HOME 
TERUG  NAAR  GOLGOTHA
 PDF DOC   

DEEL II



DE RECHTE NUCHTERHEID

 

Oorzaken van de slechte toestand

van de gemeente van Jezus Christus

 en de weg terug naar Golgotha

 I. Inleiding

     Het motief voor het schrijven van dit document is de deplorabele toestand van het Christendom in de westerse wereld. Die gaat ons enorm aan het hart. De laatste tijd hebben we ons ingespannen om bij het licht van de Bijbel aan de hand van studieboeken, internetsites en eigen waarnemingen van de afgelopen tientallen jaren mogelijke oorzaken van de huidige chaos op het spoor te komen. Hoe komt het dat het huidige Christendom in de verste verte niet meer lijkt op wat we daarover in het boek Handelingen lezen? Bij dit onderzoek ontdekten we dingen, waar we enorm van geschrokken zijn. Het is al heel vroeg mis gegaan. Bekende kerkvaders zijn wegen ingeslagen, die volledig in strijd zijn met de boodschap van de Bijbel. De voorspellingen van Petrus en Paulus zijn werkelijkheid geworden. De valse leraars zijn gekomen met hun verderfelijke ketterijen (2 Petrus 2:1) en de grimmige wolven hebben de kudde niet gespaard (Handelingen 20:29,30). Hun invloed is vandaag de dag nog overal waarneembaar.
   
     Bij het schrijven van dit document is de Bijbel de basis en het ijkpunt geweest. Daarom is het géén theologisch document. Gaandeweg het onderzoek zullen we namelijk moeten vaststellen dat de theologie tegen de Bijbel ingaat. Het Nederlandse woord voor ‘theologie’ is ‘godgeleerdheid’. Over het leren kennen van God staan teksten in de Bijbel, die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn. Zo lezen we bijvoorbeeld in Lucas 10:21,22 het volgende: “Terzelfder tijd verblijdde Hij Zich door de Heilige Geest en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en niemand weet, Wie de Zoon is, dan de Vader, en Wie de Vader is, dan de Zoon, en wie de Zoon het wil openbaren.” Let wel: “wie de Zoon het wil openbaren.” We moeten naar de Zoon, Jezus Christus, om de almachtige God te leren kennen. Het kennen van God is 100 procent genade. Daarom is het een illusie te denken dat men God kan leren kennen door te gaan studeren aan een Theologische Universiteit of Faculteit. De almachtige God, de ‘Heer des hemels en der aarde’ houdt de kennis over Hem juist verborgen ‘voor wijzen en verstandigen’. Kinderen en zij die werkelijk God vrezen (Psalm 111:10) en daardoor het gehoorzame geloofsvertrouwen van een kind hebben, kunnen God leren kennen. Op deze wijze leerde Abraham, de vader van alle gelovigen, door zijn gehoorzaam geloof God stap voor stap meer kennen tijdens zijn leven.

     Dit is dus geen theologisch document. Theologische documenten vergroten alleen maar de chaos die er al is. Ons uitgangspunt is geweest om bij het lezen van de Bijbel en de geschriften van de kerkvaders en latere kerkleiders nuchterheid te betrachten. Paulus spoort de Corinthiërs aan tot ‘de rechte nuchterheid’ te komen (1 Corinthiërs 15:34). Als er vandaag de dag iets nodig is, dan is het nuchterheid. Nuchterheid ten opzichte van ons eigen leven en het doel dat we ons daarin stellen, nuchterheid ten opzichte van het enorme wonder van de schepping en de grootheid van de Schepper, nuchterheid ten opzichte van onze dood en het moment waarop we als individu verantwoording afleggen van wat we tijdens ons leven hebben gedaan, gezegd, geschreven, gedacht en nagelaten.
    
     De indeling van het document is als volgt. Eerst wordt nagegaan wat er in de Bijbel staat over het begrip ‘Christen’ en hoe daar gesproken wordt over de gemeente van Jezus Christus. Daarna vindt een rondgang plaats langs de diverse vormen van het hedendaagse Christendom om te toetsen in hoeverre deze vormen in overeenstemming zijn met de Bijbel. Vervolgens worden de twee belangrijkste historische ontwikkelingen besproken, die oorzaak zijn van de huidige ellende. Tot slot staan we stil bij een aantal momenten in de geschiedenis, waarop het ingrijpen van God in de chaos van dat moment zichtbaar werd en trekken we onze conclusies voor de tijd waarin wij leven.
     Ter bescherming van de hier weergegeven tekst rust er op dit document copyright. De copyrighthouder wordt aan het einde vermeld.

 

                                               II. Wie is Christen?

   
De vraag “Wie is Christen?” valt in twee deelvragen uiteen. De eerste vraag is: “Wat is het getuigenis van de Bijbel over Jezus Christus?” De tweede vraag is: “Wat zegt de Bijbel over het deel krijgen aan Jezus Christus?”

a. Wat is het getuigenis van de Bijbel over Jezus Christus?

1. Getuigenis Oude Testament.
     De Bijbel is het verslag van Gods handelen met de mensheid in de loop van de geschiedenis. In dit handelen van God neemt Jezus Christus de centrale plaats in. Dit begint al in het Oude Testament. Het Oude Testament kan men alleen maar begrijpen vanuit de vervulling ervan in het Nieuwe Testament, vanuit de openbaring van God door Jezus Christus.
     Bij het begin van de Bijbel wordt al duidelijk, dat er een Redder nodig is. De werkelijkheid en de wereld waarin wij leven, zijn door God goed geschapen. Het was zeer goed (Genesis 1:31). De mens werd naar Gods beeld geschapen. God schiep een persoon, een individu. Hieruit blijkt de almacht en de enorme liefde van de Schepper. In het paradijs was er een zeer zuiver contact tussen God en de mens. Dat contact werd verbroken, toen de mens ervoor koos zich als Gods gelijke op te stellen (Genesis 3). God verbood om van de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten. De slang zei echter tegen Eva: “Dat is omdat je dan wordt als God Zelf.”  Eva luisterde naar de slang. Zij nam van de verboden vrucht. Ook Adam at daarvan. De slang, de duivel, de vader der leugen (Johannes 8:44) was zelf gevallen vanwege hoogmoed door te willen zijn als God. Hij verleidde de mens tot dezelfde zonde als hij had gedaan. Deze geest van opstand tegen God zien we overal om ons heen.
     De zondeval had vele gevolgen voor ons. Wij noemen de twee belangrijkste: de zonde en de dood. Vanwege de vloek van de zondeval worden wij allen als zondaar geboren. Dit is vanaf het allereerste begin zichtbaar geweest. Gedreven door jaloersheid sloeg Kaïn zijn broer Abel dood. Wie vandaag de dag om zich heen kijkt, ziet dat de mens tegen alle wetten van God ingaat. Als we alleen naar de Tien Geboden kijken, is er dan één bij, waar de hedendaagse mens niet tegen ingaat? Over het andere gevolg van de zondeval, de dood, het volgende: alle mensen sterven, allemaal zijn we op weg naar dat enige vaststaande punt in ons leven: onze dood. Het is goed om ons dat persoonlijk te realiseren. Voor deze twee grote gevolgen, de zonde en de dood, heeft geen mens een oplossing. Heel de bekende geschiedenis door tot op de dag van vandaag hebben filosofen en religieuze leiders van alles bedacht, gezegd en gedaan, maar niets of niemand heeft deze twee gevolgen van de zondeval ook maar één stap dichter bij een oplossing gebracht. Die oplossing kan niet uit de mensheid komen, maar moet van bovenaf komen. God heeft de oplossing gegeven door Zijn Zoon Jezus Christus als Redder naar deze aarde te sturen. Jezus Christus stierf voor de zonden van de mensen aan het kruis op Golgotha en daarna overwon Hij de dood door op te staan uit de doden. Deze twee vreselijke gevolgen van de zondeval worden slechts in Jezus Christus teniet gedaan. Wie de historiciteit van de zondeval loochent, onderkent niet de absolute ernst van de zonde. Het scheidt de mens voor eeuwig van God, tenzij er wordt ingegrepen door de Redder. Ook ziet zo iemand niet in, hoezeer de dood de aartsvijand van de mens is, waar ieder mens het van verliest, tenzij hij geborgen is in Jezus Christus, Die de dood heeft overwonnen. Wie de zondeval loochent, dient zich goed te realiseren dat hij daarmee feitelijk ook de Persoon en het werk van Jezus Christus loochent. Helaas wordt in ‘Christelijk’ Nederland die historiciteit op grote schaal geloochend onder druk van de bizarre evolutiehypothese. Nogmaals, helaas, want de gevolgen hiervan zijn zeer ernstig. Hierover later meer.

     Als we verder het Oude Testament lezen, komen we op veel plaatsen een aankondiging tegen van de komst van Jezus Christus, de Messias. Een aantal teksten, die hiernaar verwijzen, zullen we noemen. Het begint meteen al in het Paradijs. Iemand uit het zaad van de vrouw, zal de kop van de slang vermorzelen ten koste van Zijn eigen hiel (Genesis 3:15). Dat is gebeurd op Golgotha, toen Jezus Christus de duivel versloeg en van zijn macht beroofde. Als we verder lezen, komen we bij Abraham. Deze wordt door God apart genomen en krijgt de belofte dat door hem alle geslachten van de aardbodem gezegend zullen worden (Genesis 12:7). Paulus legt in Galaten 3 uit dat die zegen, waarover hier gesproken wordt, inderdaad gekomen is door het geloof in dat ene Zaad van Abraham, Jezus Christus. Verderop in het Oude Testament lezen we dat Mozes de komst van een groot Profeet aankondigt (Deuteronomium 18:18), naar Wie het volk zal moeten luisteren. Als het volk Israël reeds een tijdlang in Kanaän woont, kiest God een man naar Zijn hart, David, die Hij tot koning maakt over heel het volk. In het leven van David en in zijn psalmen, zijn veel dingen, die verwijzen naar Iemand uit Zijn geslacht, Die de Messias en de Koning der Joden zal worden (Psalm 132:11). Jezus Christus wordt in het Nieuwe Testament ook vele malen “Zoon van David” genoemd. In Psalm 22, een psalm van David, lezen we hoe vreselijk het lijden van Jezus Christus op Golgotha zal zijn. Bij de profeten, die later door God werden gezonden om het volk Israël te waarschuwen, vinden we veel verwijzingen naar de Christus. Jesaja voorzag Zijn geboorte uit een maagd (Jesaja 7:14) en het wonder van de vleeswording van de Zoon van God door de naam “Immanuel”, God met ons. Dat het geboren Kind ook God is, lezen we heel duidelijk in Jesaja 9:5: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.” Het evangelie van de verlossing door Jezus Christus, Zijn plaatsvervangend lijden en sterven, wordt door Jesaja zeer duidelijk beschreven in hoofdstuk 53. Deze profetie werd vele honderden jaren voorafgaande aan het leven van Jezus Christus hier op aarde reeds geschreven. Het is het onomstotelijke bewijs dat Jezus van Nazareth de Messias is, de door God Gezondene, Die stierf voor de zonden van de mensen. Bij de profeet Micha lezen we aan het begin van hoofdstuk 5, dat de Christus in Bethlehem geboren zal worden. Aan het eind van het Oude Testament voorspelt de profeet Maleachi de komst van de heraut (hoofdstuk 4:5). Het zal iemand zijn die optreedt zoals de profeet Elia. Dit is vervuld door het optreden van Johannes de Doper. Het is een wonder van God om te zien hoe al de voorzeggingen, die in het Oude Testament over de Messias zijn gedaan, letterlijk zijn uitgekomen in het leven van Jezus Christus hier op aarde.
    
