomsten. Ongeveer honderd kwamen vol verwachting
bijeen, hun harten waren voorbereid. Zij werden niet teleurgesteld. Er
was een diep zondebesef en een heerlijke ervaring van Gods genade. Dag
en nacht weerklonken de dankliederen van hen die zojuist tot geloof
gekomen waren.
"De grote vraag op dat moment was: ben ik wedergeboren? In die
tijd ondervonden alle leiders, dat Gods Geest hun harten doorgrondde.
Wanneer zij bereid waren in de goede verhouding te komen met God en met
de mensen, kwam na de crisis een grote blijdschap, die opwoog tegen de
moeilijke tijd, die zij hadden doorgemaakt. Ouderling Wang zei vol
dankbaarheid: "Wij hebben nu een nieuwe gemeente." De opwekking
verspreidde zich naar de nabij gelegen posten en op de samenkomsten
waren zij, die net wedergeboren waren, of een vernieuwing van hun
geestelijk leven hadden ervaren, tot een bijzondere zegen voor anderen.
Hun levende getuigenissen waren van groot belang en hadden tot gevolg,
dat velen hun Verlosser vonden."
S.R.
en L.M., beiden Noorse zendelingen, vergezelden mij naar menige andere
post in Shansi, waar de Zweedse vrienden uit de Pekingdagen werkten en
naar posten, die behoorden tot de zgn. Albert Lunde Zending. Hun hulp
was van onschatbare waarde.
Overal werd de eerste dag gewoonlijk gebruikt voor een bidstond met de
zendelingen en voor besprekingen over de komende samenkomsten.
Wij herinnerden elkaar eraan, dat wij moesten oppassen geen onrijpe
vruchten te plukken. De eerste dag hadden wij ook de gelegenheid om met
de Chinese leiders, mannen en vrouwen, een persoonlijk gesprek te
voeren.
Soms moest ik zelf al weg, voordat de opwekking kwam, maar wij hadden
altijd de zekerheid, dat het zou gebeuren en zij, die achterbleven,
wisten, dat zij moesten doorzetten totdat de oogst binnen was. Gewoonlijk
begon het binnen twee of drie dagen.
Een ding was overal hetzelfde. De zendelingen waren zeer bezwaard over
de geestelijke toestand van de gemeenten en hadden steeds gebeden, dat
Gods Geest onder de mensen zou werken. Wanneer de verhoring kwam, was
het bijna altijd "oneindig veel meer dan zij gebeden of beseft
hadden."
Ik zou bladzijden kunnen vullen met herinneringen uit deze weken, maar
één post wil ik vermelden" Een tijdlang waren daar bidstonden
gehouden en op een dag kregen wij een brief, waarin het volgende stond:
"Wij geloven dat wij nu aan een opwekking toe zijn, daarom hebben
wij besloten vanaf 26 december samenkomsten te houden. Kunt u komen en
meehelpen?"
Wij hadden deze brief verwacht en zo togen L.M. en ik er op uit, tijdig
genoeg om eerst Kerstmis met hen te vieren. Wij hadden die Kerstdagen
een fijne geestelijke gemeenschap. Sommige van de afgevaardigden voor
de conferentie kwamen vroeger en voegden zich bij ons.
De openingssamenkomst werd gehouden op tweede Kerstdag. Er waren velen
gekomen en de meesten voelden zich vermoeid na een lange reis. De kracht
van de Heilige Geest was merkbaar in ons midden en de vreze des Heren
viel op de aanwezigen. Kort na de bijeenkomst kwam de bijbelvrouw
aangerend om te zeggen, dat de afgevaardigden zo vervuld waren van
vrees, sinds zij op de zendingspost waren aangekomen, dat zij erover
spraken de volgende morgen vroeg naar huis te gaan. Zo rijp was alles
voor opwekking. De bijbelvrouwen en wij zendelingen knielden neer en
baden, tot wij omstreeks middernacht de zekerheid hadden, dat God onze
gebeden verhoord had.
's Morgens heel vroeg kwam de bijbelvrouw vertellen: "Het heeft zo
gesneeuwd, er kan onmogelijk iemand naar huis gaan, zij hebben geen
schoenen voor de sneeuw bij zich."
De kerk was die morgen vol en vanaf het begin wisten wij, dat de Geest
het Woord gebruikte. Een van de aanwezigen zei naderhand: "Ieder
woord trof ons hart als een mokerslag; zelfs 's nachts bleven de
woorden, die wij gehoord hadden, doorklinken in onze oren." Een
jonge leraar vertelde later, dat hij, voor de samenkomsten begonnen,
vervuld was van een panische angst, over wat er zou gebeuren wanneer de
opwekking kwam. Bij de bidstond, die gehouden werd voordat wij
aankwamen, toen iedereen bad voor een veilige tocht over de bergen
voor de gasten, had hij in stilte hartstochtelijk gebeden, dat een of
ander voorval hun komst zou verhinderen. En terwijl hij de schoolkinderen
had geholpen het grote "Welkom" boven de kerkdeur te maken,
had hij aldoor gebeden, dat door onvoorziene omstandigheden de sprekers
niet zouden komen.
Men had deze gemeente beschouwd als een hopeloos geval, maar de zusters,
die de leiding op zich genomen hadden, waren hun arbeid op de juiste
wijze begonnen. Vertrouwend op Hem, voor Wie niets onmogelijk is,
hadden zij allereerst tijd genomen voor gelovig gebed en nu kwam het
antwoord.
Wij keken allen vreemd op, toen een man naar voren ging en, tot aan zijn
middel ontkleed, ons zijn rug toonde, die eruit zag alsof er van alle
kanten op geranseld was.
"Telkens weer ben ik geslagen om mij te dwingen misdaden te
bekennen," zei hij, "en ondanks alle geseling heb ik altijd
alles ontkend; maar de Heilige Geest is sterker dan een knoet of zweep
en doet Zijn werk bovendien zo rustig. Nu moet ik alles in orde
maken."
De evangelist op de zendingspost had betere dagen gekend in zijn werk,
maar hij werd nu zeer verzocht. Thans sprak de Geest van God tot hem
door het Woord. Hij zag zichzelf als nooit tevoren en kwam als een
verootmoedigd mens om hulp te ontvangen. Een moeilijk punt was zijn
schoonzoon, de bovengenoemde leraar. Wederzijds hadden zij een wrok
tegen elkaar en zij wisselden nooit een woord.
Ook de angst, die de leraar gevoeld had, was geweken voor het
tweesnijdend zwaard, dat de Geest gebruikte. Hij werd een van de zieken,
die de grote Geneesheer nodig hadden.
"Ik ben een schijnheilig leraar en gemeentelid geweest. Als ik
redding gevonden heb, zal er heel wat in orde gemaakt moeten
worden." Hij huilde, niet uit zelfmedelijden maar uit oprechte
schaamte, toen hij voortging: "Iedere keer, dat ik de evangelist
tegenkom, sta ik stil totdat hij uit het gezicht is; dan spuug ik op
de grond en vervloek hem."
Beide mannen wilden zich met elkaar verzoenen en de twee zendelingen van de post waren stralend, toen het weer goed
was tussen de leraar en de evangelist. Vele gemeenteleden en
schoolkinderen leerden Jezus als hun Verlosser kennen en ontvingen een
grote zegen. Hun gezichten getuigden van vrede en blijdschap.
Een man tussen de zestig en zeventig kwam laat op een avond en zei:
"Velen hebben redding ontvangen."
"Hoe weet u dat?"
"Ik kan het aan hun gezichten zien."
"Ja, maar u weet toch, dat de Heer het hart aanziet."
"Wat ik deze dagen op hun gezichten heb gezien, komt van wat er in
hun harten gebeurd is."
"Wat is er dan in hun hart gebeurd?"
"De zonde is eruit en Gods vrede is erin."
"Hoe gebeurde dat dan?"
"Zij beleden hun zonden en kregen een nieuw hart. Ik wil ook mijn
zonden belijden," en hij knielde neer. Hij bad, heel erg lang. Het
was een dood gebed. "Noemt u dit uw leven in orde maken met
God?" Een moment bleef hij zwijgend zitten, toen ging hij weg. De
volgende dag was hij er weer.
"Gisteren was ik niet oprecht."
"Zal ik weggaan, terwijl u met God spreekt?"
"Nee, dat is niet goed. Ik heb een getuige nodig bij mijn
belijdenis."
En deze keer was het echt. Wij lazen samen de beloften. Hij ontving
vrede en zijn gezicht straalde van vreugde. Ik kon de verleiding niet
weerstaan met hem mee te lopen. Jubelend riep hij tot de groep conferentiegangers:
"De gevangene is vrij, Jezus heeft alles op zich genomen."
Temidden van de anderen begon ook deze bevrijde ziel zijn danklied te
zingen.
Verhinderde
plannen
In april 1929 was ik onderweg om Amerikaanse vrienden te bezoeken,
die ik vroeger in Chefoo had ontmoet. Jaren hadden zij met overtuiging
gebeden voor opwekking op hun zendingsveld in Shantung en hun gebeden
waren zeker niet minder vurig geworden na de weken in Chefoo. Nu dachten
zij, dat de tijd gekomen was en ik moest erbij zijn.
Op weg daarheen werden onze plannen verijdeld en was ik drieëntwintig
dagen de gevangene van zeerovers. De samenkomsten werden uitgesteld,
maar in plaats daarvan kregen de zeerovers een geweldige gelegenheid om
het evangelie te horen.
Het verhaal over deze dagen is te vinden in een boekje, getiteld
Uw hulp is nabij, dat enige tijd geleden verschenen is.
Terug
in Mantsjoerije
In plaats van naar Shantung te gaan, landde ik, na mijn
gevangenschap onder de zeerovers, in Mantsjoerije en bezocht het
Deense zendingsveld. Deze tweede keer ging ik naar vele van hun posten.
Mijn eerste korte verblijf op slechts twee posten had gediend om de weg
te bereiden voor wat nu komen zou. Ook de bezoeken van onze Noorse
zendelinge M.R., die overal waar zij kwam blijvende sporen achterliet,
droegen daartoe bij.
Wat een vreugde de vele Deense zendelingen te ontmoeten, die zo
verlangend waren de Heilige Geest werkzaam
te zien in de gemeenten en kerken. Een van hen sprak uit - wat velen
gedacht zullen hebben - dat zij, zelfs voor haar vertrek als zendelinge,
sterk de indruk had, dat er een groot verschil was tussen de christenen
van het Nieuwe Testament en de hedendaagse christenen. Sinds haar
komst in Mantsjoerije, was dat verschil haar nog meer opgevallen. In
plaats van te beleven, waar zij zo naar had verlangd en voor had
gebeden, werd zij alleen maar geconfronteerd met vernedering,
eenzaamheid en ontmoediging, alsof God haar niet meer nodig had.
Natuurlijk had Hij haar niet verworpen als Zijn kind, maar Hij kon haar
zeker niet gebruiken in Zijn dienst. Zelfs ontbrak haar de moed om haar
werk in Denemarken bij het onderwijs weer op te vatten. Zij dacht, dat
zij misschien op het land zou kunnen gaan werken en helemaal niet meer
onder mensen, daarbij niet begrijpend, dat de Heer bezig was haar te
ledigen teneinde haar te kunnen vullen.
Vele andere zendelingen ondervonden hetzelfde. Deze geestelijke toestand
was inderdaad een van de voorwaarden, waardoor opwekking mogelijk was
"opdat geen vlees zou roemen voor God" (1 Cor. 1: 29). En wat
deze zendelingen, die meenden dat zij afgekeurd waren voor de dienst van
de Heer, later ervaren hebben, was ook de ervaring van talloze
anderen.
Deze zendelinge, die zo wanhopig was geweest, zei achteraf, dat haar weg
geleid was via 1 Cor. 1: 27, 28 ("Wat voor de wereld dwaas is,
heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld
zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; en wat
voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat,
wat niets is, om aan hetgeen wel iets is, zijn kracht te
ontnemen"), via Rom. 8 : 17a ("Zijn wij nu kinderen, dan zijn
wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van
Christus") en via Gal. 3: 13, 14 ("Christus heeft ons
vrijgekocht van den vloek der wet door voor ons een vloek te worden;
want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout
hangt. Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus
Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het
geloof"). Met een innerlijke zekerheid nam zij deze woorden in het
geloof aan en de Heer bevestigde Zijn woord ongeveer drie maanden
later. In plaats van naar huis te moeten gaan als een mislukkelinge,
zelfs niet geschikt voor de geringste geestelijke dienst, werd haar
het voorrecht verleend om tien jaar lang aan één stuk te mogen oogsten.
Onder de Deense zendelingen vond ik ook enkelen, die net als ik, nooit
uit hun gedachten hadden kunnen zetten, wat Gods Geest gedaan had in
Korea en zelfs nog dichterbij, in Mukden, waar hun eigen zendelingen
werkten. Dit had hen geholpen te volharden in gebed en te blijven
hopen, ook al leek alles hopeloos en een mislukking.
Bij mijn eerste bezoek aan Mantsjoerije kreeg ik sterk de indruk en ik
vergiste mij niet, dat de leiders op het zendingsveld, speciaal de
inheemse christenen, de spreekster beschouwden als een
vertegenwoordigster van de binnenlanden van China, met zowel het accent
alsook de wijze van optreden van het Zuiden. Dit werd bevestigd door
iemand, die eerlijk opmerkte: "Onze zendelingen spreken onze
taal." De Mantsjoes zijn van een ander ras, langer dan de Chinezen
en trots op hun nationaliteit.
Bij mijn tweede bezoek was dit anders. Ik kwam regelrecht uit de
gevangenschap bij de zeerovers en zij hadden met de zendelingen samen
gebeden voor mijn bevrijding. Toen ik hun op hun eigen verzoek vertelde
over de ervaringen van die dagen, viel er een scheidingsmuur tussen
ons weg. Het was een wijs raadsbesluit van God, dat de gevangene na
drieëntwintig dagen aan land werd gezet te Dalny in Mantsjoerije. Wat
de Deense vrienden tijdens dit tweede bezoek meemaakten, is beschreven
in een artikel van O.K. in hun zendingsblad Dansk Missionsblad van juni
1929. "De Heer is machtig om te verlossen' (Jes. 63: 1). Wij hebben
tot onze onuitsprekelijke vreugde gezien, hoe de Heilige Geest mensen,
die in de macht van de zonde waren, hiervan overtuigde. Zij vonden hun
weg tot Hem, die in de wereld kwam om zondaars te redden. En daarna
loofden en dankten zij de Heer vol blijdschap, dat zij in de vrijheid
gekomen waren.
"Wij kunnen God niet genoeg prijzen, voor wat Hij voor ons gedaan
heeft. Maar in dit alles heeft Hij ons ook diep vernederd. Eenentwintig
jaar lang heb ik ernaar verlangd mee te maken, dat zondaars God zouden
vinden en werkelijk gered worden. Maar de Geest van God, de enige die
dit tot stand kan brengen, kon in ons midden niet veel uitrichten. Eerst
toen ik geheel verbroken was, zodat de Heilige Geest onbelemmerd kon
werken en Christus in mij een werkelijkheid was geworden, werd alles
anders."
Dezelfde zendelinge schreef later: "Ik kan ook meespreken over de
resultaten van opwekking, daar ik vanaf het allereerste, begin er midden
in stond en God door Zijn Geest in zovele harten en levens zag werken.
Velen werden volkomen bekeerd en anderen werden zo vernieuwd, dat zij
een leven van gemeenschap met God kregen. Zij werden bruikbare instrumenten
en zochten en wonnen anderen voor de Heer. Zij kregen een nieuwe bijbel,
een nieuw getuigenis en een blijdschap en kracht, die natuurlijk van
invloed was op anderen. Zij kregen ook blijdschap om te zingen. Wij
zouden een heel nieuw gezangboek hebben kunnen samenstellen met hun
liederen, die dikwijls gezongen werden op hun eigen bijzondere melodieën,
terwijl hun hart meezong.
"Ik zal nooit de man vergeten, die kwam vragen, of ik hem kon
helpen net zo'n stralend gezicht te krijgen als zij, die in Jezus
geloofden.
"Gods Geest drong diep door in de harten, zoals bij voorbeeld in
het geval van de dominee, die door de Heer werd omgevormd tot een nieuw
instrument voor Zijn doel. En dan was er de bijbelvrouw, die zo veranderde.
Zij ontmoette Christus en Hij vernieuwde haar en zij mocht vele zielen
tot Hem leiden. Alleen al in de kerk in het centrum van de stad werden
velen tot levende, warme, getuigende christenen."
De Heer vergunde de zendelinge dit alles te zien in antwoord op de
gebeden en verwachtingen van vele jaren, nadat zij ontledigd was van
zichzelf en vervuld met Zijn Geest.
Dezelfde zendelinge vertelt van samenkomsten, die elders gehouden
werden. "Het ging hier net zo toe, als op mijn eigen post, jong en
oud werden overweldigd door berouw over hun zonden en knielden neer voor
God. Ook daar zagen wij de vruchten van M.R.'s werk."
Een Deense dominee schreef in 1929: "Er is hier een opwekking aan
de gang, onze gebeden zijn beantwoord, de tijd om te danken en te
loven is aangebroken. De twee hoofdkenmerken van dit gebeuren zijn,
eerst een persoonlijk overtuigd worden van zonde met een volkomen
beleven van de genade van God en daarna, het getuigenis dat gaat van
hart tot hart."
Een ander schreef in het Deens Zendingsblad van december 1929 over een
samenkomst van leiders in zijn district. "Voor ik aankwam, had ik
gehoord over een opwekking onder onze inheemse vrouwelijke werkers, maar
God had veel meer gedaan, dan ik mij had voorgesteld. Van de meer dan
negentig werkers, die bijeengekomen waren, hadden vrijwel allen een
persoonlijke ontmoeting met Jezus gehad en verlossing van Hem
ontvangen."
Hij vermeldde ook samenkomsten in een andere plaats. "Daar zag ik,
wat ik hier tevoren nog nooit gezien had: zielen, die door de Geest
van God verbroken werden en diep overtuigd van zonde. Het was of de
sluisdeuren opengingen, toen de een na de ander zijn zonden begon te
belijden, zonder er acht op te slaan, wie het zou horen. Ik dank God,
dat ik de Heilige Geest aan het werk mocht zien in de harten van mannen
en vrouwen."
De uitgever van het Deense Zendingsblad, Ds. F.N., schreef in februari
1930: "Evangelist C. H. werd op de eerste samenkomsten in D.
wedergeboren. Sindsdien heeft God hem. machtig gebruikt. Voortdurend
worden zielen aan de gemeente toegevoegd. In T. zijn verscheidene
evangelisten tot nieuw leven in Christus gekomen. Velen zijn tot een
levend geloof gekomen en het vuur verspreidt zich. Van verschillende
posten komen meldingen binnen over het werk van de Heilige Geest en
over een groot verlangen en openheid bij de mensen. Wat gebeurt er in
China? Moeten wij nog aarzelen om de woorden aan te halen, die de
apostel Petrus heeft gesproken op de dag van Pinksteren: "Ik zal
uitstorten van mijn Geest op alle vlees"? Verscheidene van onze
zendelingen zijn vernieuwd door een geestelijke ervaring, die zij hebben
gehad. Zij zijn nu tot een volledige overgave aan Christus gekomen en
hebben nieuwe vrijheid en kracht ontvangen voor Zijn dienst."
Het Deense zendingsveld lag in de oostelijke provincie van
Mantsjoerije, maar er waren andere streken in het Noorden, waar de
velden wit waren om te oogsten en de Heer zond vele trouwe Chinese
dienstknechten voor de oogst en gaf hun daar ook de gaven voor. Een
van hen hadden wij Noren de naam "Ludwig Hope" gegeven. In
de laatste jaren heeft hij onuitsprekelijk moeten lijden ter wille van
het evangelie. Behoort hij ook tot degenen, die "waardig geacht
zijn" en die nu thuis zijn bij de Heer? Wij weten het niet. Door
veel lijden heen was hij trouw tot het einde.
Naar
Peitaiho
In 1929, toen ik hielp bij samenkomsten in Port Arthur in
Mantsjoerije, werd het mij duidelijk, dat ik die zomer naar Peitaiho
moest gaan. Peitaiho is een zeer bekend herstellingsoord aan zee in
NoordoostChina, niet ver van de Chinese Muur. Honderden zendelingen
kwamen daar gewoonlijk samen en iedere zomer werden er bijeenkomsten
belegd, waar sprekers uit Engeland, Amerika en andere landen voorgingen.
Ik schrok ervan, toen het tot mij door begon te dringen, dat de Heer
mij misschien daarheen zond om te prediken. Ik was daar niet de
geschikte persoon voor en dat wist ik maar al te goed. Daarom was mijn
antwoord: "Heer, wanneer ik daarheen moet, leidt U het dan maar;
ikzelf doe geen enkele stap in die richting."
Een week later kwam er een telegram van de leider van de conferentie in
Peitaiho, waarin ik uitgenodigd werd de zomer daar door te brengen. Een
van de vrouwelijke zendelingen, die ik in Chefoo had ontmoet en die
met verlangen uitzag naar een opwekking, behoorde tot de leiders van
de conferentie in Peitaiho en had voorgesteld mij te vragen.
Ik ging niet erg enthousiast op weg. Mijn enige troost was: God is God,
Hij is niet zoals wij zijn, Hij verkiest dat, wat niets is. Maar het was
niet prettig om daarheen te reizen, terwijl je jezelf zo'n nul voelt.
De trein kwam 's avonds laat aan. De ongelukkige reizigster werd
afgehaald door een nieuweling op het zendingsveld, die die zomer als
manusje van alles moest optreden in het leidershuis. Hij was een vlotte,
wat zelfingenomen Amerikaan en vond mij direct een saaie, weinig
elegante vrouw. Voordat wij het huis bereikten, had hij al genoeg van
mij, dat was duidelijk merkbaar.
Een van de bekende zendingsleiders, die er zijn reden voor had om te
vragen, of hij naast mij aan tafel mocht zitten, kwam tot precies
dezelfde conclusie. Hij was ook gauw op mij uitgekeken. Weer was het
volkomen begrijpelijk. Ik voelde mij als een mus in een
reigerskolonie. Deze zendeling was een vroom man en een man van gebed.
Zijn naam was bekend onder alle zendelingen in China, ja, zelfs over de
gehele wereld. Net als iedereen had ik werkelijk eerbied voor hem en
zeer zeker ook voor zijn gebedsleven. En ook later achtte ik hem niet
minder hoog.
Hij deed een weloverwogen poging om de vleugels van de mus te kortwieken
en dat deed hij grondig. Ik maakte geen enkele tegenwerping en
verdedigde mijzelf niet.
Het was een zegen, dat ik in dit moeilijke uur direct vond, wat ik het
meeste nodig had, namelijk voorbidders. De eerste morgendienst was
toegewezen aan "de mus", die een vrije keuze had van
onderwerp. Het thema werd gegeven door Hem, die mij gezonden had.
"De kortwieker" zat vooraan, recht tegenover de spreekster. Er
waren twee lege rijen tussen ons. Tijdens de eerste samenkomst kreeg
ik het gevoel, alsof hij veranderd was in een geweldige "Himalaya",
die verhinderde, dat de boodschap de talrijke zendelingen achter hem kon
bereiken. De woorden leken te bevriezen in de ruimte tussen hem en
mij.
De gebedspartners baden hiervoor en de "Himalaya" werd
dagelijks kleiner, totdat er een dag kwam, waarop het ongelofelijke
wonder plaats vond: er was geen "berg" meer, er zat een mens.
Wat onbeschrijfelijk heerlijk. De boodschap van de Heer zonk diep in de
harten. Nadat de toehoorders al uiteen waren gegaan, bleef de spreekster
nog achter om de Heer onmiddellijk uit een overvol gemoed haar dank te
betuigen. Buiten wachtte de "kortwieker" mij op. Hij kwam naar
mij toe met de woorden: "Ik moet u zeggen, dat God mijn hart zegent
door de boodschap die wij krijgen." Later vertelde hij, dat hij
dikwijls hulp nodig had bij het gebed volgens Mattheus 18: 19 ("Ik
zeg u, dat, als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het
hun zal ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is.") en
stelde voor, of ik met hem wilde bidden, wanneer hij daarom vroeg.
Daarna hadden wij samen een paar goede uren van gebed. De meest
godvruchtige en geliefde kinderen van God kunnen zich vergissen, maar
Hij, die meerder is dan ons hart en kennis heeft van alle dingen (1 Joh.
3: 20), verwerpt ons niet, maar zet Zijn werk van genade in ons voort.
Wat een God en Heiland hebben wij! "Want Hij weet wat maaksel wij
zijn, gedachtig, dat wij stof zijn" (Ps. 103 : 14).
Een
nieuwe bediening
De Meester Zelf verwijderde zijn dienstmaagd van het podium voor de rest
van de zomer en leidde mij in werkzaamheden, waar ik zelf nooit aan
gedacht zou hebben. Mijn dagen werden van uur tot uur gevuld met
persoonlijke gesprekken en gebeden met zendelingen, oud en jong. Er
waren mannen en vrouwen onder met verantwoordelijke posities en ook
nieuwelingen. Er was zelden tijd om het avondeten mee te maken en
slechts één keer kon ik een duik nemen in de zee die vlakbij lag. Alle
zendelingen, die om een onderhoud vroegen, hadden één ding gemeen –
zij voelden zichzelf mislukkelingen en ongeschikt voor de dienst van de
Heer. Zij bleven alleen op het zendingsveld, omdat zij wisten geroepen
te zijn. De roeping is werkelijk een zegen en de betekenis hiervan kan
nooit overschat worden.
Nu begreep ik, waarom ik niet bij het onderwijs was gekomen, maar als
evangeliste pionierswerk had moeten verrichten. Wanneer deze
zendelingen mij hun ervaringen meedeelden, beleefde ik opnieuw de talloze
beproevingen, die ik moeizaam had moeten doorworstelen gedurende die
zware pioniersdagen. Het was een zeer bijzonder voorrecht aan anderen de
weg te mogen wijzen, die mij vroeger getoond was, toen ik zelf zo had
gezocht. Ik was in staat hun te verzekeren, dat het Woord van God een
antwoord heeft op ieder probleem, tenminste, wanneer het Woord in onze
levens Zijn plaats krijgt.
In die tijd was de Geest van God aan het werk onder ons en wij wisten
dat. Er vond een wonderlijk rustige gebedsopleving plaats. Het werd een
volkomen normaal verschijnsel, dat zendelingen, die elkaar op de paden
tegenkwamen, een gesprek begonnen en dan samen opzij van de weg in gebed
gingen. Of men zag hen samen buiten bidden. Men zei, dat ook in de huizen
steeds kleine groepjes in gebed waren.
Allen, die deze gebedsopwekking meemaakten, keerden naar hun
zendingsposten terug, vastbesloten om in hun werk allereerst voorrang te
geven aan gemeenschappelijk gebed voor een opwekking en ervoor te
zorgen, dat dit niet op de achtergrond kwam als iets van minder belang,
zoals vroeger zo dikwijls was gebeurd. Hieruit groeide de dagelijkse
gebedsgemeenschap met Chinese medewerkers, wat natuurlijk weer leidde
tot opwekkingen op zendingsposten en in de gebieden rondom,. De belofte
van Mattheüs 18: 19 geeft ons daarvan de verzekering: "Ik zeg u,
dat, als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun
zal ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is."
Naar de provincie Shantung
Er ging een veel langere tijd voorbij, dan ik verwacht had, voordat
de reis, die onderbroken was geworden door de zeeroversepisode,
volbracht kon worden. In de herfst van 1929 ging ik echter weer op weg
om de zendelingen te bezoeken, die ik twee jaar tevoren met zoveel
genoegen had leren kennen, en die behoorden tot een Amerikaanse zending,
de Southern Baptists. Zij waren een groep evenwichtige, goed opgeleide,
diep gelovige zendelingen en hadden jaren met een bewogen hart gebeden
voor opwekking. Ik kwam op een veld, volkomen rijp voor de oogst. Samen
mochten wij nu de oogst binnenhalen.
Na de bijeenkomsten van de eerste paar dagen werd een van de zendelingen
"ziek". Achteraf hoorden wij, dat zij op een nacht alleen op
haar kamer, haar leven in orde gemaakt had met God en verlost was geworden.
Na de ochtenddienst vroeg zij, haar getuigenis te mogen geven aan de
talrijke aanwezigen. Toen vernamen wij eerst, wat er die nacht gebeurd
was. Haar getuigenis was zeer ontroerend. Nadat de samenkomst was
afgelopen en de mensen uiteen waren gegaan, verzamelden de zendelingen
die haar hadden gehoord zich om ons heen en vroegen een verklaring over
deze voor hen onbegrijpelijke situatie. Deze zendelinge werd beschouwd
als de beste van het hele zendingsgenootschap. Hoe was het mogelijk,
dat zij nu eerst haar verlossing ervaren had?