     
2. Getuigenis Nieuwe Testament.

     Het leven van Jezus Christus hier op aarde is één groot wonder van Gods liefdemacht en Gods gerechtigheid. Johannes schreef aan het begin van zijn evangelie: “Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.” (hoofdstuk 1:14). Even verderop in vers 18 schreef Johannes: “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, Die heeft Hem doen kennen.” Door Zijn daden en woorden hier op aarde heeft Jezus Christus getoond Wie God de Vader is. Jezus Christus heeft hierover Zelf tegen Zijn discipelen gezegd: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: “Toon ons de Vader?” Gelooft gij niet dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is. De woorden die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, doet Zijn werken.” Zo krijgen we, als we de vier evangeliën met een gelovig hart nauwkeurig lezen, uiteindelijk een beeld van Wie Jezus Christus is en tegelijk ook een beeld van Wie God de Vader, de almachtige Schepper van hemel en aarde is. Wat een enorme liefde spreekt hieruit, dat die almachtige God Zich op deze wijze heeft geopenbaard.

     Voor de bespreking van het hele getuigenis van het Nieuwe Testament over Jezus Christus maken we een onderverdeling. Eerst willen we een aantal kenmerken noemen van Zijn leven en werk hier op aarde. Daarna gaan we over tot de bespreking van de geestelijke betekenis van het lijden van Christus aan het kruis op Golgotha. Tenslotte staan we stil bij de blijde boodschap van de opstanding van Christus en bij de positie, die Hij nu bekleedt.

Zijn leven en werk hier op aarde
     Het optreden van Jezus Christus werd gekenmerkt door Zijn gezonden zijn door God de Vader. Hij handelde en sprak niet op eigen initiatief, maar in opdracht van God (Johannes 5:36; hoofdstuk 8:28,38; hoofdstuk 12:49,50; hoofdstuk 14:10). De naam ‘Christus’, ‘Messias’ in het Hebreeuws, betekent ‘Gezalfde’. Het betekent iemand die een speciale taak krijgt opgedragen. Jezus, de Zoon van God, kreeg van God de Vader de speciale opdracht hier op aarde het verlossingswerk tot stand te brengen en de naam van God bekend te maken bij de mensen, die gered werden (Johannes 17:6). Het gezag, dat Jezus Christus van God had gekregen, werd ook ervaren door de mensen. In Mattheüs 5, 6 en 7 lezen we hoe Jezus Christus de geestelijke betekenis van de wet uitlegde. Hij was niet gekomen om de wet te ontbinden, maar om die te vervullen. De toehoorders ervaarden dat deze Rabbi het recht had zo over de heilige wet te spreken. Dat gezag ontbrak bij hun geestelijke leiders van dat moment (Mattheüs 7:48). Dit gezag was ook zichtbaar toen Jezus de tempel reinigde door de kooplieden met hun offerdieren en de geldwisselaars uit de tempel weg te jagen. Op een later ogenblik hadden de overpriesters en de Farizeeën hun dienaren erop uitgestuurd om Jezus in de tempel gevangen te nemen en bij hen te brengen. Ze kwamen zonder Hem terug en zeiden tegen hun opdrachtgevers: “Nooit heeft een mens zo gesproken als deze Mens spreekt” (Johannes 7:46). Zonder omwegen ontmaskerde Jezus de huichelarij van de Farizeeën en schriftgeleerden en waarschuwde Hij de mensen zich niet door deze blinden te laten leiden (Mattheüs 15:14). Hij kon hun gesjoemel met Gods wet niet verdragen (Marcus 7:8-13).
     Een ander opvallend kenmerk van het leven van Jezus is Zijn enorme bewogenheid met de mensen en Zijn macht om krachtdadig in te grijpen. Hij genas zieken. Blinden gingen zien, doven gingen horen en verlamden konden weer lopen. Zij die enorm veel verdriet hadden, omdat er net een geliefde gestorven was, werden getroost, doordat Jezus Christus de dode weer tot leven wekte. Hij was met ontferming over de scharen bewogen, omdat ze voortgejaagd werden als schapen, die geen herder hebben (Mattheüs 9:36). Daarom spande Hij Zich in om zoveel mogelijk te vertellen over Wie God is en wat het Koninkrijk der hemelen is en nodigde Hij de mensen uit tot Hem te komen om rust te vinden (Mattheüs 11:28-30). Zo openbaarde Hij Zich als de goede Herder, Die Zijn leven inzet voor Zijn schapen (Johannes 10:11,14).
     Een kenmerk dat steeds duidelijker werd tijdens het leven van Jezus hier op aarde, is Zijn gehoorzaamheid. Hij wist dat Hij op weg was naar het kruis om daar te sterven. In Lucas 12:50 lezen we dat Jezus zei: “Ik moet gedoopt worden met een doop en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is.” Hij wist dat Hij gevangen genomen zou worden, dat Hij bespot en gegeseld zou worden en tenslotte gedood zou worden. Hij zou in de handen van zondige mensen vallen en vreselijk lijden moeten ondergaan. Hij, Die rondgegaan was, weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren (Handelingen 10:38), zou worden bespuwd en vernederd door gewetenloze soldaten. Zij verkleedden Hem als een koning, compleet met een doornenkroon en een rieten staf als scepter, waarmee ze Hem op het hoofd sloegen. Toen Hij aan het kruis hing, werd Hij bespot door Zijn vijanden. Zij tartten Hem door te zeggen dat zij in Hem zouden geloven, als Hij van het kruis afkwam. Notabene, Hij, de eniggeboren Zoon van God, door Wie de wereld geschapen was, werd zo vernederd. In de hof van Gethsemané had Hij gebeden: “Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.” Er was geen andere weg en Hij was gehoorzaam tot en met Zijn dood aan het kruis. Dit alles deed Hij uit liefde voor u en mij, om ons te redden uit onze zonden en ons te verlossen uit de macht van de duivel.


Golgotha
     Geen mens kan in dit leven volledig begrijpen wat er op Golgotha gebeurd is. God handelde daar. Hoe zal een mens ooit het wonder en de diepte van Gods handelen kunnen peilen? Ons past een diep besef van eerbied voor God, wanneer we overdenken wat daar en toen op die heuvel buiten Jeruzalem plaatsvond. Binnen het beperkte kader van dit document willen we een aantal punten noemen.

     - Op Golgotha bewees God Zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is (Romeinen 5:8). Hij gaf uit liefde Zijn Zoon, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben (Johannes 3:16). Waarom moest God op deze wijze Zijn Zoon geven? God is heilig en rechtvaardig. Daarom is het voor Hem onmogelijk de zonde door de vingers te zien. Nooit zal Hij de wet onrechtmatig terzijde stellen of Zijn waarheid aanpassen. De zonde moet gestraft worden, anders is er voor eeuwig geen contact mogelijk met God en is de mens voor altijd verloren. Paulus legt in Romeinen 3:25,26 uit hoe door de dood van Christus de schuld van zondaren, die hun vertrouwen op Jezus Christus hebben gesteld, is betaald en God op rechtvaardige wijze deze mensen hun zonden kan vergeven. Deze liefde van God voor zondaren, welke zichtbaar geworden is in Christus Jezus, is de grootst mogelijke zekerheid, die er bestaat. Niets of niemand kan ons van die liefde scheiden (Romeinen 8:38,39).o:p

     - Aan het kruis op Golgotha is de liefde, die Jezus had voor verloren mensen, zichtbaar geworden. Hij, het Lam Gods (Johannes 1:21), gaf Zijn leven en droeg zo onze schuld. Iemand die oprecht berouw heeft van zijn zonden en die eerlijk aan God belijdt, mag weten dat het sterven van Jezus de “vaste rots van zijn behoud” is. Zijn zonden zijn hem werkelijk vergeven (1 Johannes 1:9). De kruisdood van Christus is voor de gelovige eveneens de toegangspoort naar het eeuwige leven. Immers, hij is toen met Christus gestorven en daarna met Hem opgewekt om een nieuw leven te leiden (Romeinen 6: vs 4 en 8). Onze oude mens is toen meegekruisigd, opdat wij niet langer een slaaf van de zonde zouden zijn (vs 6). De gelovige is door het sterven van Christus niet langer onder de wet, maar onder de genade (vs 14). Het is indrukwekkend om op diverse plaatsen in de brieven van Paulus te lezen hoezeer hij persoonlijk getroffen is door deze liefde, die Christus voor zondaren heeft. Zo schreef hij in Galaten 2:20: “En voor zover ik nu nog in het vlees (lichaam) leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.”
     - Het kruis is een ergernis voor de natuurlijke, onveranderde mens (Galaten 5:11). Het eigenlijke probleem van de mens kwam hierdoor aan het licht. Hij is zondaar en totaal verdorven. Het gaat niet om één of ander gebrek dat hem aankleeft en waar hij last van heeft vanuit zijn menszijn en dat eventueel te repareren is met wat hulp van buitenaf. Nee, hij staat persoonlijk schuldig voor God, omdat hij persoonlijk Gods wetten heeft overtreden (Romeinen 3:23). Daarom rust de toorn van God op hem (Efeziërs 2:3, Johannes 3:36). Het kruis van Golgotha is het bewijs, dat de mens zichzelf niet kan redden. Daarom is het kruis aanstotelijk voor hen, die niet bekeerd zijn. Zij die bekeerd zijn, roemen erin, omdat het verwijst naar hun redding (Galaten 6:14).
     - Op Golgotha werd duidelijk, dat deze wereld de vijand van God is en dat zij er niets van begrepen heeft Wie Jezus Christus is, anders zouden de ‘beheersers van deze eeuw’ Hem niet hebben gekruisigd (1 Corinthiërs 2:8). De Bijbel getuigt van de verdorvenheid van deze wereld, waarin wij leven. Deze wereld is Gods schepping, maar zij is door Hem aan de vergankelijkheid onderworpen (Romeinen 8:20,21). Alleen door het kruis van Golgotha kunnen mensen uit deze ‘tegenwoordige boze wereld’ gered worden (Galaten 1:4).
     - Aan het kruis op Golgotha versloeg Jezus Christus de duivel en alle duivelse machten. De kop van de slang werd daar vermorzeld (Genesis 3:15). In Colossenzen 2:14 en 15 lezen we dat Jezus Christus aan het kruis de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld heeft. Zo heeft Hij over hen gezegevierd.
Door Zijn dood heeft Hij de duivel, die de macht had over de dood, onttroond (Hebreeën 2:14). Wie op Jezus Christus zijn vertrouwen stelt, is niet langer slaaf van de angst voor de dood (vers 15). Hij mag met blijdschap uitzien naar het moment, waarop hij zijn Here en Redder zal ontmoeten.

Opstanding en hemelvaart
    
 Jezus Christus heeft door Zijn leven en door Zijn sterven aan het kruis één van de gevolgen van de zondeval, namelijk de zonde, teniet gedaan voor die mensen, die hun vertrouwen op Hem hebben gesteld. Het andere reeds genoemde gevolg van de zondeval, de dood, heeft Hij voor hen die Hem toebehoren, teniet gedaan door Zijn opstanding uit de doden. De opstanding van Jezus Christus is de grote bron van hoop voor de Christen. Ieder mens zonder God voert zijn leven lang een hopeloos en uitzichtloos gevecht tegen de dood, totdat hij de nederlaag lijdt. Een Christen echter heeft hoop op de toekomst. Hij wordt bij zijn bekering wedergeboren tot een levende hoop (1 Petrus 1:3), want hij weet dat hij nu op weg is naar God, naar de hemel, in de zekerheid dat hij tijdens de reis door dit leven in de kracht Gods bewaard zal worden (vers 5). Dit maakt zijn leven totaal anders (Hebreeën 2:15). De vaste grond voor deze hoop is één van de meest onweerlegbare feiten uit de geschiedenis: de opstanding van Jezus Christus.
     Alle vier evangeliën doen uitgebreid verslag van de opstanding van Jezus Christus en Zijn verschijningen daarna. Op Paasmorgen ging een aantal vrouwen naar het graf om Zijn lichaam te zalven. Dat lichaam bevond zich niet meer in het graf. Er waren daar wel engelen die de vrouwen vertelden dat Hij was opgestaan uit de doden, zoals Hij gezegd had. Die dag verscheen Hij aan de bedroefde Maria Magdalena. Later die dag verscheen Hij aan twee volgelingen die onderweg waren naar het stadje Emmaüs. Zij herkenden Hem eerst niet. Aan hen legde Jezus uit door middel van citaten uit het Oude Testament, dat de Christus eerst moest lijden om tot Zijn heerlijkheid in te gaan (Lucas 24:26). Diezelfde dag verscheen Jezus ook aan Petrus en aan de elf discipelen. Op een bepaald moment verscheen Hij aan meer dan 500 mensen tegelijk. Paulus verwijst daarnaar in 1 Corinthiërs 15. Hij voegt eraan toe dat de meesten nog in leven waren op het moment van het schrijven van zijn brief. Met andere woorden: als de Corinthiërs het niet wilden geloven, konden zij het feit van de opstanding van Christus natrekken bij honderden ooggetuigen.
     Tijdens Zijn verschijning in Galilea heeft Jezus Christus het volgende tegen Zijn discipelen gezegd: “
Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.” (Mattheüs 28:18-20). Dit is onze troost in de 21ste eeuw: Jezus Christus is ook vandaag de Heer over alles en iedereen (Handelingen 10:36). En Hij is bij hen, die Hem toebehoren.
     Lucas vertelt in Handelingen 1 hoe Christus bij Zijn laatste verschijning uitlegde dat Zijn zichtbare koningschap over Israël nu nog niet aan de orde is, maar dat dit later zal komen op Gods tijd. De apostelen kregen de opdracht om in de kracht van de Heilige Geest Zijn getuigen te zijn tot aan het einde der aarde. Daarna steeg de Here Jezus op naar de hemel. Twee engelen vertelden de apostelen dat de Here Jezus op dezelfde wijze weer terug zou komen. Wanneer Hij terugkomt, komt Hij terug als Rechter en zal Hij heel deze wereld oordelen (Mattheüs 25:31, Handelingen 17:31). Nu is Hij aan de rechterhand van God de Vader om voor ons te bidden (Marcus 16:19, Romeinen 8:34, Efeziërs 1:20, Colossenzen 3:1, Hebreeën 1:3, Hebreeën 7:25). Jezus Christus leeft nu. Hij is gisteren en heden Dezelfde, tot in eeuwigheid (Hebreeën 13:8).
     Tot zover het getuigenis van de Bijbel over Jezus Christus.


b. Wat zegt de Bijbel over het deel krijgen aan Christus?
   
 Hoe krijgt een mens deel aan Christus? Het antwoord op deze vraag is één van de belangrijkste thema’s van het hele Nieuwe Testament.
     In het Nieuwe Testament komt meer dan 100 keer het woord ‘evangelie’ voor. Het betekent ‘blijde boodschap’. Heel kort samengevat is de inhoud van die blijde boodschap: Jezus Christus. Lucas zei van Filippus, die aan de mensen in Samaria het evangelie bracht: “Hij predikte hun de Christus” (Handelingen 8). Toen Paulus naar de hoogbeschaafde Griekse stad Corinthe reisde om daar het evangelie te brengen, had hij zich voorgenomen niet met geleerde woorden aan te komen, maar het nergens anders over te hebben dan over “Jezus Christus en Die gekruisigd” (1 Corinthiërs 2:2). De inhoud van het evangelie is de Persoon en het werk van Jezus Christus. Hij is de Zoon van God, Die in de wereld gekomen is om de mensen te redden van de zonde en van de dood. Door Zijn sterven heeft Hij de zonden verzoend van allen, die in Hem geloven en door Zijn opstanding heeft Hij voor hen de dood overwonnen. Wie dit evangelie gelooft en zijn vertrouwen niet langer stelt op eigen goede werken of eigen godsdienstigheid, maar alleen op Jezus Christus, wordt gered en krijgt zo deel aan Hem. Jezus Christus is voor hem of haar gestorven en opgestaan. God zij gedankt voor dit evangelie!
     Er gebeurt enorm veel in het leven van een mens, als hij last krijgt van zijn zonden en zich begint te realiseren dat hij voor eeuwig verloren gaat en dat er voor hem geen andere redding mogelijk is dan zijn vertrouwen op Jezus Christus te stellen. Als hij zich dan helemaal overgeeft aan Hem, wordt hij gered. De Bijbel noemt dit bekering, dat wil zeggen zijn leven krijgt een totaal andere richting. Eerst leefde hij voor deze wereld, voor zichzelf en voor zijn eigen eer. Nu leeft hij voor Christus, Die voor hem gestorven is en opgewekt (2 Corinthiërs 5:15). De gelovige heeft berouw gekregen van al zijn zonden. De Heilige Geest heeft hem van die zonden overtuigd en hij belijdt ze van harte aan God. Hij wordt opnieuw geboren (Johannes 3:7). Eigenlijk staat daar: ‘van bovenaf geboren’. Dat betekent dat de Heilige Geest in hem komt wonen. Een jonggestorven Schotse Puritein omschreef het geloof heel treffend als volgt: het geloof is het leven van God in de ziel van een mens. Dat nieuwe leven van God spoort hem aan om voor God vrucht te dragen (Romeinen 7:4). De gelovige krijgt ook een ander thuis. Eerst bevond zijn thuis zich in deze wereld van zonde, ellende en dood. Nu wordt de hemel zijn thuis (Galaten 1:4, Efeziërs 2:6, Colossenzen 3:3, Hebreeën 11:13,14). Hij gaat behoren bij het Koninkrijk der hemelen (Colossenzen 1:13).
    Bij deze bekering en de wedergeboorte van een mens is het kruis van Golgotha duidelijk zichtbaar. De Christen krijgt namelijk deel aan de gekruisigde Christus. Het laatste gedeelte van Johannes 12 spreekt daarover heel duidelijk. In vers 24 kondigde Jezus aan dat Hij door Zijn dood veel vrucht zou dragen met de woorden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.” In vers 32 en 33 zei Hij: “Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken. En dit zeide Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou.” Toen Jezus Christus aan het kruis genageld werd en daar stierf, trok Hij allen die Hem toebehoren, tot Zich. Dat heeft vergaande consequenties voor ons leven nu. We kunnen alleen maar deel krijgen aan de gekruisigde Christus en eeuwig leven van Hem ontvangen, als wij ons eigen leven hier in deze wereld niet meer liefhebben, maar haten, dat wil zeggen opgeven, ervan afzien. Dit feit vinden we terug in ditzelfde gedeelte van Johannes 12 in de volgende woorden van Jezus: “Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven” (vers 25).
     Het zojuist genoemde feit dat een mens alleen maar Christen kan worden door het opgeven van zijn oude leven en door deel te krijgen aan de gekruisigde Christus, wordt op meerdere plaatsen in de Bijbel bevestigd, o.a. in Mattheüs 16. Daar zei Jezus Christus tegen Zijn discipelen: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden” (vers 24, 25). Dit opgeven van het eigen leven om Jezus’ wil is een daad van de enkeling. Geen mens kan hierin voor iemand anders beslissingen nemen. God haat zoiets. Hij heeft de mens als enkeling geschapen. Ieder mens is een individuele persoon met een eigen verstand, een eigen wil en een eigen gevoel. Ieder mens draagt ook zijn eigen individuele verantwoordelijkheid. Er bestaat niet één of andere vorm van collectief deel krijgen aan Christus.
 

     Het evangelie van Jezus Christus geloven en Hem vertrouwen is niet een gecompliceerde zaak. Het is kinderlijk eenvoudig. Jezus Christus Zelf zei daarover: “Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U” (Lucas 10:21). Helaas zijn er in latere tijden mensen geweest, die er wel een gecompliceerde zaak van hebben gemaakt. Zij probeerden na te gaan wat de rol van de mens is bij het ontvangen van de genade. Tot op de dag van vandaag woeden hierover discussies die veel onheil aanrichten. We vragen ons af hoe het mogelijk is dat mensen die de genade van God in hun leven ervaren hebben, over zoiets nog kunnen discussiëren. Laat dit duidelijk zijn: wie werkelijk Gods genade heeft ervaren, doordat hij gered is, die weet dat hij in de verste verte die genade niet heeft verdiend. Verdiende genade is per definitie geen genade. Niemand is Gods genade waard. Onze redding vindt zijn oorsprong in God (1 Corinthiërs 1:30), ja, in Gods liefde (Efeziërs 1:5). God is het die zowel het willen als het werken in ons werkt (Filippenzen 2:13). Niemand kan zichzelf ‘van bovenaf’ geboren laten worden (Johannes 3:7), evenmin als hij zijn eerste geboorte als mens zelf heeft kunnen veroorzaken. Aan de andere kant is het zeker zo dat God de mens niet als een robot behandelt. Diverse keren deed Jezus Christus Zelf de oproep: “Bekeert u!” Tegen de lauwe gemeente in Laodicea zei Hij zelfs: “Weest dan ijverig en bekeer u!” (Openbaring 3:19). Zij moesten zich ervoor inspannen. Beide kanten zijn waar en bij God is bekend hoe die twee kanten met elkaar in verband staan. God heeft er een bedoeling mee gehad om ons mensen hierover verder geen dingen in Zijn Woord te openbaren. Dat moet ons genoeg zijn en dat zal ons genoeg zijn, als wij werkelijk eerbied voor God hebben en Hem vertrouwen als een kind.                                                   