Wij zeiden hun, dat alleen de zendelinge zelf deze vraag kon
beantwoorden en zij deed dat op een heel eenvoudige wijze. In antwoord
op een oproep tijdens een evangelisatiesamenkomst, had zij haar hand opgestoken
en toen gedacht, dat dit de grote beslissing was, terwijl zij het ware
leven niet ontvangen had. Maar nu had zij het nieuwe leven gekregen en
was wedergeboren, nadat zij alles in orde gemaakt had met God en met de
mensen. Zij had brieven geschreven naar haar familie in Amerika en
daarna had zij in geloof Jezus aangenomen, die onuitsprekelijke gave
van God, haar hand leggend op de belofte van Joh. 1 : 12 ("Doch
allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft
Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn naam
geloven").
Een oudere zendeling zei daarop diep bewogen: "Ik herinner mij, dat
ik in mijn studententijd net zoiets heb meegemaakt. Wij beleefden toen
een opwekking. Misschien is dit het begin?" Ik begreep, dat hij
hiermee wilde zeggen, sindsdien geen opwekking meer gezien te hebben.
Alle medewerkers werden aangeraakt door zijn grote bewogenheid en het
gevoel van spanning, dat even merkbaar was geweest, verdween slag.
Een van de zendelingen, M. Crawford, gaf in 1933 een boek uit, getiteld The
Revival in Shantung, en zij schrijft over deze tijd: "De
opwekking ontstond in gebedsgroepjes; sommige begonnen al in 1925.
Door de onrust in het land was openbaar geworden dat een deel van ons
werk in de gemeenten "hooi en stro" was geweest. De werkers en
de gemeenten werden gezegend, iedereen kon het zien. De samenkomsten
waren niet sensationeel of emotioneel. Er was slechts een volkomen
vertrouwen op de beloften van God en dat vooral ook in verband met
Johannes 16: 8, 'En als Hij komt (de Heilige Geest) zal Hij de wereld
overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel'. Velen
maakten een verschrikkelijke tijd door, toen hun ogen opengingen, hoe
God hen zag, verloren in zonde."
Hetzelfde boek haalt een brief van een werker aan over de voortzetting
van de opwekking in 1932: "De
oude hoofdstad van de provincie had nooit zoiets meegemaakt. De
kracht van God was in het bijzonder
merkbaar in gebedssamenkomsten. Eerst wanhoop en tranen over
zonde en daarna grote blijdschap. Later werd een van de professoren van
de universiteit, die in 1929 tot geloof was gekomen, gebruikt voor een
groot werk onder de studenten. Zendelingen, dominees en anderen waren
niet langer tevreden met de geestelijke dorheid in en om hen en werden
vernieuwd en vervuld met de Heilige Geest."
Het was heerlijk de verschillende posten van deze zending te bezoeken.
Men voelde, dat alles voorbereid was door volhardend, gelovig, gericht
gebed. Overal was een grote openheid en wij zendelingen waren één van
geest.
Het boek gaat verder: "Zowel op de theologische school als op de
bijbelschool in Hwanghsien was veel zegen. Alle docenten ontvingen
bijzondere hulp. Het werden volkomen nieuwe scholen. In het ziekenhuis
kwamen velen van de staf tot geloof en sommigen werden vervuld met de
Heilige Geest. Op de zendingspost in het district van Tsining is er
een eenheid onder ons als nooit tevoren. Wij zijn dit jaar tot nieuwe,
ongekende, geestelijke hoogten gekomen. In Laichow en het district wat
daarbij hoort, hebben wij nog nooit zo'n goed jaar gehad. Het is
volkomen onmogelijk om in menselijke taal de nieuwe en wonderbare gemeenschap
te kunnen beschrijven, die wij nu beleven. In Pingtu en bijbehorend
district worden voortdurend zielen toegevoegd aan de gemeente. Men neemt
algemeen aan, dat er ongeveer drieduizend nieuwe gelovigen zijn en
op de andere posten en hun districten gaat het net zo. Alleen de tijd
zal uitmaken, hoeveel van dat alles van blijvende waarde zal zijn, maar
het is duidelijk, dat het leven in de gemeenten vernieuwd is. Levens
zijn geheel veranderd, men is opgehouden met opiumschuiven, afgoden zijn
weggedaan, ruzies van jaren zijn bijgelegd, mannen en vrouwen, die een
hopeloos geval leken, zijn nederige gebedsmensen. en zielenwinners
geworden. Zeer velen hebben hun huizen en hun boerderijen verlaten om
de verlorenen uit hun omgeving te zoeken."
Nooit zal men de aandachtig luisterende menigten kunnen vergeten, die de
grote kerken vulden. Het was een waar wonder om te zien, hoevelen bereid
waren om zich over te geven en te bemerken, dat de ervaring van zonde
en van Gods genade beleefd werd als een grote rijkdom, die weer moest
worden doorgegeven.
Zo was er de kok, die, terwijl hij in de keuken stond, onder tranen
bekende, hoevele malen hij zijn werkgeefster bedrogen had en de
zendelinge zelf, die hem om vergiffenis vroeg, dat zij niet
voorzichtiger was geweest en hem daardoor in de verleiding had gebracht.
Zij waren beiden gelijkelijk overtuigd van hun schuld en achteraf even
blij, dat alles was beleden.
Dan, had je de oprechte Chinese dominee met een goede Amerikaanse
opvoeding en een van nature edel karakter, die tot de ontdekking kwam,
dat hij nooit werkelijk wedergeboren was. Ook hij werd een nieuw wonder
van Gods genade en was daarna een visser van mensen - wat hij tevoren
nooit geweest was.
En dan was er de bekwame, maar zeer hoogmoedige Chinese dokter, waar wij
reeds lang voor hadden gebeden. Hij had twee patiënten, die ernstig
ziek waren en al twintig jaar bedlegerig. Hij zei: "Als zij worden
genezen, dan zal ik mij bekeren." De christenen namen deze
uitdaging aan en kwamen bijeen om voor deze zieken te bidden. Beide patiënten
werden twee dagen na elkaar genezen. Ook deze dokter kwam tot geloof en
werd zo bevrijd van zijn trots, dat hij een nederige getuige van de Heer
werd. Na die tijd kon men hem dikwijls in de armoedigste huizen vinden.
Daar was de beschaafde, ontwikkelde leraar, een lid van de kerk, maar
niet werkelijk wedergeboren. Laat op een avond sloop hij in het donker
naar het huis van de geitenhoeder. Deze geitenhoeder was nu niet direct
de meest intellectuele onder de gelovigen, maar hij wist, hoe hij de
leraar moest helpen om een ontmoeting te hebben met de Verlosser van
zondaars.
Dan was er ook nog de dominee, die woedend met zijn stok op de vloer
stampte en die eruit zag, of hij het liefst ieder te lijf zou gaan, die
durfde te beweren, dat zelfs een dominee niet wedergeboren kon zijn. Op
een dag, toen hij langs een modderige weg liep, kwam Gods Geest met zo'n
kracht over hem, dat hij op handen en knieën neerviel en luid riep om
genade.
Ook een aantal vrouwen en anderen, die bevreesd waren voor de
opwekkingssamenkomsten, omdat zij dan onder ogen zouden moeten zien, wat
er allemaal in orde gemaakt moest worden, kwamen tot Jezus.
Een
welkome gast uit Formosa
De Southern Baptist Mission had nog een veld in China, dat ik ook
bezocht, namelijk in de provincie Honan. Daar ontmoette ik Miss L.
Toen haar later gevraagd werd naar de resultaten van de opwekking in
China dertig jaar geleden, schreef zij: "Onze kerken in de
provincie Honan werden volkomen vernieuwd. Onze Chinese dominee zei
direct na de samenkomsten: "Jaren hebben wij zomerconferenties
bezocht in verschillende provincies voor verdieping van ons geestelijk
leven. Wanneer wij dan terugkwamen, waren onze etterende zweren van
zonde aan de oppervlakte wat gereinigd. Maar ditmaal hebben wij een
behandeling ondergaan, die het kwaad met wortel en al heeft
uitgeroeid."
"In 1950 zei de veldleider van ons werk in Honan en Anhwei, toen
vervolging en marteling tot de orde van de dag behoorde: "Wij
zouden nooit in staat geweest zijn de aanvallen te weerstaan en de
vervolgingen te doorstaan, indien de Heer ons niet de opwekking gegeven
had van de jaren na 1930. Nu kunnen wij weerstand bieden in den bozen
dag (Eph. 6 : 13). Het fundament dat toen gelegd werd, houdt
stand."*(
In latere jaren
kwamen gelijkluidende verklaringen van de leiders van vele
zendingsgenootschappen, die in China werkten, en deelhadden aan de
opwekking in die tijd. M.M.)
"De opwekking kwam voor ons niet onverwachts," gaat Miss L.
verder, "Mrs. H. had al vele jaren gebeden voor een grondig werk
van de Heilige Geest op ons veld in Honan. Na enige tijd sloten drie of
vier zendelingen zich bij haar aan en later nog meerdere. Nadat drie van
onze zendelingen uit Chengchow de Heilige Geest aan het werk hadden
gezien op de zendingsconferentie in Peitaiho, begonnen zij na hun terugkomst
een dagelijkse bidstond in het Engels en een bidstond voor de Chinese
christenen iedere morgen om zes uur. Deze beide gebedsgroepen kwamen
bijeen om te bidden voor opwekking en om de Heer te vragen ons
daarvoor klaar te maken.
"De Heer antwoordde eerst op een wijze, die wij niet verwacht
hadden. In een tijd van crisis voegden enkele van onze werkers zich
bij hen, die de leiders van het land zouden worden. Hierdoor werd het
ongelofelijke feit duidelijk, dat hun geloof in God slechts theoretisch
was en dat zij geen werkelijke geestelijke gemeenschap met Hem hadden
en als het zo gesteld was met de leiders, hoe zou het dan met de andere
leden van de kerken en gemeenten zijn?
"Na vijf maanden van gezamenlijk gebed voor opwekking, tweemaal
daags, kwam het uur waarop God antwoordde. Tijdens deze gebedsperiode
werden de harten, zowel van de Chinezen als van ons zendelingen, tot
in de diepste diepten doorzocht en dat was zeer nodig.
"Toen de opwekking kwam hadden tallozen een persoonlijke
ontmoeting met de Heer Jezus en, omdat Hij hun leven was geworden, werd
hun gebed ook levend en krachtig. Dit alles vond plaats, doordat er
gelovigen waren geweest, die de tijd hadden genomen om te bidden en te
volharden in het gebed, totdat de verhoringen kwamen."
Er waren graduele verschillen in diepte en omvang van de opwekkingen.
Persoonlijk had ik de indruk, dat de opwekking in de Southern Baptist
Mission veel gelijkenis vertoonde met die in Korea.
Ook in Korea waren de zendelingen werkelijk "armen van geest"
geworden wat hun dienst voor de Heer betrof en zij verwachtten het
enkel van God om de "vernieuwing" in de gemeenten te brengen,
die, zoals zij begrepen, moest komen. Tijdens de periode van gebed en
afwachten, die God hun in Zijn genade gaf, "verklaarden zij
zichzelf bankroet". (Zo drukte een oudere zendeling het uit die
daar in die tijd was). Terwijl zij op Gods antwoord wachtten, werden harten
verbroken en gelouterd en samengevoegd door een gezuiverd verlangen om
de Heilige Geest aan het werk te zien.
Het was een onvergetelijke dag, toen de wens van drieëntwintig jaren
vervuld werd en ik eindelijk in het vertrek stond -, om zo te zeggen de
smeltkroes zelf - waar de zendelingen hun dagelijkse bidstonden hadden
gehouden. Alles wat van hen zelf was, werd hun hier afgenomen, totdat
zij in hun eigen ogen "onnutte dienstknechten" waren
geworden en "zichzelf bankroet hadden verklaard". Hier hadden
zij gemeenschappelijk besloten te volharden in gebed, totdat zij een
opwekking zouden krijgen als in Wales of in India. En hun bede werd
verhoord.
Toen de zendelingen te Pingyang in Korea dagelijks begonnen te bidden
voor een geestelijke opwekking, duurde het niet lang, of de Koreaanse
dominees van de grote kerken in een uitgestrekt gebied deden hetzelfde.
Dikwijls begon een dominee alleen en na een tijdje voegden anderen zich
bij hem. De gemeenten, zowel als de zendelingen, hadden het nodig een gebedsopwekking
te beleven, die harten tot verbreking brengt en samenvoegt.
In
de provincie Hopei
Behalve in de reeds eerder genoemde periode in Peking, waren er
later samenkomsten in andere zendingscentra, meer in het westelijk
deel van Hopeh. De meeste zendelingen waren vrienden uit de gebedsopwekkingsdagen
in Peitaiho. In deze centra, zoals ook elders, waren vele zendelingen,
die trouw hun werk hadden verricht, maar moedeloos waren geworden.
Waarom? Omdat de oorspronkelijke opzet, om "zich te houden aan het
gebed en de bediening van het woord" (Hand. 6 : 4) veranderd was in
"de bediening van het woord en gebed". Door het vele werk werd
er zo min mogelijk tijd aan gebed gegeven; ook door gebrek aan inzicht
en geloof in het feit, hoe belangrijk het is in de dienst voor God om
allereerst te bidden. Het gelovige gebed had nu de eerste plaats
gekregen. Zendelingen waren "armen van geest" geworden en
zagen nu in - wat de kern van de zaak is -: "Zonder Mij kunt gij
niets doen" om van zonde te overtuigen en zondaren te redden.
Tijdens de bidstonden, die de samenkomsten voorafgingen, waren zij zelf
klaargemaakt om de opwekking te ontvangen en de instrumenten
daarvoor te zijn.
De uitstekende arbeid, in al de voorafgaande jaren verricht, bleek een
goede basis te zijn voor het werk van de Heilige Geest. Wat een vreugde
te zien hoe de werkelijk wedergeborenen, die voor de eerste maal een
opwekking meemaakten, als vanzelf erop uit trokken om zielen te winnen
en zielszorg te verrichten. Het was duidelijk, dat zij wijsheid van
God ontvingen bij hun zielszorgelijk werk. Voordien hadden zij niet
geweten, dat er zo'n wijsheid bestond en deze zeker niet zelf bezeten.