   


III. Wat is de Gemeente?

     Het antwoord op deze vraag vinden we in het Bijbelboek Handelingen der Apostelen. Daar wordt ons verteld hoe Jezus Christus na Zijn opstanding diverse keren aan de discipelen verschenen is en hen van alles heeft uitgelegd over het Koninkrijk Gods. Het ging en gaat niet om een zichtbaar Koninkrijk, maar om een geestelijk Koninkrijk. In de toekomst zal Jezus Christus op zichtbare wijze Koning worden over Israël en over heel de wereld, maar dat is nu niet aan de orde. De apostelen moesten zich niet richten op de vervulling van die profetie, maar zij werden uitgezonden om de getuigen van Christus te zijn tot aan het einde der aarde.
     Het is een feest om het boek Handelingen te lezen. We zien hoe het handelen van Jezus Christus in deze wereld niet beperkt is gebleven tot Zijn verblijf hier op aarde, maar hoe Hij ook na Zijn hemelvaart is blijven handelen (Handelingen 1:1), in en door Zijn gemeente. Het begint met de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag. Dit was een daad van Hem (Handelingen 2:33). Na de toespraak van Petrus “werden er ongeveer 3000 zielen toegevoegd” (Handelingen 2:41). Dat bleef zo doorgaan. “En de Here voegde dagelijks toe aan de kring die behouden werden” (vers 47). Het oorspronkelijke kleine groepje van 120 volgelingen (Handelingen 1:15) groeide en groeide maar. Er zijn veel dingen die opvallen bij de eerste gemeente. Er was blijdschap, oprechte liefde, milddadigheid, volharding. Hoe de tegenpartij ook zijn best deed om de gemeente kapot te maken door er huichelaars op af te sturen (Handelingen 5:1-10) of door vervolging (Handelingen 8:1), God bewaarde de gemeente. Er heerste een grote onderlinge liefde en eenheid temidden van vervolging. God werd verheerlijkt.
     De enige taak die de gemeente hier op aarde heeft, is getuigen van Jezus Christus in woord en daad. Tegen de discipelen zei Jezus na de opstanding: “Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u” (Johannes 20:21). Een paar dagen daarvoor had Hij tegen Pilatus gezegd: “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen” (Johannes 18:37). Op dezelfde wijze zendt Jezus Christus Zijn gemeente uit met de opdracht om te getuigen voor de waarheid van het evangelie. “Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping” (Marcus 16:15). Dat blijft zo tot de wederkomst van Christus. In Mattheüs 24:14 staat: “En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.” Dit evangelie van het Koninkrijk is de verkondiging van de gekruisigde en opgestane Christus tot redding van zielen. Daar ligt het front. Als we willen nagaan hoe het met het Koninkrijk der hemelen gesteld is in een bepaald land gedurende een bepaalde periode, dan moeten we niet letten op uiterlijke dingen, zoals een zogenaamd Christelijke beschaving, Christelijke politieke partijen, orthodoxe theologie, rechtzinnige publicaties, kerkbezoek etc., etc., maar dan moeten we letten op de kracht en de effectiviteit, waarmee het evangelie van Jezus Christus wordt verkondigd tot redding van zondaren. Wat een tijd was dat, toen Luther de genade verkondigde, zoals die is in Jezus Christus. Wat een zegen heeft bijvoorbeeld de bediening van Whitefield gebracht. Wat heeft God gewerkt in de Metropolitan Tabernacle te Londen door de prediking van Spurgeon. God heeft zo heel veel mensen gebruikt. Er werden vele zielen bekeerd en gered voor de eeuwigheid.
      Aan dit getuigenis van de gekruisigde Christus is een geestelijke strijd verbonden. De overste van deze wereld, de duivel, zal alles in het werk stellen om juist dat getuigenis te dwarsbomen, want hij gaat zijn heerschappij over die geredde zielen kwijt en dat wil hij ten koste van alles voorkomen. Daarom doet hij zijn best de gemeente te richten op andere dingen dan de verkondiging van het evangelie en als het enigszins mogelijk is, zal hij proberen een soort status-quo tot stand te brengen tussen de gemeente en de wereld. De duivel vindt de oproepen “Bekeert u” en “U moet wederom geboren worden” verschrikkelijk en hij zal zich inspannen om die oproepen te voorkomen of om die een andere betekenis te geven of om die in een verkeerd daglicht te stellen. De gemeente moet daarop bedacht zijn en zich realiseren dat zij zich nooit mag laten verleiden tot een soort wapenstilstand met het rijk van de boze. Het eeuwig heil van zielen staat op het spel. Daarom moet de gemeente voortdurend in de aanval zijn door haar getuigenis van de gekruisigde Christus te blijven verkondigen. De eerste gemeente heeft dat gedaan. In het boek Handelingen zien we hoe God haar daarin heeft geleid en hoe het evangelie verspreid werd tot in Rome. Dit verspreiden is doorgegaan tot in onze tijd. De tegenstand tegen de echte evangelieverkondiging heeft zich ook voortgezet, want de overste van deze wereld doet nog steeds zijn uiterste best om de zielen van de mensen gevangen te houden.
     De rol van de gemeente in deze wereld wordt duidelijk beschreven in het Nieuwe Testament. Zij die door Jezus Christus gered worden, worden aan de gemeente toegevoegd (Handelingen 2:47). Het is Jezus Christus Zelf, Die aan Zijn gemeente toevoegt. Bekeringen zijn 100 procent het werk van God. Aan zijn eigen bekering kan de mens zelf niets toevoegen; evenmin kan een gemeente of kerk iets toevoegen aan de redding van een ziel. Met andere woorden, de gemeente is geen heilsorgaan. Ze speelt geen rol bij het uitdelen van de genade. Het enige wat zij kan doen, is gehoorzaam zijn aan de opdracht van haar Heer en het evangelie verkondigen. Het geloof is uit het horen (Romeinen 10:17) en wordt op geen enkele andere wijze overgedragen. Het is nog steeds, ook in onze 21ste eeuw, Jezus Christus Zelf Die de mensen redt. “Daarom kan Hij ook volkomen (‘tot het uiterste’) behouden wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten” (Hebreeën 7:25). Als God een mens genade verleent, dan gebeurt dat door Jezus Christus Persoonlijk. Christus deelt de genade niet uit via Zijn Lichaam, de gemeente. Hij alleen is de Weg, de hele Weg. Er zit geen enkel stukje menselijke weg bij. Hij alleen redt ‘tot het uiterste’. Daarom zei Paulus ook: “Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en u zult gered worden” (Handelingen 16:31). 
     Wat betreft het functioneren van de gemeente het volgende. Het Griekse woord voor de gemeente betekent: de ‘eruit geroepenen’. Daarom kan de gemeente het best worden gezien als een groep pelgrims, die samen op weg zijn naar de eeuwigheid. In deze wereld zijn ze, evenals Abraham, vreemdeling geworden door de stem van God te gehoorzamen. Ze voelen zich hier niet meer thuis (Hebreeën 11:13-16). In hun gedrag zullen ze hun best doen zich te houden aan de geboden van God. Daardoor functioneren zij in deze wereld als zout, dat het bederf weert (Mattheüs 5:13). Verder zullen zij altijd bereid zijn in een geest van zachtmoedigheid en eerbied verantwoording af te leggen van de hoop die in hen is, aan een ieder die hen daarom vraagt (1 Petrus 3:15). En ze zullen zich door God de Heilige Geest laten leiden hoe en waar zij kunnen getuigen van het evangelie.
     De gemeente als groep mensen past ook niet meer in deze wereld. Het gaat er totaal anders aan toe dan men in de wereld gewend is. In de wereld zijn er altijd machthebbers bezig, mensen die op de één of andere manier de baas spelen en andere mensen manipuleren via de macht van het geld of de media en de publieke opinie. In de gemeente van Jezus Christus is het precies andersom. Hierover lezen we in Lucas 22:24-26: “Er ontstond ook onenigheid onder hen over de vraag, wie van hen als de eerste moest gelden. Hij (Jezus) zeide tot hen: De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd. Doch gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar.” Machtsstrijd onder echte Christenen is ten enenmale ondenkbaar. “Dient elkander door de liefde” (Galaten 5:13). Jezus Christus Zelf gaf hiervan het voorbeeld, toen Hij de voeten van Zijn discipelen waste (Johannes 13). Zij die van God genade hebben ontvangen leiding te geven, zijn niet de meesters, maar de dienaren van de gemeente.
     Er is nog iets bijzonders aan de gemeente van Jezus Christus, vergeleken met de rest van de wereld, waar alles bezig is uit elkaar te vallen. In de gemeente is een levende harmonie en er heerst een zichtbare eenheid (Johannes 17:21,23). Dat kan immers ook niet anders. Een mens is Christen, omdat hij deel heeft aan Christus. Dat is de bepalende factor, waardoor hij Christen is. Er is maar één Christus, want Christus is niet gedeeld (1 Corinthiërs 1:13). Als het goed is, vormt een gemeente zo een eenheid. De vrede van God regeert er in de harten van de gelovigen, die tot één Lichaam geroepen zijn (Colossenzen 3:15). Er is veel mis in een verdeeld Christendom. Het eigenlijke probleem zit dan niet in de onderlinge relaties, maar in de relatie met Jezus Christus. De fundamentele vraag die overblijft in situaties van verdeeldheid, is: “Ben ik echt Christen?” Met andere woorden: “Heb ik echt deel aan die ene Christus?” Het antwoord op die vraag is bepalend voor het beantwoorden van alle volgende vragen. In de eerste gemeente was die eenheid er. Er waren aanvallen, maar de boze werd weerstaan (1 Corinthiërs 1). Juist door die eenheid en de onderlinge liefde is de gemeente een stad op een berg, die niet verborgen kan blijven (Mattheüs 5:14). Zo is zij het licht in deze donkere wereld.

     Hierbij hebben we nu aan de hand van de Bijbel de vragen besproken: Wie is er Christen? en Wat is de Gemeente? We zullen nu verder gaan door de antwoorden die de Bijbel geeft te vergelijken met de situatie in het huidige Christendom.          

 

IV. Hoe Bijbels is het hedendaagse Christendom?

     Er is een zeer dringende reden om dit hedendaagse Christendom te toetsen. De zuivere verkondiging van het evangelie van Jezus Christus staat op het spel. Wij allen zijn afhankelijk van dat evangelie en ieder oprecht Christen onderwerpt zich er van harte aan en heeft het lief. Wanneer hij ziet dat het verdraaid wordt, kan hij zich niet afzijdig houden, want de eeuwige redding van zielen staat op het spel. Paulus schroomde niet om in zo’n situatie harde woorden te gebruiken. Aan de Galaten schreef hij: “Het verbaast mij, dat gij u zo schielijk van degene, die u door de genade van Christus geroepen heeft, laat afbrengen tot een ander evangelie, en dat is geen evangelie. Er zijn echter sommigen, die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, [u] een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!” (Galaten 1:6-8). Er vallen bij deze uitspraak van Paulus een heleboel dingen op. In de eerste plaats de gedrevenheid van Paulus. Hij begint zijn brief niet met een betoog om zo tot een duidelijke conclusie te komen, maar hij valt met de deur in huis. Verder spreekt hij zijn veroordeling uit in zeer scherpe bewoordingen. Ook betrekt hij zichzelf bij die vervloeking. Het betreft hier immers niet een meningsverschil tussen twee partijen, maar het evangelie zelf is in het geding. De waarheid van dat evangelie is ver verheven boven alle menselijke meningen. Menselijke meningen zullen zich overigens altijd verzetten tegen het evangelie, want het evangelie is niet naar de mens (Galaten 1:11). Tenslotte, als Paulus het heeft over “sommigen, die het evangelie van Christus willen verdraaien”, dan houdt dat in dat het evangelie zich duidelijk laat omschrijven, zodat, als iemand het werkelijk verdraait, dit objectief vastgesteld kan worden. Dit vaste evangelie, waar Paulus het over heeft, verandert niet met de tijd mee. Het is toen eenmaal de heiligen overgeleverd en wij behoren hiervoor tot het uiterste te strijden (vergelijk Judas 1:3).
     Nu is het zo, dat de leiders uit verschillende stromingen binnen het huidige Christendom de pretentie hebben dat hun manier van Christen zijn naar Gods wil is en dat hun Christendom het Christendom van de Bijbel is. Dit feit dwingt ons ertoe om aan de hand van de Bijbel een antwoord te geven op de vraag: Hoe Bijbels is het hedendaagse Christendom?    

     Allereerst een paar opmerkingen vooraf. Met “Christendom” bedoelen we hier de uiterlijke vormen van het Christendom. Dat levert meteen al een probleem op, want het hedendaagse Christendom is enorm gevarieerd. Op zich is dat al een slecht teken. Er zijn wel een paar stromingen te onderscheiden, namelijk, a. De Rooms-katholieke kerk, b. de Vrijzinnig Protestantse kerken, c. de Orthodox Protestantse kerken, d. de Evangelische beweging. Er zijn dwarsverbindingen, maar die laten we in dit document rusten. Per stroming zullen we tot een soort beschrijving moeten komen. Hierbij dienen we uit te gaan van waarneembare feiten. Niemand kan het hart van een medemens voor 100 procent kennen. Dat kan alleen God. Aan de hand van de vruchten zijn er echter wel conclusies te trekken (vergelijk Mattheüs 7:16,20). Die vruchten zijn objectief waarneembare feiten in iemands leer en leven. Deze worden nu verder als uitgangspunt genomen.
     Verder kan een vergelijkende beschrijving alleen maar plaatsvinden aan de hand van bepaalde criteria. Wij kiezen voor de volgende criteria: 1. Hoe is binnen die stroming de houding ten opzichte van de Bijbel? 2. Welke definitie van een Christen wordt er in de praktijk gehanteerd? 3. Hoe ziet men de functie van de gemeente? Daarna formuleren we een conclusie.

a.
De Rooms-katholieke kerk         
1. Hoe is de houding ten opzichte van de Bijbel binnen de Rooms-katholieke kerk?
     Wie de huidige Katechismus van de Katholieke kerk ter hand neemt, ziet achterin een index met ongeveer 3000 verwijzingen naar Bijbelteksten. Dat lijkt erg betrouwbaar, maar dat is het niet. Het gaat erom welk gezag er aan de Bijbel wordt toegekend. In paragraaf 119 van deze Katechismus wordt gesteld dat de kerk “de Goddelijke opdracht en de taak heeft om het woord van God te bewaren en te verklaren.” De kans dat de Rooms-katholieke kerk zich ooit zal laten corrigeren door de Bijbel, die zijzelf bewaart en verklaart, is nihil. Het gezag van de kerk staat boven het gezag van de Bijbel. Dat wordt daar nog eens met het volgende citaat van Augustinus onderbouwd: “Ik zou het Evangelie niet geloven, als het gezag van de katholieke Kerk mij er niet toe aanzette.”
     Als een Protestant een Katholiek erop zou wijzen, dat de Rooms-katholieke kerk naast de Bijbel ook de Traditie als openbaring ziet, dan zal deze Katholiek verwijzen naar paragraaf 66 van de Katechismus, waar staat: “De Christelijke heilseconomie, die immers het Nieuwe en definitieve Verbond (Testament) is, zal nooit voorbijgaan en er is geen nieuwe publieke openbaring meer te verwachten vóór de glorievolle verschijning van onze Heer Jezus Christus.” Zo op het oog lijkt de Rooms-katholieke kerk dus ook te geloven dat de openbaring met de Bijbel afgesloten is. Maar de volgende zin plaatst het in een heel ander daglicht: “Toch is de openbaring, ook al is zij voltooid, niet geheel ontvouwd; het zal de taak van het Christelijk geloof zijn in de loop der eeuwen geleidelijk de gehele omvang ervan te begrijpen.” Zo wordt dus via een achterdeur het gezag van de Traditie ‘gelegaliseerd’. Deze “logica” oftewel “drogreden” – geen nieuwe openbaring, wel verdere ontvouwing – is kenmerkend voor het hele Rooms-katholieke denken en zeer, zeer gevaarlijk voor argeloze belangstellenden. De krantenberichten over discussies tussen Protestantse en Rooms-katholieke theologen zijn erg verbazingwekkend. Hoe is het bijvoorbeeld in vredesnaam mogelijk dat de Theologische Universiteit Kampen (Gereformeerd (vrijgemaakt)) als één van de sprekers voor een symposium over de geloofsbelijdenissen van de Reformatie dr. E. de Jong, de hulpbisschop van Roermond, uitnodigde? Deze zei toen in dat gezelschap: “Het Woord van God is nooit los van de Kerk verkrijgbaar.” Vervolgens lees je niet, dat hij met zo’n uitspraak alle toehoorders over zich heen heeft gekregen. Waar is het respect voor Gods Woord gebleven? Hoe kunnen zondige mensen ooit de baas spelen over de Bijbel? En waar was het historisch besef van dat geleerde gezelschap? Weten ze niet meer hoe Wycliffe zich heeft ingespannen om de Bijbel beschikbaar te krijgen voor de gewone mensen en hoe de Rooms-katholieke kerk ervoor gezorgd heeft dat de resten van zijn lichaam 44 jaar na zijn overlijden alsnog verbrand werden? Zijn ze Tyndale vergeten, die om dezelfde reden door de Rooms-katholieke kerk in 1536 te Vilvoorde werd gewurgd en verbrand? Weet men niet meer dat tot 50 jaar geleden de Rooms-katholieke kerk het de leken verbood de Bijbel te lezen? Is het niet overduidelijk dat de huidige leiding van de Rooms-katholieke kerk zich geen zier aantrekt van wat er in de Bijbel staat? Anders had ze inmiddels radicaal gebroken met haar verleden. Die zogenaamde “ontvouwing” van de “voltooide openbaring” heeft een hele rij leerstukken opgeleverd, die stuk voor stuk lijnrecht tegen de Bijbel ingaan. Het jaartal van de invoering staat erbij.
- het vagevuur (593)
- aanbidding van beelden en relikwieën (786)
- celibaat van het priesterdom (1079)
- de Inquisitie (1184)
- verkoop van aflaten (1190)
- transsubstantiatie (1215)
- aanbidding van de hostie (1414)
- het verbod van de avondmaalsbeker voor de leken (1414)
- de Traditie op dezelfde voet geplaatst als de Bijbel (1545)
- apocriefe boeken aan de Bijbel toegevoegd (1546)
- onbevlekte ontvangenis van de Maagd Maria (1854)
- onfeilbaarheid van de paus (1870)
- lichamelijke hemelvaart van de Maagd Maria (1950)

Dit zijn de gevolgen als men zich niet aan het gezag van de Bijbel onderwerpt. Dan kunnen dit soort erge dingen gebeuren. Verschrikkelijk is het voor de mensen, die in dit warnet van leugens gevangen zitten.
     In dit document kunnen we niet alle genoemde punten behandelen. Sommige zullen verderop nog aan de orde komen. In verband met de houding ten opzichte van de Bijbel willen we hier wel de Mariaverering bespreken. Deze vindt geen enkele grond in de Bijbel. Ze is ontstaan in de loop van de geschiedenis. Er zijn haar, o.a. onder invloed van volksdevotie, zeer onbijbelse titels gegeven, als “Moeder Gods” en “Koningin van de hemel”. Al vroeg in de geschiedenis ontstond onder invloed van het neoplatonische kuisheidsideaal ook het dogma, dat Maria altijd maagd is gebleven. In het Nieuwe Testament wordt het tegenovergestelde gezegd. In Mattheüs 1:24,25 lezen we: “Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was, deed hij, zoals de engel des Heren hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich. En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had.” Hieruit valt op te maken dat Jozef en Maria na de geboorte van Jezus een normaal huwelijksleven hebben geleid. Ook wordt expliciet in bijvoorbeeld Mattheüs 13:55,56 gesproken over de broers en zussen van Jezus. Daar zeggen de inwoners van Nazareth over Jezus: “Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En behoren zijn zusters niet allen bij ons?” Duidelijker kan het niet. Hoe redt de Rooms-katholieke kerk zich hieruit? U kunt dat lezen in paragraaf 500 van de Katechismus. Daar staat het volgende:
 “Soms brengt men hier tegenin dat de Schrift spreekt over broeders en zusters van Jezus. De kerk heeft deze passages altijd zo verstaan dat hier geen andere kinderen van de maagd Maria worden aangeduid: immers, Jakobus en Jozef, ‘broeders van Jezus’ zijn de zonen van een Maria, een leerlinge van Jezus, die veelbetekenend aangeduid wordt als ‘de andere Maria’ (Mattheüs 28:1). Het betreft naaste verwanten van Jezus, overeenkomstig een uit het Oude Testament bekende uitdrukking.”
Hier ontbreekt elke logica. De inwoners van Nazareth waren verbaasd over het optreden van Jezus. Ze hadden het specifiek over Hem zoals ze Hem van vroeger kenden: Jezus, de zoon van Jozef, de timmerman, die getrouwd was met Maria. Hij had broers, die Jakobus, Jozef, Simon en Judas heetten en Zijn zussen woonden nog steeds in hun midden. De bewering dat het hier over een ‘andere Maria’ zou gaan is dus een heel kromme redenering. Ook staat er in deze paragraaf nog een quasi-wetenschappelijke verwijzing. Het Griekse woord ‘adelfos’ (= broeder) zou ook ‘naaste verwant’ kunnen betekenen. Deze door de Roomse kerk voorgestelde vertaling is een slag in de lucht en zeker als geheel foutief aan te merken, gezien het verdere gebruik van het woord ‘adelfos’ in het Nieuwe Testament. Het woord komt er ongeveer 350 keer voor en wordt nooit anders vertaald dan met ‘broeder’. Het is heel erg triest om te zien hoe menselijk denken in staat is informatie, die niet duidelijker had kunnen zijn, toch op zo’n manier te verdraaien, dat het gaat overeenstemmen met de dogma’s, die men reeds heeft. Ook Luther en Calvijn zaten nog in de valkuil van deze dwaalleer over Maria.
     In de tijd, toen ik zelf nog geen Christen was, heb ik meer dan een week lang gesprekken gevoerd met Benedictijnse geestelijken in de St. Paulusabdij te Oosterhout. Mij is toen dit ‘kromme’ Bijbelgebruik erg opgevallen. Pas later, toen ik Christen geworden was, is tot me doorgedrongen wat voor een geestelijke ramp het is, als door allerlei oorzaken de Bijbel het zwijgen wordt opgelegd en het licht van het evangelie van Jezus Christus niet kan doordringen. Ik kreeg het er achteraf benauwd van. Rooms-katholieke mensen zijn zeer te beklagen. Ze hebben nog steeds geen Bijbel, geen openbaring van God, omdat hun kerk nog steeds de baas speelt over hun denken.

b. Welke definitie van een Christen wordt er in de praktijk binnen de Rooms-katholieke kerk gehanteerd?
    