Hun vreugde over deze gave was in dit stadium zuiver en oprecht en
wanneer zij hierover vertrouwelijk spraken, bevond men zich met hen op
heilige grond.
"Stel je voor, dat wij hier op aarde hebben mogen beleven, hoe de
Heilige Geest de meest hopeloze, verharde harten verbreekt en omvormt,
zodat zij zichzelf zien en veroordelen. Het is bijna te mooi om mee te
maken," zei ouderling S., die vele jaren gewerkt had in een
uitgestrekte gemeente.
Het was als wandelen in werken die tevoren bereid waren (Eph. 2 : 10) en
dan valt het niet zwaar, zelfs niet, wanneer de dagen lang zijn en ook
halve nachten aan de dienst besteed moeten worden. Het was als leven
op hoogten, waar het ademhalen gemakkelijk gaat. Op deze wijze,
bijvoorbeeld, moet John Wesley in staat geweest zijn heel Engeland te
paard te doorkruisen en soms vijf samenkomsten op één dag te houden.
Er ontstond een wondere geestelijke gemeenschap tussen de zendelingen,
die in gebed één waren geworden en de Chinese christenen. "De
Geest van God heeft hierdoor een nieuwe wereld voor ons geschapen,"
zei een Chinese leider stralend.
Nabij
de Chinese muur
Op een tocht naar Kalgan, in het noorden van de provincie Shansi,
nabij de Chinese Muur, bleek dat ook daar, zoals op zovele plaatsen, de
velden wit waren om te oogsten. Enkele herinneringen aan de reizen naar
het noorden en naar Hopei komen mij nu in de gedachten.
Daar was de bijbelvrouw, een persoonlijkheid met een sterk, ernstig en
standvastig karakter. Zij was onder armoedige omstandigheden opgegroeid,
maar trouwde in een rijke familie, die goed voor haar betaalde. De reden
voor dit merkwaardige huwelijk werd verborgen gehouden door hen, die
ervan wisten. Toen de huwelijksfeestelijkheden al bijna afgelopen waren,
zou het twaalfjarig meisje tot de ontdekking komen, dat zij
uitgehuwelijkt was aan een jongen, die meer op een dier leek dan op een
mens. Hij was de enige zoon en de familie wilde zich verzekeren van een
erfgenaam. In paniek liep het kind de eerste morgen na haar huwelijk
in alle vroegte weg. Zij kon niet naar huis gaan, want haar familie had
de betaling voor haar ontvangen. Zo vluchtte zij in haar angst regelrecht
in de armen van een Zweeds-Amerikaanse zendelinge. Die morgen
wandelde, voor de eerste maal in de eeuwenoude geschiedenis van het
land, een zendelinge langs die weg. Deze nam een resoluut besluit om
het meisje uit haar ellende te redden en betaalde het, voor haar
gegeven, bedrag terug. Het meisje ging naar school en kreeg een goede
opvoeding. Zij was altijd de beste leerlinge van haar klas. Nu had ze al
vele jaren de leiding van een weeshuis, een meisjesschool en van het
vrouwenwerk op de zendingspost, zodat de zendelinge haar handen vrij
had voor ander werk. Iedereen beschouwde haar als een moeder en zij
verzorgde mij inderdaad op moederlijke wijze.
Ik maakte daar ook kennis met een evangelist, die het werk leidde in een
grote gemeente. Hij maakte de indruk een wijze en goede vader te zijn
van deze christelijke gemeenschap. Laat op een avond, terwijl wij met
elkaar zaten te praten, zei hij: "De zendelingen hier zijn nog
jong. Ik heb er al zo lang naar verlangd eens vertrouwelijk te kunnen
spreken met een oudere zendeling, mag ik dat vanavond doen? Ik wil het
de jongere werkers besparen mijn geschiedenis te horen, maar ik voel,
dat het niet juist is, wanneer u te goed over mij denkt. "Toen ik jong was, had ik een afkeer van het ouderlijk gezag. Ik
liep weg van huis om een rover te worden, maar in plaats daarvan werd
ik soldaat. Tijdens mijn reizen als soldaat hoorde ik het evangelie en
werd behouden. Ik getuigde tot de andere soldaten en overal, waar ik een
zendingspost vond, bezocht ik die. Zij waren als een tehuis voor mij.
Maar ik voelde, dat ik naar huis moest gaan om de moeilijkheden met mijn
ouders bij te leggen. Toen ik in de buurt kwam waar mijn ouders woonden,
maar nog niet mijn huis had bereikt, ontmoette ik een man van mijn
leeftijd, afkomstig van hetzelfde boerenbedrijf. Hij begon mij te honen,
omdat ik weggelopen was. Ik was verschrikkelijk opvliegend van aard en
weldra waren wij aan het vechten. De afloop was, dat de ander dood op de
weg lag. Er waren geen getuigen, zodat ik niet bang hoefde te zijn
vervolgd te zullen worden. De thuiskomst was niet zo vreugdevol als hij
had moeten zijn, want de christen kwam thuis als een moordenaar. Er
volgde een zware tijd, maar ten laatste geloofde ik, dat ook deze zonde
vergeven was, zoals de zonden van de moordenaar aan het kruis. Zo begon
ik weer te getuigen over Jezus en tenslotte kwam ik hier."
"Hebt u er ooit over gedacht om deze zonde te bekennen en alles
met zijn familie in orde te maken?"
"Ja, dat is altijd in mijn
gedachten, maar tot nu toe zie ik nog geen oplossing."
"Wat zou er gebeuren, wanneer u het bekende aan zijn naaste
familie, zijn vader of broer?"
"Zijn hele familie zou in woede ontsteken tegen mij en mijn
familie. Aan weerszijden zou bloed vergoten worden."
"Gelooft u, dat het juist zou zijn dit alles aan de gang te
brengen?"
"Dat heb ik mij ook afgevraagd."
"U krijgt de raad, die vele anderen onder gelijke omstandigheden
ook gekregen hebben: bid tot God voor de redding van zijn familie, bid
voor een werk van de Heilige Geest in zijn familie. U hebt deze weken
kunnen zien, wat Gods Geest kan doen. En als u de gelegenheid krijgt
zijn familie in tijden van nood te helpen, terwijl u wacht op
verhoring van uw gebed, doe het dan. Ik vroeg eens een bekende spreker,
een dominee in Chicago, wat zijn advies zou zijn onder zulke
omstandigheden en hij gaf dezelfde raad."
De dankbaarheid van de evangelist en het uur, dat wij samen doorbrachten
zal ik niet licht vergeten. "Tevoren heb ik vergeving ontvangen,
maar nu word ik doorstroomd van vrede."
En dan nog een paar woorden over de trouwe evangelist, die woedend
tekeer ging tegen de opwekkingssamenkomsten en speciaal tegen de
spreekster. Hij had haat gezaaid in de harten van hen, die kwamen
luisteren naar het woord. Gods Geest was in ons midden en overtuigde
ook hem van zonde. Naar ik vernam, had hij daarna een heerlijke tijd
samen met de zendeling en zijn vrouw in hun studeerkamer. Tot slot
gebeurde er iets, wat in China in die dagen ongekend was: uit overmaat
van vreugde, dat hij in de vrijheid was gekomen, omhelsde hij hen beide.
Wanneer ik niet van tevoren gewaarschuwd was, zou dit lot ook mij
getroffen hebben en nog wel midden op straat, toen ik hem later
ontmoette!
“De
wereld was hunner niet waardig”(Hebr. 11:38)
Tijdens diezelfde tocht bezocht ik ook de posten van de martelaren in
het noorden. Ik liep daar als op heilige grond. De zendingspost was
weer opgebouwd en er werkten twee Duitse zusters. Op deze plaats was een
hele groep zendelingen omgebracht. Het laatste slachtoffer was een kind,
het dochtertje van twee van de zendelingen. Temidden van alle verwarring
had zij zich verborgen in de stal bij haar dierbare vriend, het kalfje.
De Boxers vonden haar daar de volgende dag en doodden haar meedogenloos.
Alles was met de grond gelijk gemaakt. De Duitse zusters vertelden mij,
dat zij, toen zij terugkwamen, in de grond groeven om te zien, of zij
iets konden vinden. Het enige, wat zij vonden, was een klein stukje van
een bladzijde uit de bijbel, waarop de woorden: "De wereld was
hunner niet waardig". Er waren zeer vele Chinese christenen gedood
in de stad. "Maar," zeiden zij, "ook hier werd het bloed
der martelaren het zaad der kerk."
Gods
tijd was nog niet gekomen
Ik had een groot verlangen naar ons eigen veld in het binnenland.
Regelmatig zonden wij er brieven heen met nieuws over het werk van de
Heilige Geest in de noordelijke provincies, om het gebed voor opwekking
op ons veld te stimuleren. Zo kwam er een dag, dat ik geen leiding van
God had ergens anders heen te gaan en ik verheugde mij erop naar mijn
eigen veld terug te keren.
Op een morgen ging ik naar het station in Peking om een kaartje te kopen
voor de volgende dag. Voordat ik daar aankwam, ontmoette ik drie jonge
zendelingen uit de noordelijke provincie Chahar. Zij zeiden er zeker
van te zijn, dat ik met hen mee moest gaan, daar zij van plan waren al
gauw opwekkingssamenkomsten te houden en de Heer hun de bevestiging had
gegeven over mijn komst.
Ik vertelde hun, dat ik een kaartje ging kopen voor Honan, omdat ik geen
aanwijzing had voor ander werk. Maar bij het afscheid nemen spraken zij
nogmaals de zekerheid uit, dat het Gods wil was, dat ik met hen mee
zou gaan.
Bij het station aangekomen vernam ik, dat er zoveel roversbenden
opereerden langs de spoorlijn naar het zuiden, dat vanaf die morgen voor
onbepaalde tijd geen treinen in die richting zouden lopen. Hierdoor werd
ik overtuigd, dat de jonge zendelingen gelijk hadden en dat Chahar mijn
bestemming was en niet ons eigen veld. In de bijbel staat: "Dankt
onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van
u" (2 Thess. 5 : 18). Dus dankte ik voor deze nieuwe leiding.
De drie jonge werkers waren in de wolken, dat hun zekerheid terecht was
geweest. Zij reisden vooruit en ik volgde een paar dagen later.
Deze drie kregen werkelijk een antwoord op hun gebeden "boven
bidden en beseffen". Ruzies van jaren werden bijgelegd, gestolen
goederen werden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaars, leugens
werden herkend als leugens, veroordeeld door de Heilige Geest en Zijn
oordeel werd aanvaard. Er was diep berouw over zonde en grote
blijdschap over redding en bevrijding. De drie werkers hadden het druk
met allen, die in nood bij hen kwamen.
Vele andere centra in Chahar en Suiyuan werden in die tijd bezocht.
Wanneer de afstanden niet te groot waren, kwamen de pas bekeerden van de
ene plaats, naar de samenkomsten in andere plaatsen. Niemand vroeg hun
dat te doen, zij waren hongerig naar meer. Dit gebeurde ook in andere
delen van China. Hun getuigenissen maakten altijd diepe indruk op de
aanwezigen. Voor de opwekking waren zij niet gewend geweest
persoonlijke getuigenissen over redding en verlossing te horen.
Hoewel er nooit aangedrongen werd op openlijk belijden van zonde dreef
de Geest van God hen daar dikwijls toe. Soms kwamen er ontzettende
dingen aan het licht en de vreze voor de levende God viel op de hele
samenkomst. Iedereen wist, dat dergelijke feiten niet gemakkelijk of
vrijwillig werden uitgesproken.
Er werden ook dingen in het openbaar beleden, die ieder al wist. Een
schoonmoeder bijvoorbeeld stond op en bekende, dat zij haar
schoondochter altijd had gehaat en dat zij haar nooit iets had gegund
en er altijd voor had gezorgd, dat zij niets kreeg van de lekkernijen,
die bij feestelijke gelegenheden in huis waren. Een grote menigte was
bijeen. De schoondochter stond ook op en zei, dat zij nog veel slechter
was geweest dan haar schoonmoeder. "Nee, dat is zij niet, want ik
heb haar zelfs niet de vreugde gegund om een kind te krijgen." Iets
ergers bestaat er niet, zal waarschijnlijk een ieder, die deze
bekentenis hoorde, gedacht hebben. Het was ontroerend deze twee later
op de dag te zien neerknielen met de armen om elkaar heen. Dit is de
enige maal, dat ik in China een schoonmoeder haar schoondochter zag
omhelzen. Nadien was het duidelijk merkbaar, dat de oudere vrouw
werkelijk een moeder voor de jongere was geworden.
Enige
herinneringen van die reis
Op een keer bracht een man een wagen vol gestolen meubilair terug
naar de rechtmatige eigenaar en daarna kende zijn vreugde geen grenzen.
Dan had je de vrouw, die zich zo verdrietig en bezwaard voelde. Zij
was eens naar huis teruggekeerd met al haar buren, nadat rovers hun
bezittingen hadden geplunderd. Zij had een schattig jasje, dat de rovers
hadden laten vallen, gevonden en meegepakt. Zij wist van wie het was en
kon het daarom niet meer dragen of weggeven. Zij had het verborgen onder
de stromatras op haar bed, maar de gedachte eraan liet haar niet met
rust. Op een avond, tijdens de samenkomsten, bond zij het kledingstuk
aan een steen en gooide het in de rivier. Zij had er zich van ontdaan,
maar haar geweten bleef knagen. Later hielp zij om het jasje weer op te
vissen uit het modderige water van de rivier. Zij waste hét ep. ontving
de kracht om het terug te geven aan de eigenares.
En
dan de kok van de zendelingen, die liever wilde sterven dan bekennen,
maar die er niet aan kon ontkomen.
"Denk eens aan, ik mocht blijven, maar zij weten het ergste nog
niet eens," en toen volgde een gedetailleerd verslag over alle
dingen - sommige ervan kunnen onmogelijk vermeld worden - waarmee hij
hun voedsel gekruid had. Wanneer zijn meesteres zo nu en dan klaagde,
dat het eten zo vreemd smaakte, wist hij dat zijn vijandschap hem ertoe
geleid had, iets teveel vuiligheid te gebruiken en, verminderde hij de
hoeveelheid. Dat kwam allemaal, omdat hij de naam van Jezus haatte.
Daarom moesten zij, die deze naam verkondigden, de beledigingen
ondergaan, waar zijn wraakzucht om vroeg. God en Zijn dienstknechten
vergaven hem en hij vond vrede. Hij mocht zijn betrekking houden en
met een brede glimlach zei hij iedere morgen in oprechte nederigheid tot
zijn meesteres: "Het eten is nu niet meer vuil"
Weer
terug op ons eigen veld
Toen de tijd aangebroken was om naar mijn eigen veld terug te keren
en ik mijn lieve vrienden daar zou weerzien, voelde ik dit als een
bijzonder en onverdiend voorrecht. Er was veel gebeden voor een werk
van de Heilige Geest op ons veld en de laatste tijd kwamen de gebeden
echt voort uit een diepe nood.
Ik werd direct hartelijk ontvangen en er was onderling begrip en
vertrouwen. Wij verwachtten het allen van God, die alleen de harten
bewegen kan. Dit besef van geestelijk één-zijn gaf mij onmiddellijk de
zekerheid, dat wij de tegenwoordigheid van Gods Geest zouden beleven
en dat de tijd rijp was voor de oogst. Er volgden onvergetelijke dagen
op alle posten. Iemand schreef hierover naar huis. Enkele dingen wil
ik aanhalen en voeg daarbij enige persoonlijke indrukken.
De meest vermeldenswaardige gebeurtenis was de jaarlijkse conferentie
voor de werkers in Honan. Daar kwam de "élite" bijeen. Zoals
gewoonlijk waren er predikers en leiders uit de gehele provincie gekomen
en voor vele oude vrienden was het een blij weerzien na een lange tijd
van afwezigheid. Zoals altijd, wanneer er veel is gebeden, was er een
grote openheid. Gebed heeft een wonderbare kracht om de harten voor te
bereiden. Ook nu weer werd er gesproken over zonde en genade. Ik citeer:
"Velen kwamen om hulp bij de spreekster, maar werden soms wel drie-
of viermaal weggestuurd, omdat zij nog niet werkelijk in nood waren.
Telkens werd weer gezegd: 'Pluk geen onrijpe vruchten'. "
Na de gewone conferentie waren er samenkomsten enkel voor predikers en
leiders. In het noorden hadden velen gebeden voor deze groep op ons
veld. Het was daar in het noorden al een verlangen van jaren, dat
sommige van onze beste Chinese predikers op ons veld opwekkingspredikers
zouden worden. Het gebed was onder andere geconcentreerd geweest op Liu
DaoSheng en Li Sien-di. Reeds vele jaren was Liu een
conferentiespreker geweest en de mensen hoorden hem heel graag. Hij was
een prediker, die steeds een levende boodschap bracht. Al heel jong was
hij tot geloof gekomen.
Een persoonlijk gesprek met Liu op deze leidersconferentie maakte mij
enorm blij. Hij was ongetwijfeld machtig onder het beslag van de Heilige
Geest. Zo zei hij: "Tijdens deze samenkomsten heb ik aldoor het
gevoel gehad, dat ik wel zou willen wegkruipen onder de bank, waarop ik
zat, of onder de tafel in de donkerste hoek van de kamer, zodat
niemand mij zou kunnen zien. Ik heb mij zo volkomen onwaardig gevoeld
om in deze groep te zijn, ik heb mijzelf en mijn zondigheid in een nieuw
licht gezien. Het was alsof ik alle grond onder mijn voeten verloor. Ik
heb mijn tranen de vrije loop gelaten. Mijn werk als prediker lijkt mij
nu een slag in de lucht toe. Ik heb nooit geweten, hoe een zondaar te
helpen om met God in het reine te komen. Ik ben gewogen en te licht
bevonden. Maar vandaag is de genade van God iets heel kostbaars voor
mij geworden."
Vanaf die tijd werd Liu een visser van mensen en echt een medewerker. In
vele plaatsen kwamen tallozen tot Jezus en werden gered. Liu mocht
samen met enkele anderen de oogst binnenhalen op het Deense
zendingsveld in Honan. Li Sien-di was een zeer begaafd en werkelijk
wedergeboren prediker. Na de samenkomsten zei hij: "Ik ben een
nieuwe Li geworden. "
Ik citeer weer: "Er waren geen opvallende zichtbare resultaten
gedurende de samenkomsten zelf. Emotionele uitbarstingen of openbare
belijdenissen werden noch aangemoedigd noch verhinderd. Alles ging
rustig toe. Maar na de samenkomsten werd het duidelijk, dat de Geest van
God de harten tot in de diepte had aangeraakt en konden wij beginnen
te oogsten."
"De wet, die zonde doet kennen en een tuchtmeester is geweest voor
ons tot Christus, kreeg gelegenheid om slapende gewetens wakker te
maken. Vele Chinese werkers en andere christenen maakten een crisis door
en kwamen zo tot de ontdekking, dat zij gebouwd hadden op zand. Zij zijn
nu nieuwe mensen en nieuwe werkers.”
Het verslag over de leiderssamenkomsten van de posten in Hupeh luidt:
"De Geest van opwekking werkte van meet af aan onder ons. In de
afgelopen tijd waren de harten van zendelingen en Chinese christenen
grondig doorzocht. Velen kwamen tot het inzicht, dat zij op verkeerde
fundamenten gebouwd hadden. Er was droefheid over zonde. Wij hebben
zeker een keerpunt bereikt en een nieuwe maatstaf voor ons werk
gevonden. Wanneer wij de Heer niet in de weg staan om onder ons te
werken, zullen wij grote dingen meemaken."
Nog een aanhaling: "De hele groep werkers kwam in de smeltkroes. De
grote vraag was: 'Ben ik werkelijk behouden?' Het was iedereen
onmogelijk weer aan het werk te gaan, voordat men op dit punt zekerheid
had. Velen maakten zware dagen door. En daarna was er een nieuw
werkersteam. Het vuur schijnt zich te verspreiden naar de
buitenposten."
Het volgende werd twee jaar na de samenkomsten geschreven: "Bijna
al onze posten zijn erbij betrokken. God heeft zowel mannen als vrouwen,
Chinezen en zendelingen gevonden, wier stem Hij gebruikt heeft om
slapende zielen te doen ontwaken. Uit angst dat er iemand doorheen zou
glippen met louter een gevoelservaring zijn sommige Chinese leiders een
beetje star geworden. Men krijgt de indruk dat bijna niemand van de
nieuwe gelovigen teruggevallen is" (1934).
Speciaal in L. was het goed, maar zij waren dan ook een diepe weg gegaan
en dit had zijn stempel gedrukt op de post zelf, op de gemeente en op de
inwoners van de stad.
Na de eerste samenkomst begaven sommigen zich op weg naar huis, toen zij
begrepen waar het om ging. "Maar wij moesten weer omkeren en
terugkomen," vertelden zij ons naderhand. Tot laat in de avond zag
men mannen en vrouwen, alleen, leunend tegen een muur of ineengedoken
met het hoofd in de handen. Zij waren "ziek" en wachtten op
hulp.
Een
medewerker vertelde het volgende verhaal over een van de oudere
gemeenteleden: eerst zat hij tamelijk vooraan, maar het duurde niet
lang of hij zat op de achterste rij, uit angst, dat hij persoonlijk
aangesproken zou worden. Toch ontkwam hij er niet aan. Stampvoetend
van woede liep hij buiten voor de kerk en zei o.a.: "Jaren ben ik
hier geweest als binnen de hemelpoort en nu ben ik regelrecht de hel
ingejaagd." De woordverkondiging achtervolgde hem, waar hij ging.
Na twee jaar wendde hij zich tot de zendeling en vertelde, dat hij
iedere nacht de woorden hoorde: "Gij dwaas, in deze eigen nacht
wordt uw ziel van u afgeëist" (Luc. 12: 20). Aanvankelijk hielp
het hem al om zich uit te spreken; maar eerst later kwam hij werkelijk
in de vrijheid.
Bij
Engelse buren
Er was ook gelegenheid bevriende zendelingen op naburige posten te
bezoeken. Zij en hun Chinese medewerkers hadden ook allang een last op
hun hart, dat de Heilige Geest een opwekking zou bewerken. Op een dag
kwam er een brief, waarin stond, dat naar hun mening Gods tijd om hun
gebeden te beantwoorden was aangebroken. Een van de bijbelvrouwen, die
hier ook zeer over bezwaard was, en er verscheidene dagen voor had
gevast en gebeden, had de zekerheid gekregen, dat de verhoring nabij
was. Binnen enkele dagen zouden de samenkomsten kunnen aanvangen; of ik
kon komen?
Gelukkig kon ik gaan en het werd een bijzonder gezegende tijd, weer
antwoordde God "boven bidden of beseffen". Hij werkte zo
machtig, dat niemand eraan kon twijfelen, wiens werk het was. Een
schoolmeisje, de beste leerlinge van de school, werd op een nacht
plotseling heel erg ziek en was er zich ook direct volkomen van
bewust, dat haar tijd was gekomen om te sterven en naar het Vaderhuis te
gaan. De avond, voordat zij ziek werd, had zij alles in orde gemaakt met
God en met de mensen en die nacht ging zij voor het eerst naar bed als
een verlost mensenkind: Een paar uur later lag zij op sterven en
vertelde iedereen met een verheerlijkt gezicht, dat zij weldra thuis zou
zijn bij de Heer.
Ik zie het blijde kind nog voor mij op het moment, dat zij Jezus als
Verlosser aannam. Terwijl zij nog op haar knieën lag, opende zij haar
bijbel en las Spreuken 28: 13, "Wie zijn overtredingen bedekt,
zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt
ontferming." Zij legde haar vinger op de tekst en zei met een
stralende glimlach: "Ik heb altijd geleefd in de eerste helft van
dit vers, maar nu ben ik verhuisd. Ik heb een nieuw adres, ik leef nu in
de tweede helft."
Zij had die nacht een ernstige hartaanval, maar was de volgende morgen
een stuk opgeknapt. Haar klasgenootjes stonden in haar kamer, bijna
verlamd van schrik en hoorden haar zonder angst en met vreugde zeggen,
dat zij spoedig naar Huis ging; zij zagen de vrede van God op haar
gezicht. Zij riep hen een voor een bij zich.
"Beloof mij, dat wij elkaar in de hemel zullen terugzien. Stel
het niet uit. Denk eens aan, als ik het gisteren had uitgesteld!"
Bij de volgende samenkomst werden harten verbroken en, terwijl wij ons
eerste lied zongen, ging zij het Vaderhuis binnen. Op dat moment was er
blijdschap in de hemel; en later kregen de velen, die in deze gemeente
tot verlossing kwamen, grote blijdschap. Toen de lange begrafenisstoet
door de stad trok, terwijl alle kinderen dankliederen zongen, waren de
toeschouwers langs de weg uitermate verbaasd. Zij zagen een doodkist,
die naar de begraafplaats werd gebracht, maar niemand huilde of treurde.
Overal waar de begrafenisstoet langs kwam, werden vragen gesteld en
beantwoord. In de stoet liepen honderden vrouwen mee, samen met de
leiders van de gemeente en andere gelovige mannen.
Alleen God weet, hoevelen die dit zagen, voor de eerste maal
belangstelling kregen voor het evangelie.
Bij
Zweedse vrienden
Miss Anna Lassesen van onze zending, de Noors-Chinese Zending, was
getrouwd met een Zweedse zen-deling. Zij vroegen mij hun post in de
provincie Hupeh te bezoeken en zij hebben later dikwijls herinne-
ringen opgehaald aan "deze onvergetelijke dagen".
Er was een meisje op de school, de dochter van de Mandarijn*(
Hooggeplaatst Chinees ambtenaar) van die plaats, een hopeloos
moeilijk kind. De ene school na de andere had haar weggestuurd, ondanks
het risico in ongenade te vallen bij de Mandarijn. Tenslotte was aan
de zendelingen gevraagd haar als leerlinge te willen aannemen. Binnen
korte tijd hadden ook zij meer dan genoeg van het meisje, maar besloten
haar te houden tot na de bijzondere samenkomsten. De onderwijzeressen,
die door haar waren geslagen en gebeten, en waar zij allemaal leugens
over verteld had, konden haar niet langer meer verdragen. En zo was het
ook gesteld met de andere meisjes, waar zij nog veel lelijker tegen was
geweest. Tijdens de samenkomsten sprak Gods Geest tot haar. Zonde was
zonde. De zendelingen, de onderwijzeressen en de andere leerlingen
kregen allen een bezoek van het berouwvolle meisje. Iedereen was even
verbaasd over de ongelofelijke verandering. Zodra zij kon, ging zij
naar huis om ook daar alles in orde te maken, "zelfs met de
huisslavinnen" vertelde men vol verwondering. Zij wist haar vader,
de Mandarijn, over te halen om met een groot gevolg naar de samenkomst
te komen. Het was een gelukkige vader, die geen woorden had om zijn
dankbaarheid te uiten over wat er gebeurd was met zijn bezeten dochter.
Een
kind van de Chinese opwekking
Een buitenlander bezocht mij hier in Noorwegen, een blonde, vriendelijke
man, omstreeks de veertig, en vertelde mij het volgende: Hij was een
Zweedse Amerikaan, de zoon van Mr. Lindell, die in China in dezelfde
provincie had gewerkt als ik; Mr. Lindell in het noorden en ik in het
zuiden. Ik had vele werkers leren kennen van de Augustana Zending,
maar nooit Mr. Lindell.
Deze zoon van hem, Paul, vertelde, dat zijn vader hartstochtelijk had
gebeden voor een opwekking. De opwekking kwam twee jaar na diens dood.
Later werden hij en zijn broer zendeling. Zonder het te beseffen waren
zij getuigen geweest van het begin van de opwekking, het antwoord op
de gebeden van hun vader. Tijdens een bezoek aan hun ouderlijk huis in
het noorden zagen de jongens, toen zeventien en negentien jaar oud,
een menigte van wel duizend mensen, vanuit het hele district,
dagelijks bijeen voor samenkomsten. Deze samenkomsten waren niet
tevoren belegd. Toch bleven de mensen maar komen en het Woord werd hun
gepredikt. Dit was al een maand aan de gang. Zij hoorden dat velen zich
diep wanhopig afvroegen of zij wel behouden waren, en alles in orde
maakten met God en de mensen. Zij zagen, dat mensen redding vonden en
hoe hun verdriet in vreugde veranderde. De twee jongens begonnen te
begrijpen, waar de gebeden van hun vader toe geleid hadden. Terwijl zij
het begin van de opwekking op hun vaders post meemaakten, was ik in een
ander centrum van diezelfde zending.