Wie in de Rooms-katholieke kerk gedoopt is, wordt als ‘gelovige’ en dus als Christen beschouwd. Volgens de Rooms-katholieke leer wordt door de doop de erfzonde weggedaan, wordt de dopeling wedergeboren en lid van het Lichaam van Christus, dat wil zeggen de kerk. Hij is nu in een toestand gekomen om verder deel te kunnen nemen aan de sacramenten van de kerk, waardoor hij genade kan verkrijgen. Het deelnemen aan deze sacramenten is heilsnoodzakelijk. Het lukt nooit om in dit leven volledige zekerheid te krijgen van de genade, want alle Rooms-katholieken gaan ervan uit dat ze na hun dood in het vagevuur terechtkomen. Als ze niet in een staat van doodzonde zijn gestorven en er missen voor hen worden gelezen en aflaten gekocht, kan hun ziel na verloop van tijd uit het vagevuur in de hemel komen. Als je wel in een toestand van doodzonde sterft, ziet het er slecht voor je uit, want dan ben je voor eeuwig verdoemd.
     Dit alles staat in schrille tegenstelling tot wat de Bijbel hierover zegt in bijvoorbeeld Efeziërs 2:8,9. “Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.” In de Rooms-katholieke kerk bestaat het verkrijgen van de genade alleen maar uit werken. Je moet de mis bijwonen, je moet ter biecht gaan, je moet, wil je goed sterven, het Heilig Oliesel ontvangen en na de dood moet je lichaam worden begraven in gewijde grond, je moet missen voor je zielenrust laten lezen, etc., etc.. Dit is geen genade, geen vrije gift van God, maar genademechanica, uitgevoerd door de kerk. En . . . er moet ook nog voor betaald worden.
     In het trefwoordenregister van de Rooms-katholieke katechismus verwijst het begrip ‘bekering’ door naar ‘berouw’. Dat wordt zelf niet vermeld, maar is terug te vinden onder ‘boete’. Het Bijbelse begrip ‘bekering’ bestaat in het Roomse denken niet. Zoals gezegd word je al vanaf de doop beschouwd als Christen, dat wil zeggen je verkeert in een toestand waarin je genade kunt ontvangen, als je maar deelneemt aan de sacramenten. Dat is dus een verdienen van de genade, terwijl genade per definitie onverdiend is. Wat een duisternis!

c. Hoe ziet men de functie van de gemeente?
     Ook bij de behandeling van dit punt wordt op een schrijnende manier zichtbaar, wat de gevolgen zijn als de Bijbel niet wordt aanvaard als het gezaghebbende Woord van God en het licht van het evangelie niet kan schijnen. De Rooms-katholieke kerk is een verschrikkelijke instelling. Zij heerst op een afschuwelijke manier over de gelovigen door te zeggen, dat zij de genade uitdeelt. Dat staat nergens in de Bijbel. De kerk kan een mens niet redden, ook niet een beetje redden. Alleen Jezus Christus redt. Hij redt nog steeds rechtstreeks ieder individu, dat niet langer zijn vertrouwen op zichzelf, of op sacramenten, of op de kerk vestigt, maar zich onvoorwaardelijk helemaal aan Hem toevertrouwt.
     We zouden een groot aantal bladzijden kunnen vullen met wat er allemaal niet klopt in de Rooms-katholieke kerk, maar we zullen ons hier beperken door puntsgewijs een aantal dingen bij langs te gaan:
* Zij meet zich de rol van de Moederkerk toe, maar zo’n rol staat nergens in de Bijbel. De gemeente is de Bruid van Christus, maar niet de moeder van de gelovigen.
* Het misoffer op het altaar lijkt in alles op een heidens offer. Het is volkomen absurd om van een stuk brood te zeggen dat het het lichaam van Christus is. Als dit de werkelijkheid was, dan zouden alle Rooms-katholieken kannibalen zijn. Om dan ook nog dat stukje materie als godheid te vereren door ervoor neer te knielen etc., etc., is regelrecht heidendom. Deze ‘wisseltruc’ met het brood ‘werkt’ alleen maar op een altaar, waar een relikwie van een gestorven heilige in zit. In de St. Paulusabdij te Oosterhout bevonden zich ongeveer 12 altaren in de kerk. Dan konden meerdere paters tegelijk een mis lezen ten behoeve van zielen die zich in het vagevuur bevonden. De gastenbroeder liet ons zien hoe aan de voorkant van elk altaar een blokje was losgezaagd. Daarachter bevond zich een relikwie. Zoiets is gewoon afgoderij. De Heidelbergse Catechismus had op dit punt gelijk en heeft nog steeds gelijk. De Rooms-katholieke mis is een vervloekte afgoderij. Deze waarheid moet men mooi laten staan.
* De rol van de priester is zeer kwalijk in de richting van God en mensen. Wat betreft God het volgende: het is te gek voor woorden dat de priester ervan overtuigd is met de woorden “Hoc est enim corpus meum” (“dit is waarlijk mijn lichaam”) Christus te kunnen bevelen uit de hemel af te dalen en plaats te nemen in dat platte stukje brood. Wat een waanzin! De rol van de priester in de richting van mensen, te weten zijn parochianen, is geheel en al onmenselijk. Hij denkt immers door het uitreiken van de hostie de genade uit te delen. En hij beeldt zich in namens de kerk de zonden te kunnen vergeven die hem tijdens de biecht verteld zijn. Zo heeft hij de absolute macht over de mensen in zijn parochie. Dat is toch niet te bevatten.
* In het reeds genoemde klooster heb ik op een zondag als toeschouwer een kerkdienst meegemaakt. Verbaasd heb ik zitten kijken naar al de verschillende priestermantels en het zwaaien met het wierookvat. De liturgie vond toen nog hoofdzakelijk plaats in het Latijn. De aanwezige Rooms-katholieke gelovigen hebben er niets van kunnen volgen. Zo wil de God van de Bijbel absoluut niet gediend worden.
* De positie van de paus is misschien wel het ergst. Hij heeft sinds het jaar 382 de titel “Pontifex Maximus”. Dat is de titel van de opperpriester van de Romeinse heidense godsdienst. Men zag dus het Christendom in het verlengde van de Romeinse aanbidding van afgoden als Jupiter etc.!!! En de paus zet die traditie dus voort! Verder is hij zogenaamd onfeilbaar bij het afkondigen van dogma’s. Dat kan natuurlijk nooit. Geen mens is onfeilbaar. Zijn titel “Plaatsvervanger van Christus” is ronduit antichristelijk te noemen. Jezus Christus Zelf heeft gezegd: “Zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.” Hij Zelf is door de Heilige Geest bij Zijn gemeente aanwezig. Onvoorstelbaar is het dat, dwars tegen deze belofte van Jezus Christus in, in een menselijk brein de arrogante misvatting kan ontstaan zich hier op aarde te kunnen uitgeven voor de Plaatsvervanger van Jezus Christus, de Zoon van God. Zoiets is zeker vanuit de hel geïnspireerd. Het is verschrikkelijk om aan te zien hoe de paus zich als een soort supermens in de Sint Pieterskerk te Rome laat vereren temidden van een overmaat aan pracht en praal. Lijkt dit in de verste verte ook nog maar iets op het leven van Jezus Christus? Hij had geen plaats om het hoofd neer te leggen. Hij kwam om te dienen en drukte Zijn discipelen (ook Petrus!) op het hart zich geen “Rabbi” of “Vader” te laten noemen, terwijl daar nu temidden van die miljoenen euro’s verslindende religieuze kermis een sterfelijk mens van vlees en bloed zich laat aanspreken met de titel “Heilige Vader”. Hij is geen ‘plaatsvervanger’ van Christus, maar het tegenbeeld van Christus. De geest van de antichrist is duidelijk herkenbaar. Laat u toch niet misleiden!
 
Conclusie:
    Als we al het bovenstaande samenvatten, worden we gedwongen, ondanks die 3000 verwijzingen naar Bijbelteksten in de Katechismus, tot de conclusie te komen, dat de Rooms-katholieke kerk heidendom is. Ja, zij is vele malen erger dan heidendom, want het is heidendom in een Christelijk gewaad. Bij het onderdeel over de geschiedenis gaan we na hoe dit allemaal ontstaan is.

b. De Vrijzinnig Protestantse kerken.
1. Hoe is de houding ten opzichte van de Bijbel binnen de vrijzinnig Protestantse kerken?
     Onder vrijzinnig Protestantse kerken verstaan we kerken, die de Bijbel niet als de enige bron van Gods openbaring nemen. Deze richting is ontstaan ten tijde van de Verlichting en zette zich halverwege de 19de eeuw door in Duitsland. Van daaruit heeft ze zich over de hele wereld verspreid. In Nederland vindt men deze vrijzinnigheid in de PKN en een aantal andere kerken. Het komt erop neer dat men de Bijbel slechts als een historisch document beschouwt, waarop men allerlei tekstkritische methoden kan loslaten. Van de boodschap van de Bijbel blijft niets meer over. In de regel is het begonnen met het twijfelen aan de schepping onder invloed van de evolutietheorie. Vaak volgde daarop het ter discussie stellen van het plaatsvervangende lijden en sterven van Jezus Christus. Inderdaad, het kruis is nog steeds aanstotelijk, zelfs in kerken die zich Christelijk durven noemen. Men gelooft niet dat Jezus Christus echt is opgestaan. Daarmee wordt de prediking en het geloof een inhoudsloze zaak (1 Corinthiërs 15:14). Meestal ging het zo van kwaad tot erger. In plaats van schaamte zie je bij veel voormalig orthodoxe theologen een soort missionair elan, waarmee ze hun ‘nieuwe’ ideeën aan de man brengen.
     Als men niet meer gelooft dat Genesis 1, 2 en 3 letterlijk zo gelezen moeten worden, gaat de hele Bijbel dicht. Men gelooft dan niet meer in de Schepper en ontkent dat er een zondeval is geweest. Hierdoor maakt men de komst van Jezus Christus in deze wereld en Zijn lijden en sterven voor de zonde tot een farce. Hun “Jezus” was dus in hun ogen een toneelspeler en bedrieger. Waarom willen ze dan wel naar zo iemand genoemd worden? Met de mond kan er nog allerlei vaags gezegd worden, maar per saldo komt al die wollige taal neer op de ‘geloofsbelijdenis’, die de NCRV, de Nederlandse Christelijke Radio Omroep, zo vaak op de radio laat horen: “Ik geloof . . . . , ik geloof . . . . . , ik geloof in mensen.” Wie Genesis 1, 2 en 3 opgeeft, geeft de hele Bijbel op. Hij zegt het evangelie vaarwel en degradeert de kerk tot een religieuze maatschappelijke instelling, die vooral dient als plek voor rituele vieringen en levensbeschouwelijke discussies. Dat heeft niets te maken met het Christendom van de Bijbel.