In
Hsüchow
Met vreugde hadden wij uitgezien naar de samenkomsten in Hsüchow.
Het eerste wat mij opviel, was de geest van zachtmoedigheid en
verbrokenheid, die zo duidelijk merkbaar was onder de zendelingen. Zij
schenen allen volkomen vernieuwd. Ik trof daar ook Liu Dao-sheng, die
een onschatbare hulp was bij de samenkomsten, zodat ik meer tijd over
had voor de zendelingen, die met verlangende harten steeds vragen
stelden en luisterden. Zij hadden hun grote geestelijke armoede
ingezien en God zegende hen geweldig. Dit was de laatste post, die ik
in China bezocht. "Het teken", dat ik naar Noorwegen terug
moest waar ik om gevraagd had, was mij gegeven. Ik ben er altijd erg
dankbaar voor geweest, dat ik toen niet wist China nooit weer terug te
zullen zien.
Paul
Lindell
Twee dagen nadat ik Hsüchow verlaten had, kwamen Paul en zijn broer
op de terugweg naar hun school daar aan. Paul vertelde mij, dat de
zendelingen daar, die hij allen reeds lang kende, tot zijn verbazing volkomen
nieuwe mensen schenen te zijn. Hij dacht toen: "Als ik ooit
zendeling word, wil ik graag zijn zoals dit "nieuw" soort
zendeling."
Paul was niet meer dezelfde, toen hij terugkeerde op school. Gods Geest
was begonnen hem te overtuigen van zonde. Na ongeveer drie weken ging
hij naar het hoofd van de school, die hem hielp. Hij kwam tot geloof
en getuigde hiervan al gauw tot de anderen. Een paar dagen later moesten
de lessen worden stopgezet en hadden de leraren hun handen vol om
jongens en meisjes bij te staan in hun geestelijke nood. Er waren
tachtig leerlingen. "Op enkele uitzonderingen na werden allen
bekeerd en zijn sindsdien actieve christenen geweest. De weinigen, die
toen niet behouden werden, zijn het nog niet," zei Paul Lindell.
Na
de opwekking
Later bracht nog iemand van de Augustana Zending mij een bezoek. Zij
kwam van Formosa en was op weg naar Amerika. Zij was niet van plan
geweest over Bergen te reizen en had geen idee, waar ik ergens in
Noorwegen woonde. Maar God had haar naar mij toegezonden.
"Ik ging naar China acht jaar na de opwekking op ons veld,"
zei zij. "God heeft ervoor gezorgd, dat wij elkaar vandaag
ontmoeten," voegde zij eraan toe. Ik zou spoedig begrijpen,
hoe waar dat was. Haar bezoek gaf mij de stimulans, die ik nodig had om
dit verslag over de opwekking te beginnen. "Het was mijn redding,
dat ik leefde temidden van de vruchten van de opwekking," zei mijn
bezoekster. "Ik was uitgegaan als onderwijzeres, alleen met de
bedoeling om les te geven aan een school, maar ik kwam tot geloof en
voelde mij gedrongen evangeliste te worden."
Wat haar allereerst opgevallen was bij haar aankomst op het veld, was de
gebedsgeest onder de zendelingen. Dat dateerde nog uit de
opwekkingstijd, vertelde zij. Het volgende, wat grote indruk op haar
maakte, was de wijze waarop de zendelingen spraken over het kennen van
Gods wil en hun handelen dienovereenkomstig. Zij was beland tussen de
"nieuwe" zendelingen, die Paul als jongen had gezien en zij
begreep al spoedig,dat deze begonnen waren voor haar te bidden.
Toen zij haar eerste samenkomst voor zendelingen meemaakte, drong het
tot haar door, dat zij nooit tevoren in zo'n geestelijke atmosfeer was
geweest. Tijdens die dagen zag zij zendelingen geregeld in kleine
groepjes bijeenkomen voor gebed. "In een atmosfeer van geestelijke
gemeenschap wordt alles anders. Tijdens de opwekking hadden de
zendelingen geleerd, dat allereerst voor het werk gebeden moest worden.
Steeds weer hoorde ik zendelingen getuigen, over wat God voor hen
persoonlijk gedaan :had gedurende de opwekking. Hun getuigenissen
maakten diepe indruk op mij. Toen ik als zendelinge begon te werken,
hoorde ik deze zelfde dingen van de Chinezen."
Toen zij in Amerika was, stuurde zij een brief op van Dr. B. die tijdens
de opwekking de veldleider van de Augustana Zending was. Dit schreef
hij: "Vóór de geestelijke opwekking stonden onze gemeenten heel
zwak en waren veel te afhankelijk van de zending. Wij hadden acht kleine
gemeenten en drie Chinese voorgangers, die bijna helemaal bekostigd
werden uit het zendingsfonds. Zes jaar later hadden wij vierenveertig
gemeenten en een groot aantal hiervan kon zichzelf bedruipen. Wij hadden
toen negentien voorgangers, geheel of gedeeltelijk ondersteund door de
gemeenten. Tegen die tijd waren de meeste van onze voorgangers en andere
predikers werkelijk wedergeboren. Wanneer wij voor de opwekking erover
spraken, dat de leiders en de gemeenten de verantwoordelijkheid voor
het werk moesten overnemen, begrepen zij het niet. Zij schudden hun
hoofden en zeiden tegen elkaar: 'Wat bedoelen de zendelingen hiermee?
Wat onmogelijk om zoiets van ons te verwachten.' Na de opwekking spraken
zij nooit meer zo. Zij begonnen uit zichzelf te doen, wat van tevoren
onmogelijk leek."
Moeilijkheden
In zulke tijden zullen er ook altijd moeilijkheden zijn. Enkele
zendelingen hadden nog niet ontdekt, hoe het met de gemeenten gesteld
was en dat vele leden alleen maar verstandelijk het christelijk geloof
hadden aangenomen. Het was begrijpelijk - vanuit hun standpunt
bekeken - dat deze nieuwe gebeurtenissen hen in verwarring brachten.
Vooral in het begin was dat zo, maar het was van voorbijgaande aard en
een stimulans voor velen van ons om niet door te slaan, maar om
wijsheid te vragen.
In een of twee plaatsen hadden enkele in hun ambt bevestigde Chinese
dominees van grote kerken hun verlossing nooit persoonlijk beleefd. Het
waren er te weinig om hen een groep te noemen met het etiket
"modernisten". Zij ontzagen zich echter niet om degenen, die
naar de samenkomsten gingen, op te zoeken en te zeggen: "Luister
niet naar de spreker, die er nu is, want hij is van de duivel
bezeten."
Zulke mannen werden dikwijls gered en werden dan juist oprechte getuigen
van de Heer en zielenwinners. Soms werd van hen hetzelfde verteld, wat
zij over anderen gezegd hadden. En dan gaven zij in alle ootmoed toe:
"Wij verdienen het, wij oogsten, wat wij in onze onwetendheid
gezaaid hebben."
Er waren echter enkele dominees onder, die de opwekking steeds feller
tegenwerkten. Het gebed voor hen was gebaseerd op Handelingen 13 : 11
(En nu, de hand des Heren keert zich tegen u, en gij zult een tijd lang
blind zijn en de zon niet zien. En terstond viel op hem donkerheid en
duisternis, en rondtastende zocht hij iemand om hem bij de hand te
leiden.) - Dat de Heer Zijn hand naar hen zou uitstrekken, maar zo
mogelijk tot redding. Ik zou heel wat kunnen vertellen over dit aspect
van de opwekking; laat één voorbeeld voldoende zijn. Andere zijn nog
verschrikkelijker. Hij was een begaafd man en een geboren leider, maar
vanaf de aanvang van de samenkomsten werd hij vervuld met een sterke,
farizeïstische geest van tegenstand. Dit kwam op alle mogelijke
manieren tot uiting, wat de zendelingen veel zorg gaf. Wij baden volgens
Handelingen 13. Door gebrek aan geloofsmoed durfden wij niet te handelen
als de apostel Paulus. Wij maakten voor het eerst zo'n geval mee. In
onze hulpeloosheid zochten wij onze toevlucht bij het geval van Elymas,
de tovenaar, maar het leek, dat die dominee niet gered kon worden,
hoewel hij letterlijk tegen de grond sloeg, toen de samenkomsten aan
de gang waren. De luttele dagen dat hij nog leefde, lag hij stijf en
hulpeloos als een kind. Wij constateerden, dat hij ons kon horen en
zien, maar er was niet de geringste verandering merkbaar. De blik
uit.zijn ogen verraadde nog dezelfde boze, harde geest.
Zendelingen
kwamen tot een levend geloof
Een Amerikaanse zendeling schreef over deze dagen: "Amerika zal
er zich voor moeten verantwoorden, dat zij vele bekwame sociale werkers
heeft uitgezonden als zendelingen, zonder dat deze persoonlijk hun verlossing
hadden ervaren." Sommigen van hen werden tijdens de opwekking
gered. Sommigen verlangden oprecht, dat de Heilige Geest zijn werk, dat
Hij in hen begonnen was, zou voltooien. Sommigen werden toch behouden,
nadat zij zich een hele tijd hardnekkig verzet hadden tegen de Geest
van God. Anderen verkozen: liever naar Amerika teruggaan dan gered worden.
Het contrast tussen henzelf en de wedergeboren zendelingen was te
opvallend en te groot, dan dat zij nog met plezier konden werken onder
de nieuwe omstandigheden, zoals die uit de opwekking waren ontstaan.
Een
opwekking door middel van vrouwen?
Op een grote zendelingenconferentie in Scandinavië toonde een van
de sprekers aan, dat de opwekking in China een vrouwenbeweging was en
liet doorschemeren, dat daardoor de resultaten wel onberekenbaar
zouden zijn.
Nee, God zij gedankt, het was geen opwekking van mannen of vrouwen. Het
was het werk van Hem, die zegt: "Niet door kracht, noch door
geweld, maar door Mijn Geest." En ik ben overtuigd, dat niemand die
dit verslag gelezen heeft, er anders over kan denken.
Weliswaar riep de Heer een aantal vrouwen, zowel zendelingen als Chinese
christenen, die Hem vele jaren dienden bij dit werk. Zij hadden allen
het punt bereikt, waarop zij dachten, dat God hen niet langer
in Zijn dienst kon gebruiken. Toen zij zover waren gekomen,
moesten zij volkomen opnieuw beginnen doch niet vertrouwend op eigen
kracht of natuurlijke gaven, maar in het geloof op Gods kracht en
vertrouwend op God zelf, wiens roeping onberouwelijk is. Zij moesten
het werk leren doen, steunend op de levenverwekkende kracht van de
Geest en het Woord. Een van deze vrouwen, Miss Anna Christensen, een
Deense zendelinge van de C.I.M., was drieëntwintig jaar als evangeliste
werkzaam. Zij bezocht negentien provincies op uitnodiging van
zendelingen, die verlangden naar een opwekking op hun veld. Terwijl
zij de Heilige Geest aan het werk zagen, werden zij zelf ook geestelijk
gezegend en vernieuwd. Zo'n verslag geeft enigszins een beeld, hoe wijd
de opwekking zich verspreidde. Ook van deze velden schreven de zendelingen
jaren later, dat het werk van de Heilige Geest voortging. "Zij die
behouden werden, nemen toe in genade," vertelden zij dikwijls.
Gedurende de laatste moeilijke jaren, voordat alle zendelingen China
moesten verlaten, zeiden sommige Chinese leiders wel eens: "Wij
zijn gezegend, gereinigd en vernieuwd door de Heer. Welke verdrukkingen
er ook mogen komen, wij voelen, dat wij ertegen opgewassen zullen
zijn." Al heel gauw hadden zij alle zegeningen nodig, die hun
gegeven waren.
Wat een vreugde het werk van deze evangeliste die drieëntwintig jaar te
volgen, zij het ook op een
afstand. De mensen thuis kunnen zich niet voorstellen, hoe uitputtend
het is, al die jaren te reizen onder zulke omstandigheden. En dat was
nog maar een kleinigheid vergeleken met het persoonlijke werk onder zendelingen
en Chinese christenen. Na steeds weer hele drukke dagen, moesten ook
halve nachten besteed worden aan zielszorg. Dat is zwaar en moeilijk
werk, omdat overtuiging van zonde zo overweldigend kan zijn. De
bekentenissen waren soms dermate afgrijselijk, dat zelfs sterke
manlijke zendelingen er de voorkeur aan gaven, dat deze zijde van het
werk hun bespaard bleef. Het bracht hen tot aan de poorten van de hel
en gaf hun slapeloze nachten. Maar deze boodschapster van God ontzag
zichzelf nooit. Een heilige, door God gegeven bediening was haar
toevertrouwd en Hij gaf haar daar ook de genade voor.
In die tijd van opwekking zeiden nederige mannen nog wel eens tot
vrouwen, die God in Zijn genade gebruikte: "Ik dacht, dat God mij
zou gebruiken in het werk dat u nu doet." Een zei zelfs met tranen
in zijn ogen: "Wij mannen zijn tekort geschoten. Nu laat de Heer
ons zien wat Hij kan doen door vrouwen."
Maar later riep de Heer ook mannen voor de opwekkingsdienst, waaronder
enkele zendelingen, maar vooral bijzonder begaafde Chinese evangelisten.
Tijdens dit grote reddingswerk hadden wij een zeer gezegende
gemeenschap en moesten wij steeds denken aan de apostolische woorden:
"Hierbij is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk" (Gal. 3:
28). Wij, die voortdurend de Heilige Geest aan het werk zagen, konden
eenstemmig als nooit tevoren zeggen: "Wij geloven in de Heilige
Geest." Hij was groot, wij waren onbelangrijk.
Resultaten
van de opwekking
Wat hierboven over de opwekking is neergeschreven, werd door enkelen
van ons persoonlijk meegemaakt. Maar nog voor 1936 ging de opwekking
voort van Fukien in het zuidoosten naar Kansu in het noordwesten. Daarna
verspreidde het vuur zich verder. In 1936 werd er een boek gepubliceerd
in Amerika, geschreven door Dr. G. Carlberg, directeur van de Lutherse
Theologische School in de provincie Hupeh. Daar was een werkelijk
diepgaande opwekking geweest. Het is een betrouwbaar boek en geeft een
overzichtelijke en goede samenvatting van een uitgebreid onderwerp. De
resultaten van opwekking daarin vermeld volgen hier in het kort:
1. De Gemeente van Jezus Christus in China kreeg er een groot aantal
inheemse geestelijke leiders bij, zowel mannen als vrouwen.
2. Een groot aantal gemeenteleden hadden een persoonlijke ervaring van
Jezus als Verlosser en Heer van hun leven.
3. Vele vroegere leerlingen van zendingsscholen kwamen tot een levend
geloof.
4. De kerken en gemeenten voelden zich niet langer afhankelijk van
buitenlandse steun: zij waren onafhankelijke, nationale kerken en
gemeenten geworden.
5. De vreugde des Heren bracht met zich mee, dat er meer gezongen werd;
vooral koren, in Chinese versvorm en op Chinese melodieën.
6. Het aantal gemeenteleden nam enorm toe.
7. God gebruikte tijdens de opwekking maar weinige zendelingen
vergeleken met het grote aantal Chinezen, die de Heer riep om
instrumenten van Zijn genade te zijn.
8. De Chinese leiders werden zich meer bewust van hun
verantwoordelijkheid en waren de zendelingen op een nieuwe wijze
dankbaar, dat zij een fundament gelegd hadden.
9. Zij konden nu zichzelf onderhouden, wat vroeger onbereikbaar leek.
10. Het was verbazingwekkend te zien, welk een tact en bekwaamheid zelfs
jonge christenen ontvangen voor hun zielszorgelijk werk onder hen, die
door Gods Geest werden wakkergeschud. Zij werden door God onderricht en
door Hem gebruikt.
11. De prediking is levend en met gezag. De prediking wordt biddend
voorbereid; tengevolge daarvan worden de gewetens eerder verontrust.
12. Er is een nieuw inzicht over "zonde", de zondige natuur
van de mens en Gods gedachten hierover. Het besef van zonde is
overweldigend.
13. Een nieuwe overwinning over zonde is merkbaar, waar voordien alleen
machteloosheid was.
14. De bijbel heeft een nieuwe betekenis gekregen voor de Chinese
christenen: hij is hen tot een licht en een gids.
15. De gemeenten hebben nieuwe kracht en nieuwe gaven ontvangen. Het
blijkt, dat pas bekeerden en vernieuwde christenen hun speciale plaats
toegewezen hebben gekregen in het leven van de gemeente. Het is een
wonder, hoe de eens zo grijze massa tot leven is gebracht, hoe mensen
tot persoonlijkheid zijn gekomen en geactiveerd door Gods Geest.
16. Daarnaast zijn er vele gevallen van genezingen; maar allereerst zijn
er de talloze en veel grotere wonderen van redding en vernieuwing
geweest.
Gevaren
in tijden van opwekking
Er zijn altijd gevaren geweest en zij zullen er altijd zijn, omdat
wij een vijand hebben, die zijn uiterste best doet een opwekking te
verhinderen en die onkruid zaait tussen het koren. Wat dit woord
inhoudt, zullen wij zeker meemaken in tijden van opwekking. Juist op dit
punt heeft de zendeling, met zijn grotere ervaring, een taak van vitaal
belang, maar het is geen gemakkelijke opdracht.
Op een dag kreeg ik bezoek van een vrouw. Zij maakte een zeer
intelligente indruk en was er kennelijk op uitgestuurd. Zij toonde mij
een boek bestaande uit aan elkaar bevestigde bladzijden, die met de hand
beschreven waren.
"Dit is een nieuwe bijbel. Nu hebben wij de andere niet meer nodig.
Deze kan iedereen begrijpen."
Ik vroeg of ik het boek even in mocht zien. Zij hield het stevig vast.
"Wanneer u wilt beloven van nu af aan alleen deze bijbel te
gebruiken, mag u hem hebben, anders geef ik hem niet uit handen."
Ik begreep, dat zij goed geïnstrueerd was, voor men haar erop uitzond.
Ik greep de gelegenheid aan om steeds weer te herhalen, wat de Here God
over Zijn eigen Woord zegt. Maar ik moest denken aan al die jonge
christenen, die niet goed konden lezen en die zo gemakkelijk in de
valstrik zouden lopen om "een nieuwe bijbel" aan te nemen,
"die iedereen kan begrijpen" .
Dit gebeurde aan de kust, waar men van alles kon verwachten; helaas
waren er ook allerlei gevaren in de
binnenlanden. In een plaats waar samenkomsten zouden zijn, waren de
zendelingen verontrust over een "groep in de bergen met een slechte
reputatie", (niet van de post waar de samenkomsten plaatsvonden)
"die altijd moeilijkheden veroorzaakte". Zij hadden
bijvoorbeeld gewedijverd met elkander om te zien, wie veertig dagen kon
vasten zoals Jezus, of wie de langste tijd uitgestrekt kon liggen zoals
Jezus, toen Hij aan het kruis genageld was.
De tweede dag kwamen zij op de conferentie. De atmosfeer in de dienst
veranderde onmiddellijk. Men kon de aanwezigheid van boze machten
voelen. Verscheidene van de aanwezigen werden tijdens de samenkomst
door demonen bezeten en moesten naar buiten gebracht worden, maar
dezelfde dag werden zij weer bevrijd. De vreemdelingen kregen het bevel
naar huis te gaan, zodat de samenkomsten ongestoord voortgezet konden
worden.
Zonder enige twijfel zullen de zendelingen, die het werk na de opwekking
hebben voortgezet, persoonlijk ervaringen hebben gehad met het onkruid
en de zaaier van het onkruid zelf.
Het
onmogelijke
Na al wat geschreven is, wil ik toch nog het volgende vermelden:
ongeveer twintig jaar voor de opwekking zei God mij, dat ik door heel
China zou reizen en het evangelie prediken. Mijn antwoord was: "Dat
is onmogelijk, want ik kan niet spreken." En ik zette deze
gedachte zo ver van mij af, dat zij vijftien jaar lang niet meer in mij
opkwam. Wat onmogelijk is, is onmogelijk. Ik dacht er helemaal niet
meer aan.
Toen begon het langzaam tot mij door te dringen, dat het onmogelijke
misschien toch zou plaatsvinden.
“Dat
begrijpen wij niet”
Ik was werkelijk geen spreekster. Meer dan eens, tijdens de
opwekking, werd ik omringd door Chinese predikers, die zeiden: "Dat
begrijpen wij niet, wij spreken allen beter dan u en toch gebeurt dit
alles." Zij hadden geleerd, hoe zij een preek moesten opbouwen;
maar, door Gods genade, kreeg ik in die tijd bij iedere samenkomst het
woord, dat ik brengen moest en was ik het belang gaan inzien van het
persoonlijk getuigenis.
Een
visioen
Tijdens de vele jaren van afwachten had ik de waarheid ondervonden
van de woorden: "In een leven, dat de Heer eenzaam maakt, is
Hijzelf zeer nabij." Het werk dat mij zou worden toegewezen, werd
in deze vijftien jaar nooit genoemd. De volgende ervaring bracht mij
evenwel tot de gedachte, dat "het onmogelijke" misschien
toch mogelijk zou worden.
Of het een visioen, een droom of een toestand tussen slapen en waken is
geweest, weet ik niet. Het was 's nachts. Ik stond op een weg en keek
uit over een trieste woestijn, met hier en daar wat riet. Terwijl ik
daar stond, zag ik aan de rand van de woestijn iemand neerknielen in
gebed. Ik wist, dat ik het was. Terwijl ik toekeek, werd de knielende
gedaante geheel bedekt met bloed uit een onzichtbare bron, totdat zij
er helemaal onder verborgen was. Ik was "onder het bloed".
Toen werd boven de in bloed gehulde gedaante een onbeschrijflijk mooie
kelk zichtbaar. Een onzichtbare hand schonk iets in de kelk en daaruit
vloeide "de heerlijkheid van God." Met andere woorden kan ik
het niet uitdrukken, eigenlijk kan het helemaal niet beschreven
worden. Ten laatste was er niets anders meer te zien dan deze levende,
glinsterende heerlijkheid, die bleef doorstromen. Toen verdween dit
onder een eindeloos tapijt van weelderige, groene loten en tenslotte
was de woestijn veranderd in een verrukkelijke hof met een overvloed van
bloeiende planten.
Duidelijk
omschreven gebed
Vanaf dat ogenblik begon ik ervoor te bidden of de Heer zelf mij zou
toerusten voor deze taak, wanneer dit visioen een werkelijkheid moest
worden. In die tijd werd ik steeds weer bepaald bij Handelingen 2: 37
(Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij
zeiden. . . Wat moeten wij doen?). Daarom vroeg ik ook nog: "Als
het werkelijk moet gebeuren, laat een deel van de uitrusting zijn:
"Toen zij dit (de woordverkondiging) hoorden, werden zij diep
getroffen in hun hart."
Dit gebed bracht mij ertoe een diepgaande studie te maken van wat de
bijbel zegt over de Heilige Geest. De bijbelgedeelten, die betrekking
hebben op de Heilige Geest, werden telkens weer herlezen. Tenslotte
ging ik ze in mijn slaap herhalen en werd er ook mee wakker. Een
woestijnreizigster was tot de conclusie gekomen, dat er een oase
bestond, die gevonden moest worden. Ik had in mijn bijbel ontdekt, dat
er een ervaring was van de Heilige Geest en dat het mogelijk moest
zijn te weten, wanneer en waar deze had plaats gevonden; en ook dat de
ervaring zich kon herhalen. Hoe meer ik echter bad en zocht, hoe
moeilijker alles werd. Ik kwam steeds meer in de duisternis. Ik begreep
toen nog niet, dat iemand eerst geledigd moest zijn, wil hij vervuld
worden. De Geest van God bracht aan het licht in hoeverre mijn werk voor
de Heer uit eigen kracht verricht werd. Het was alles hooi en stro, wat
alleen maar verbrand kon worden. In die tijd werd ik er herhaaldelijk op
aangesproken een "onnutte dienstknecht" te zijn en aanvaardde
dit zonder tegenspraak. Tijdens de evacuatie bemerkte ik, dat talloze
zendelingen dezelfde ervaring hadden doorgemaakt. Ik wist, dat ik een
kind van God was, maar had het gevoel, dat Hij mij verworpen had voor
Zijn dienst en dat ik nooit meer het recht zou hebben zielszorg te
verrichten. Toch gingen mijn gedachten gedurende deze hele periode terug
naar het visioen van belofte, toen de woestijn veranderd werd in een
weelderig bloeiende gaarde en mijn gebed werd een smeekbede, dat dit op
een of andere wijze ook in China mocht gebeuren.
De
werkelijkheid en kracht van een roeping
Ten slotte was er maar één ding, dat mij in China vasthield; mijn
roeping. (Zo ging het andere zendelingen ook). Ik kwam er zelfs toe te
bidden, of de roeping van mij afgenomen kon worden. Dit gebed werd
niet verhoord. Het was een moeilijke, donkere weg, voornamelijk omdat ik
niet begreep, wat er gebeurde. In die jaren was mijn roeping de enige
werkelijkheid.
Gij
zult kracht ontvangen
Het was vlak voor het Chinese Nieuwjaar en de Chinezen waren druk
in de weer met de voorbereidingen voor deze grootste feestdag van het
jaar. Daardoor had ik tijd tot mijn beschikking.
Uit louter wanhoop besloot ik een dag te vasten. Ik moest een of
ander antwoord van de Heer krijgen. Vanaf 's morgens zes uur werd de dag
doorgebracht met de deur op slot. Ik kwam er niet meer uit en wanhopig
opende ik op goed geluk de bijbel en las: "Christus heeft ons
vrijgekocht van den vloek der wet door voor ons een vloek te worden;
want er staat geschreven Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.
Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat
wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof"
(Gal. 3 : 13, 14).
Het leek wel, alsof ik deze woorden nog nooit eerder had gelezen.
Jarenlang was ik door een donkere tunnel gegaan en had nu plotseling
het einde bereikt. Dit woord bracht het eerste schijnsel daglicht. Ik
ontving hoop, geloof en moed.
De weg die ik zag, was eenvoudig en duidelijk. Ik moest de belofte van
de Heilige Geest ontvangen door het geloof, op dezelfde wijze als een
zondaar verlossing ontvangt. Met de geopende bijbel voor mij, nam ik
de belofte met grote blijdschap aan en dankte God uit het diepst van
mijn hart.
Nauwelijks had ik dit gedaan, of daar kwam de "aanklager".
Hij herinnerde mij eraan, dat ik een onnutte dienstknecht was en toonde
mij in bijzonderheden al het "hooi en stro". Binnen een uur
voelde ik mij weer miserabel.
Maar de bijbel lag nog opengeslagen voor mij en nogmaals nam ik de
belofte aan in geloof en dankte God en werd opnieuw hevig aangevochten.
Zo ging de hele dag voorbij. Ik keek niet op mijn horloge, doch ik veronderstel,
dat ik ieder uur eenmaal de belofte aannam, die mij dan telkens weer
ontroofd werd. Al die tijd werd ik gewezen op mijn volslagen mislukking
als zendelinge.
Het werd middernacht en ik was totaal uitgeput en radeloos. Met mijn
hand bij de lamp om deze uit te doen sprak ik hardop: "Nooit meer,
nooit meer. Dit is alleen voor zendelingen, die honderd procent godvruchtig,
gelovig en heilig zijn, dit is niet voor mij." Op hetzelfde moment,
juist voordat ik het licht uitdraaide, hoorde ik duidelijk de woorden:
"Ben je niet met Christus gekruisigd?"
"Ja." Dit was in mijn leven meer dan een verstandelijke
bevestiging.
"Ben je niet met Christus gestorven?"
"Ja."
"Ben je niet met Christus begraven, onder de grond gestopt?"
"Ja."
"De doden verdedigden zichzelf niet."
"Nee, er is niets om te verdedigen."
Op deze wijze werd het eerste gedeelte van bovengenoemde twee teksten
mij duidelijk gemaakt. Het was goed hieraan herinnerd te worden: ik was
hoofdzakelijk blijven stilstaan bij het laatste gedeelte.
"Ben je niet met Christus opgestaan?"
"Ja."
"Christus heeft recht op alles, wat van God is en Hij deelt het met
al Zijn mede-erfgenamen."
Ineens zag ik het! Jezus heeft een onbetwistbaar recht op de
gehele erfenis en Hij deelt deze met mij en met alle zondaren, die
gereinigd zijn door Zijn bloed. Alle honderd twintig in de opperzaal te
Jeruzalem hadden dit ten volle ervaren.