2. Welke definitie van een Christen wordt er in de praktijk binnen de Vrijzinnig Protestantse kerken gehanteerd?
    
Men vraagt zich eigenlijk helemaal niet af wat Christen zijn inhoudt. Er zijn genoeg vrijzinnige theologen, die in een boeddhist of een moslim iets spiritueels zien dat zij gelijkstellen met hun eigen “Christelijke” spiritualiteit. Iedereen die zijn gezicht wel eens in de kerk laat zien, wordt zonder meer verwelkomd als Christen, want zo bar veel mensen komen er niet meer. Er bestaat de uitdrukking: De vrijzinnigheid heeft geen kinderen. Statistisch klopt dit. Elk jaar verlaten vele duizenden mensen de PKN.

3. Hoe ziet men er de functie van de gemeente?
     Dit is niet meer zo duidelijk. Het evangelie van Jezus Christus heeft hen niets meer te zeggen. Dus spant men zich ook niet in om ervan te getuigen. Wel streeft men nog naar maatschappelijke invloed en zal men proberen op diverse podia zijn zegje te doen. Ruim 40 jaar geleden was de maatschappijkritiek erg in de mode. Je struikelde in die tijd gewoon over dat woord, zo vaak werd het gebruikt. Hoe het nu is weet ik niet, maar rond 1970 steunden bijvoorbeeld de toenmalige Gereformeerde Kerken vanuit hun maatschappijvisie via het Werelddiaconaat de verzetsbewegingen in zuidelijk Afrika. Wie verzint zoiets? Wat heeft het evangelie, dat Jezus Christus zondaren redt, te maken met o.a. gewapend verzet en het plaatsen van bommen?

Conclusie:
     
Al met al biedt de vrijzinnige stroming een heel triest beeld. Het is een demonstratie van ongeloof. Het is erg jammer dat ze zich nog wel Christelijk noemen, want daardoor zijn ze een schande voor God en zorgen zij voor spraakverwarring. Bovendien zijn ze vanwege hun ongelovig spreken over de Bijbel een belemmering voor mensen die wel echt naar God zoeken. Jezus Christus heeft gezegd: “Het is onmogelijk, dat er geen verleidingen komen, maar wee hem, door wie zij komen!” (Lucas 17:1).

c. De Orthodoxe Protestantse Kerken
1. Hoe is de houding ten opzichte van de Bijbel binnen de orthodox Protestantse kerken?
    
In de orthodox Protestantse kerken belijdt men dat de Bijbel het Woord van God is. Men komt er dikwijls de uitdrukking ‘Sola Scriptura’ tegen. Dat betekent: ‘alleen de Schrift’. Deze belijdenis blijft bij woorden, want het is niet te zien in de concrete werkelijkheid binnen deze kerken. We zullen een aantal punten noemen.
     Men heeft naast de Bijbel een aantal belijdenisgeschriften, die volgens hen de Bijbel uitleggen. Komen deze menselijke geschriften op alle punten overeen met wat in de Bijbel staat? Het antwoord is: nee. Een belangrijk punt is de doop. De kinderdoop staat niet in de Bijbel. Het geloof is een voorwaarde voor de doop. Baby’s kunnen nog niet geloven. Het gaat enorm tegen de Bijbel in, als iemand anders voor jou een zogenaamd verbond kan sluiten. Het is een schending van de rechten die God aan elk individu gegeven heeft. Trouwens, als iemand bij zijn geboorte al een gelovige is, waarom zou hij zich later dan nog bekeren? Deze onbijbelse leer is de oorzaak van heel veel kerkscheuringen geweest. Zie hiervoor “Terug naar Golgotha” deel 1.
     Er zijn groeperingen, waar naast de Bijbel en de belijdenisgeschriften ook nog de oudvaders worden geraadpleegd. Wanneer we hun artikelen en tijdschriften lezen, dan vinden we bijna nooit iets rechtstreeks uit de Bijbel, maar oudvader Die-en-die zei dit en dominee Die-en-die zei dat en in de Dordtse leerregels staat dat, enz.. Hoezo Sola Scriptura? Vaak put men niet zelf Gods waarheid uit de Bijbel, maar doet dat via oudvaders, dominees, enz. Het individuele kerklid leest gewoonlijk dagboekjes, verhalen van dominees etc., maar weinig de Bijbel zelf. In deze bevindelijke lectuur krijgt het menselijk gevoel een belangrijke rol toebedeeld. Het gevoel is echter niet betrouwbaar. Dat kan met het uur veranderen. Wanneer men zich op menselijke wijze uitstrekt naar het hebben van bovennatuurlijke gevoelens, stelt men zich open voor occulte invloeden. Ons oog moet niet gericht zijn op de mens met zijn gevoel of zijn verstand, maar op de gekruisigde Christus en de beloften van de Bijbel.

2. Welke definitie van een Christen wordt er in de praktijk binnen de Orthodox Protestantse kerken gehanteerd?
     Hier slaat de chaos toe. Deze chaos wordt veroorzaakt door de kinderdoop en de daaraan ten onrechte gekoppelde verbondsgedachte. In de Gereformeerd (vrijgemaakte) Kerk wordt zo ongeveer ieder kerklid als Christen beschouwd. Als men als kind gedoopt is, heeft men deel aan het Verbond en is men Christen. Als jongvolwassene wordt er in de regel openbare belijdenis van het geloof afgelegd. Dan is alles voor elkaar. Bekering wordt niet opgevat als een eenmalige totale levensverandering, zoals dat in de Bijbel beschreven is. In plaats daarvan spreekt men over ‘dagelijkse’ bekering. Dat komt erop neer dat men zich inspant om dagelijks naar Gods wil te leven. Zo heeft het begrip ‘bekering’ geen Bijbelse inhoud meer en is ook het begrip ‘wedergeboorte’ die inhoud kwijt. Dat is helaas een abstract theologisch woord geworden.
     In streng bevindelijke kerkgenootschappen hanteert men daarentegen de regel dat alleen de mensen die vanwege een bepaalde bovennatuurlijke ervaring de zekerheid hebben gekregen om aan het Avondmaal te mogen gaan, als echte Christenen kunnen worden beschouwd. De rest van de kerkgangers behoort bij het “uitwendig verbond”. Onlangs luidde een krantenkop in het RD: “Verbondskind en toch niet behouden.” Deze vreselijke spagaat kom je nergens in de Bijbel tegen. Daar is men Christen of geen Christen. Halve Christenen bestaan niet. Jezus Christus redt een mens niet voor de helft. Hij redt volkomen (Hebreeën 7:25) of helemaal niet. Hij redt niet alle kerkgangers voor 10 procent en een klein gedeelte voor 100 procent. Het idee is te absurd voor woorden. Overigens lijkt die overgrote meerderheid, die elke zondag te horen krijgt geen Christen te zijn, daar niet zo erg wakker van te liggen.
     De hier beschreven chaos is voor een deel terug te voeren op dwaalleringen, die in de geschiedenis van het Christendom ontstaan zijn. In hoofdstuk 5 hopen we erop terug te komen.

3. Hoe ziet men de functie van de gemeente?
    
Alle orthodox Protestantse kerken belijden dat een ieder schuldig is zich te voegen bij de ware kerk (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 28). In artikel 29 worden de kenmerken van de ware kerk en de valse kerk genoemd. Kiezen voor die ene ware kerk betekent de andere vals noemen, terwijl die dezelfde belijdenisgeschriften volledig onderschrijven! Bizar!
     Er bestaat in deze kerken een merkwaardige band tussen de kerkganger en de kerk. Men gaat als individu onder in een collectief geheel. Het komt er in de praktijk alleen maar op aan zich aan de uiterlijke groepscodes te houden, kledingvoorschriften etc.. Wat er achter de voordeur, of ’s avonds laat in de bierkeet, of tijdens het surfen op internet gebeurt, is niet zo’n punt, als men op zondag maar gewoon kan blijven deelnemen aan de kerkelijke routine. Deze tweedeling heeft ernstige gevolgen. Het kwaad kan ongestoord zijn gang gaan. In de Nieuwtestamentische gemeente was die tweedeling er niet. Daar werd de zonde concreet aangepakt en daar was de zondagse samenkomst een hartelijke ontmoeting tussen zelfstandig functionerende mensen, die waren levendgemaakt door de Heilige Geest.
     Er zweeft in het denken van de orthodox Protestantse kerken nog veel rond van de geest van Rome. Rome leert dat iemand een gelovige is als hij of zij instemt met de leer van de kerk. In het orthodox Protestantisme vinden we dit o.a. terug bij de vragen die worden gesteld aan doopouders en aan mensen die belijdenis doen. Men moet instemmen met de leer van de kerk en dan wordt men gezien als Christen of, zo u wilt, als aspirant-Christen. Verder blijkt in de praktijk dat er veel waarde wordt toegekend aan het eigen kerkgenootschap als ‘de enige weg ter zaligheid’. Welke verklaring kan er anders worden gegeven voor de blijvende schande van de kerkelijke verdeeldheid? Men blijft gewoon vasthouden aan de ‘genademechanica’ van het eigen kerkgenootschap. Zo wordt de kerk een rol toebedeeld, die totaal onbijbels is.