Nu ontving ook deze mede-erfgename door het geloof. De aanklager was
verdwenen. Gelukkig was ik die nacht alleen in huis. Het was koud. Ik
liep rond mijn Heiland en mijn God lovend en dankend, en dat hield mij
warm. Ik sprak niet in tongen, maar ik loofde de Heer in alle talen, die
ik kende.
Druppels
De Chinezen zagen en begrepen, dat er iets was voorgevallen. Een
week ging voorbij zonder dat er verder iets gebeurde. Toch was Johannes
7 : 38 (Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend
water zullen uit zijn binnenste vloeien), het lichtbaken, waardoor
mijn koers bepaald werd.
Er was niets te zien van stromen of rivieren. Dat begreep ik niet en
ik vastte nog een dag. Aan het einde van deze dag werd ik geconfronteerd
met een vraag: "Hoe ontspringt de rivier de Yangtze?" Ik
ontving ook het antwoord: "Als kleine druppels, hoog in de bergen."
Nu werd mij duidelijk wat er eerst zou gebeuren. Ik moest geen
rivieren maar druppels verwachten.
Een week later kwamen de eerste "druppels". Een van de
vrouwelijke gemeenteleden had naar een samenkomst haar zuster
meegebracht, die niet alleen een ongelovige was, maar ook een bittere
tegenstandster van het evangelie. Vanaf het eerste moment, dat zij de
naam van Jezus gehoord had, was zij vol haat geweest tegen de gelovigen
en al, wat te maken had met deze naam.
Zij had erin toegestemd de samenkomst bij te wonen op voorwaarde,
dat zij achteraan mocht zitten, dicht bij de deur, zodat zij weg kon
gaan wanneer zij wilde. Het was de eerste maal, dat zij een samenkomst
bezocht. Ik wist niet, dat zij er die dag was, maar anderen wisten
het en baden ervoor.
Kort na de samenkomst ging de deur van de kamer open, waar ik zat te
eten en een vrouw werd naar binnen geduwd. Een bekende stem zei:
"Dit is mijn zuster" en daarop verdween de spreekster. Ik
kende de haat en tegenstand van deze vrouw. Zij viel snikkend op de
grond: "Ik heb vandaag al mijn zonden gezien, vanaf mijn jeugd tot
nu toe," en toen kwam alles eruit.
Ik moest haar vertellen, dat Jezus er was, en alles gehoord had. Hij
was de Enige, die zonden kon vergeven. Zij moest Hem om vergeving
vragen. Hij vergeeft alle zonden, die wij tot Hem brengen. Zij was
werkelijk aangeraakt en luisterde naar wat ik zei, maar scheen het niet
te kunnen vatten. Ikzelf kreeg een les en begreep, dat ik alle uitleg
achterwege moest laten en alleen met de bijbel moest komen. Steeds weer
werden de woorden herhaald: "Jezus zeide: Houd moed, mijn kind, uw
zonden worden vergeven," Ten laatste werden deze woorden levend voor haar. Er kwam een
uitdrukking van vrede op haar gezicht en zij begon te loven en te
danken.
Dit was de eerste keer in mijn leven als zendelinge, dat ik meemaakte,
hoe een heidenvrouw de eerste maal, dat zij het Woord hoorde, behouden
werd. Daar ik zovele jaren verlangd had juist dit te zien, werd ik
vervuld met een heilige vreugde. Het was heerlijk deze vrouw te
onderrichten: zij dronk ieder woord in en werd zelf een zielenwinner.
Zo kwamen de "druppels" langzaam, een voor een. Later kwamen
er twee of drie tegelijk, totdat tenslotte tijdens de bijbelcursus voor
vrouwen velen tegelijk kwamen, zoals ik al vertelde (blz. 31).
Pas achteraf besefte ik, dat deze eerste vruchten verkregen werden met
moeizame arbeid en dat het, naarmate de tijd verstreek, gemakkelijker
ging. Tenslotte ging de Heilige Geest bijna dynamisch werken, als we dat
woord mogen gebruiken in dit verband.
Om een voorbeeld te geven: In een plaats voelden wij dat Gods Geest
bijzonder krachtig werkzaam was toen de opwekkingssamenkomsten, waar
velen redding vonden, ten einde liepen. Op een dag belandde een rondzwervende
soldaat in de samenkomst. Alles wat hij zag en hoorde, was vreemd en
nieuw voor hem. Achteraf vertelde hij, dat hij nooit het evangelie had
gehoord. Voordat de samenkomst was afgelopen, kwam hij tot diep
zondebesef en ontving hulp. Slechts eenmaal werd hem een woord van
belofte van de Heer voorgelezen. Hij begon te loven en te danken en
vrede vervulde hem. Men kon de vrede op zijn gezicht zien, zoals
altijd wanneer de Heilige Geest zijn werk had verricht. Tot slot zongen
wij lofzangen op de binnenplaats en met stralende ogen hoorde hij deze
voor de eerste maal en begreep ze. Toen het lied uit was, zei hij:
"Dit leven van blijdschap zal voor mij hier op aarde van korte
duur zijn, maar ik zal voor eeuwig verlost zijn van mijzelf en mijn
zonden. Wilt u samen voor mij bidden, totdat u een schot hoort uit het
militaire kamp? Ik heb munitie gestolen en verkocht, daar staat de
doodstraf op. Nu moet ik naar de kapitein gaan om dit te bekennen."
Met een stralend "wij zien elkaar terug in de hemel" rende hij
weg. Hij was nog zo jong.
Wij baden staande in een kring, terwijl wij elkaars handen vasthielden.
Naar ons idee duurde het lang, terwijl wij baden en luisterden, of het
schot weerklonk. Plotseling was hij weer in ons midden, met een blij
gezicht. Hij had alles bekend en een getrouw, uitvoerig verslag
gegeven, wat hij had gestolen. De kapitein had een ogenblik gezwegen
en toen met een diepe zucht gezegd: "Daar je nu een nieuw mens bent
geworden en niet meer zult stelen, zie ik niet in, waarom je moet
sterven, je kunt gaan."
Wij die dit hoorden, hadden er zo onze eigen gedachten over:
waarschijnlijk waren er meer in het kamp, die munitie gestolen en
verkocht hadden.
De
Heilige Geest doorzoekt de harten
Nu en dan zeiden ongelovigen, die onze samenkomsten binnenliepen
en uit angst weer de vlucht namen: "Uw woorden zijn als messen. .
."
"Ik werd door uw woorden getroffen als door de bliksem. "
Een ouder gemeentelid zei eens: "Al mijn verkeerde daden zijn voor
mij uitgestald geworden als waren op een toonbank."
"U kent ons volk beter dan wij zelf," werd menigmaal opgemerkt
door de Chinese evangelisten, wanneer zij zagen, hoe de Heilige Geest de
harten doorgrondde, totdat zij begrepen, dat dit het werk was van de Heilige
Geest zelf.
Nieuwe
opdrachten – nieuwe kracht
Ik was er mij zeer van bewust, toen ik een evangeliebediening kreeg
onder de zeerovers, dat ik voor die taak
bijzondere kracht ontving.
"Zij is niet bang voor ons."
"Zij heeft vrede."
"Zij is altijd dezelfde."
"Zij is niet ongeduldig zoals de andere gevangenen."
Zo waren de opmerkingen van de zeerovers, wanneer zij zagen, wat God
deed. In die tijd was ik helemaal niet mijzelf, maar een volkomen andere
persoon.
Ook tijdens de speciale bediening onder zendelingen, wist ik, dat ik
bijzondere kracht en wijsheid kreeg. Niet minder was ik mij hiervan
bewust, toen ik, weer terug in Noorwegen, door de Heer geleid werd in de
dienst achter de frontlinies in ons eigen land. Dat betekende: van
voren af aan beginnen met gebed voor een opwekking, bewerkt door de
Heilige Geest, net zoals wij in China hadden gedaan. Bovendien gaf de
Heer mij werk onder gelovigen, die niet genoeg kracht bezaten "om
weerstand te kunnen bieden in den bozen dag" (Eph. 6 : 13). Het was
een redden van levens. Ik mocht de reddingsboei van het Woord toewerpen
aan zielen, die dreigden.te verzinken; die voelden, dat zij ten onder
gingen in de storm.. Talloze noodkreten kwamen van mij meestal onbekende
mensen, van verschillende christelijke groepen en uit allerlei landen.
Toen ik een keer deze noodkreten telde, waren het. er meer dan
tweeduizend in een jaar, waardoor openbaar wordt, hoe wijdverspreid en
hoe groot de geestelijke nood onder ons is op het thuisfront.
Trouwe vrienden hielpen met voorbede, waar zij konden; en ook door te
voorzien in schrijfmateriaal en postzegels. Deze postzegels hebben hun
eigen geschiedenis. Kort nadat dit werk begon, schreef een Deense
dame, die van niets wist: "God heeft er mij op gewezen, dat u
zeer veel postzegels nodig moet hebben en Hij zei mij, dat ik u die moet
geven." Bovendien zijn er altijd giften binnengekomen, hier of daar
vandaan en wanneer er meer nodig was, kwam dat ook. Naast de zielszorg
en gebedslast, die mij was toevertrouwd, gaf deze meer zakelijke kant
mij veel vreugde. Ik zou de welbekende woorden willen uitspreken:
"Mijn woord. . . zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal
doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend" (Jes.
55 : 11).
Waarom
wordt dit eerst nu geschreven?
Omdat de Heer van de oogst mij eerst nu deze bijzondere opdracht
gaf.
Omdat ik overtuigd ben, dat wij een werk van Gods Geest in ons eigen
land mogen verwachten, zoals wij het zagen in China.
Omdat het mijn verlangen is, anderen te doen verstaan, hoe oneindig
veel meer wij kunnen bereiken in diepte en omvang door het werk van de
Heilige Geest, dan door wat wij zelf in beweging brengen.
Omdat het mijn wens is, geestelijk hongerige gelovigen te doen inzien,
dat volgens de bijbel gelovig gebed de eenvoudige weg tot het doel is.
Het is de overwinningsweg tot het wondere doel: het machtige werk van
de Heilige Geest zelf onder ons.
Omdat ik nogmaals de nadruk wil leggen op de woorden van de Heer Jezus
over "twee of drie" in Mattheüs 18: 19, 20 (Ik zeg u, dat,
als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten
deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is. Want waar twee of drie
vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden).
De Heer wist, dat er een grotere mogelijkheid was, dat weinigen samen
deze éénheid, deze eenparigheid van begeren, in gebed zouden hebben,
dan wanneer er velen tezamen baden. Laat Hem dan stap voor stap de
kleine groepjes, die op dezelfde golflengte zijn, met elkaar in contact
brengen. Het is de eenheid van geest, die belangrijk is, niet het
aantal, dat samenkomt voor gebed.
Omdat ik de laatste tijd leiders ontmoet heb, die diep overtuigd zijn
van hun eigen armoede (ongetwijfeld zijn er veel meer), wier harten de
Heilige Geest bezig is te ledigen en te reinigen, evenals de zendelingen
in China geledigd en gereinigd werden. Dit is het aanvangswerk van
Gods Geest ter voorbereiding van een opwekking. O, dat zij door wat hier
neergeschreven is, geholpen
mogen worden te verstaan, dat God hen eerst "door de dood
heen" leidt, voor zij verder kunnen gaan.
Omdat ik geloof, dat de tijd gekomen is voor de "twee of drie"
om elkaar te zoeken en te vinden, en op zich te nemen om te volharden in
gelovig gebed, totdat zij de verhoring hebben verkregen. De onderwerpen
voor gebed zouden dan moeten zijn:
1. dat alle leiders en de andere gelovigen geledigd mogen worden van
alles, wat van het eigen ik is;
2. dat wij een gebedsopleving zullen krijgen en dat gewetens wakker
geschud zullen worden door de
Heilige Geest;
3. dat wij weer mogen komen tot onze eerste liefde
voor Jezus Christus en tot een bewogenheid voor zielen.
Tijdens deze bidstonden kan men, naar mijn mening, beter niets
gebruiken.
Omdat ik geloof, dat de kerk of gemeente, die vele van zulke kleine
gebedsgroepjes bezit, in de voorste gelederen zal staan, wanneer het
werk van de Heilige Geest begint. Zij zullen beleven, dat oud en jong,
familie, vrienden en anderen, waarvoor zij gebeden hebben, zo
"ziek" zullen worden, dat zij een Verlosser nodig zullen
hebben.
Omdat ik ook geloof, dat dit de oplossing van het jeugdprobleem in
christelijke gezinnen is. De kleine gebedsgroepjes mogen er op staan de
woorden van de psalmist in vervulling te zien gaan: "In heilige
feestdos rijst uit den schoot van den dageraad de dauw Uwer jonge
mannen voor u op" (Ps. 110: 3). De Noorse vertaling luidt:
"In heilige feestdos zullen de jonge mensen tot U komen, als de
dauw uit den schoot van den dageraad."
Besluit
Laat ik tot slot nog iets zeggen, wat ik door ervaring geleerd heb:
ik had nooit enige reservekracht, waaruit ik naar believen kon putten.
Iedere keer, wanneer ik op mijzelf en mijn eigen onbekwaamheid zag,
was ik armer dan wie ook, zoals bijvoorbeeld op de reis naar Peitaiho
en de eerste dag daar in het leidershuis. Hierover vertelde ik al. In
die dagen was ik weer een gelovige zonder geloof (zie blz. 67).
Maar toen ik rust vond bij de gedachte, dat ik wandelde in werken door
de Heer" tevoren bereid" en in geloof kon vertrouwen op de
kracht, die ik zou ontvangen voor de mij wachtende taak, was die
kracht er altijd.
Na dit verslag over het werk van de Heilige Geest geschreven te hebben,
is er een groot verlangen in mij naar een gebedsopwekking onder al Gods
kinderen. In China moesten wij eerst een grote evacuatie meemaken,
voordat de Heer ons een gebedsopleving kon geven. Wat zal Gods volk
heden ten dage in ons land moeten doormaken, voordat zij dit zullen
beleven?
Is het niet mogelijk – ter wille van al de nood in de wereld, al het
lijden van onze broeders en zusters in de
kerken en gemeenten die vervolgd worden, al Gods goedertierenheid jegens
ons, die onder zulke gemakkelijke, geriefelijke omstandigheden leven -
dat wij de heilige bediening van de voorbede op ons nemen, samen met de
weinigen, die al in de voorbededienst staan? Moeten wij eerst door
verdrukkingen gaan, voordat dit zal gebeuren?
|