Conclusie:
     In diverse steden en dorpen in ons land verrijzen, soms op een steenworp afstand van elkaar, steeds meer ‘weldoortimmerde huizen’ van die kerken, die zeggen de hele Bijbel te geloven. Hoe is het gesteld met hun liefde tot Jezus Christus, Die vurig gebeden heeft voor de zichtbare eenheid van allen die door Hem gered zijn? (Johannes 17). Het accepteren van deze verdeeldheid is het bewijs dat men zich niet door Gods Geest laat leiden en ongehoorzaam is aan Gods Woord. Uit dit alles blijkt dat men er geen idee van heeft Wie de heilige God is. De gemeente van Jezus Christus bestaat uit geredde mensen, die Hem gehoorzamen en een levend contact met Hem hebben door de Heilige Geest. Alleen deze Heilige Geest kan de eenheid onder Gods kinderen bewerken. “Eén Here, één geloof, één doop.” (Efeziërs 4:5). Het fundament is niet de kerk, maar de Ene Here, Jezus Christus.

d. De Evangelische Beweging
1. Hoe is de houding ten opzichte van de Bijbel binnen de Evangelische beweging?
     Tot voor kort zag men in de Evangelische Beweging de hele Bijbel als het Woord van God. De Bijbel had bij sommige groepen zelfs een speciale functie. De Nieuwtestamentische gemeente werd als een model gezien, dat in onze tijd zo goed mogelijk moest worden nagevolgd. Deze modelbouw zal verderop besproken worden bij de functie van de gemeente.     
     De laatste jaren is er in de Evangelische beweging een kentering merkbaar wat betreft de houding ten opzichte van de Bijbel. Sommige evangelische voormannen als Andries Knevel en Willem Ouweneel beginnen nu openlijk te morrelen aan de letterlijke betekenis van Genesis 1. Dat heeft niets te maken met voortschrijdend wetenschappelijk inzicht rondom de evolutietheorie, maar alles met de toenemende invloed van de kerkelijke theologie in de Evangelische beweging. De verschuiving die men nu ziet, lijkt als twee druppels water op de ‘stille revolutie’ in de Gereformeerde Kerken tijdens de jaren zestig. Die hebben we voor onze ogen zien gebeuren. Verderop hopen we hierop terug te komen.
     Er is rondom de Bijbel nog een belangrijke ontwikkeling gaande in de Evangelische beweging. Er verschijnen steeds meer Bijbelhistorische romans over bekende figuren in de Bijbel. Dit is in Amerika begonnen. Het is de zoveelste truc van de duivel om te proberen Gods Woord uit te schakelen. De kerkvaders hebben de Bijbel verdraaid door de allegorische uitleg. In de Middeleeuwen en tijdens de Reformatie werden de Bijbels in de volkstaal door de Rooms-katholieke kerk verbrand. De laatste 150 jaar heeft de moderne Schriftkritiek haar verwoestende werk gedaan. Nu wordt bij het evangelische en ook orthodoxe volksdeel op zeer subtiele wijze de Bijbel geromantiseerd. De grens tussen de exacte informatie, die God in de Bijbel gegeven heeft, en de menselijke fantasie vervaagt. Dit is een onvoorstelbaar grote geestelijke ramp. De Bijbel is geen roman. De Bijbel is het Woord van God, het zwaard des Geestes. God heeft haarscherp de grens bepaald van wat er wel aan feiten in de Bijbel moest komen en wat niet. Niemand kan die grens verleggen, onder welke vrome dekmantel dan ook, zonder zichzelf en de lezers op een verschrikkelijke manier geestelijk te beschadigen. In dit opzicht geldt ook dat, wie iets aan de Bijbel toevoegt, lijnrecht tegen God in gaat. God laat dat niet ongestraft. In Openbaring 22:18,19 staat: “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.”

2. Welke definitie van een Christen wordt er in de praktijk binnen de Evangelische beweging gehanteerd?
     Bij de bespreking van de Rooms-katholieke kerk zagen we een ritualisering van de wedergeboorte. Ieder kind, dat binnen die kerk gedoopt wordt, wordt daardoor volgens de Roomse theologie wedergeboren en erfgenaam van het Koninkrijk der hemelen. Binnen de Evangelische beweging is de wedergeboorte en dus ‘Christen worden’ eveneens geritualiseerd. We zullen hier twee voorbeelden van bespreken. Het eerste is de “altar call”.  De oorsprong hiervan is te vinden in het werk van de Amerikaanse evangelist Charles Finney (1792-1875). In de twintigste eeuw ziet men dit ritueel o.a. bij Billy Graham en bij Pinkstervoorgangers. Na een ‘pakkende’ toespraak worden de toehoorders opgeroepen naar voren te komen om daarmee te belijden dat ze een keuze hebben gemaakt voor Jezus Christus. Soms wordt hen alleen maar gevraagd de hand op te steken. Dit wordt dan gezien als hun bekering en het begin van hun leven als Christen. De zekerheid van hun geloof berust zo op hun eenmalige eigen keuze. De wedergeboorte wordt op deze wijze, net als in de Rooms-katholieke kerk, veroorzaakt door menselijk handelen. Dat is totaal onbijbels. De wedergeboorte is een ‘geboorte van bovenaf’, vanuit de hemel. Het is een werk van Gods Geest. Het geloof is ‘het leven van God in de ziel van de mens’. Hoe kan een mens ooit leven van God in zijn eigen ziel brengen, door naar voren te lopen of de hand op te steken onder druk van de opzwepende toespraak en de zachte muziek. We worden geen Christen door iets, wat wij aan God geven, maar door wat God aan ons geeft (C.H. Spurgeon). Talloos zijn de verslagen van evangelisatiecampagnes, waarin gesproken wordt over een x aantal bekeringen. Daarbij werd dan gekeken naar hoeveel mensen op de ‘altar call’ hadden gereageerd. Een trouw prediker van het evangelie zal wel oproepen tot het geloof in Jezus Christus, maar nooit erop aandringen daar op zo’n wijze uiting aan te geven. Hij zal er juist maximaal op toezien dat het bij de bekering van iemand echt om een werk van Gods Geest gaat, zodat de pasbekeerde werkelijk op Jezus Christus en Zijn werk vertrouwt en niet op zijn eigen beslissing. In het boek “
Opwekking” van Marie Monsen staan hierover belangrijke dingen. Zij waarschuwt er heel erg voor om in de zielzorg geen onrijpe vruchten te plukken, maar te wachten op het zichtbaar worden van het werk van de Heilige Geest in iemand. Alleen de Heilige Geest kan iemand oprecht berouw geven. In haar boek vertelt Marie Monsen ook over een Amerikaanse zendelinge, die door haar collega’s zeer gerespecteerd werd. Tijdens de opwekking in China kwam ze tot echt geloof. Daarvoor dacht ze Christen te zijn, omdat ze vroeger in Amerika bij een ‘altar call’ aan het eind van een evangelisatiedienst haar hand had opgestoken. Nu was haar duidelijk geworden dat ze nooit een echte bekering en wedergeboorte had meegemaakt.
     Een ander voorbeeld van ‘geritualiseerde’ wedergeboorte is te zien in het foldermateriaal van “De 4 geestelijke wetten”.  Ze staan ook op internet en luiden: 1. God heeft u lief en heeft een plan met uw leven. 2. Doordat de mens zondig is, heeft hij het contact met God verloren. Daardoor kan hij Gods liefde en Gods plan met zijn leven niet kennen en beleven. 3. Jezus Christus is Gods enige antwoord op het probleem van de zonde. Door Hem kunt u Gods liefde en Gods plan met uw leven leren kennen en beleven. 4. Wij moeten persoonlijk Jezus Christus als onze Redder en Heer aanvaarden. Dan pas kunnen we Gods liefde en Gods plan met ons leven leren kennen en beleven. Hierna volgt er nog enige uitleg en wordt er het voorbeeld van een zondaarsgebed gegeven. Wie zegt in te stemmen met dit gebed en vervolgens op “JA” klikt, krijgt een felicitatiepagina te zien die begint met: “Gefeliciteerd met uw beslissing Christus te accepteren.” Dit is een godsdienst, waarbij de mens helemaal in het centrum staat. Wat is hier nog te zien van het werkelijke lijden en sterven van Jezus Christus voor de zonde? Wanneer men geen last heeft van zijn zonden en nooit met Jezus Christus daarover heeft gesproken, kan men niet bekeerd zijn. Echte bekering houdt in een echt contact met Jezus gehad te hebben via het gebed. Er staat een enorme belofte in de Bijbel: “Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.” Dat betekent: wie oprecht berouw heeft van zijn zonden en tot Jezus komt, zal niet door Hem uitgeworpen worden. God heeft dat berouw dan al gegeven. Dat is het begin. Hierna komt er een periode dat God het geloof gaat beproeven. Hij laat ons steeds dieper onze verkeerde dingen zien. Zo tuchtigt Hij ons, opdat we deel verkrijgen aan Zijn heiligheid (Hebreeën 12:10). De gelijkenis van de rank die gesnoeid wordt, is zeer reëel in het leven van de Christen. Er staat verder geschreven: Strijdt om in te gaan (Lucas 13:24). Het is een strijd tegen onze oude mens en de machten der duisternis. Een reële bekering is dus niet even een hand opsteken of een zondaarsgebed opzeggen.

3. Hoe ziet men er de functie van de gemeente?
    
We zullen hier eerst stromingen binnen de Evangelische beweging bespreken, die claimen dat zij zich houden aan het model van de Nieuwtestamentische gemeente. Hiervan is iets zichtbaar bij de stroming van het Baptisme. Deze begon in Nederland ruim anderhalve eeuw geleden. Ze had een moeilijk start, omdat de sfeer in Nederland erg kerkelijk gezind was. In het begin was er veel onderlinge verdeeldheid. Er was erg veel wind van leer. Bij een aantal mensen was de begeerte aanwezig het evangelie van Jezus Christus te verbreiden. Toen Spurgeon in 1863 Nederland bezocht, was er wel van alles aan de gang, maar waren er bijvoorbeeld nog geen reguliere Baptistengemeenten, waarmee hij in contact kon treden. Bij het ontstaan van de Unie van Baptistengemeenten in 1891 was er geen duidelijke geloofsbelijdenis, maar een soort overeenkomst op basis waarvan gemeenten zich konden aansluiten. Hierbij werd wel met name de doop der gelovigen genoemd. Toen ik “De opkomst en vestiging van het Baptisme in Nederland” van Dr. G.A. Wumkes las over het ontstaan van de Baptistengemeenten, bekroop mij het nare gevoel dat men het in de 19e eeuw vooral over de geloofsdoop als Bijbels model en als basis van gemeentevorming heeft gehad, maar weinig heeft ervaren van wat het in werkelijkheid betekent met Christus te zijn gestorven en opgestaan in een nieuw leven. Hoe zou men anders de vele scheuringen die er zijn geweest, kunnen verklaren? Er is een groot verschil te constateren met de 19e eeuwse Baptistengemeente in de Metropolitan Tabernacle te Londen. Eigenlijk is er nog steeds geen duidelijkheid in de hedendaagse Baptistenbeweging hier in Nederland. Die duidelijkheid is er onder andere niet wat betreft het lidmaatschap. In de Unie van Baptistengemeenten is men gaan werken met een apart soort lidmaatschap. Men kon naast gedoopt lid ook ‘vriend’ van de gemeente zijn. Er is zelfs over gesproken om deze ongedoopte leden ook stemrecht te geven. Daarnaast is er geen duidelijkheid in de leer. Dit wordt mede veroorzaakt door de invloed van de kerkelijke theologie, omdat de opleiding tot Baptistenpredikant voor een deel plaatsvindt aan een vrijzinnige theologische faculteit. Tegenwoordig is dat aan de VU. In het verleden hadden vanwege die vrijzinnigheid een groep Baptistengemeenten zich niet aangesloten bij de Unie. Zij vormden de Broederschap van Baptistengemeenten (1981). Gewoonlijk werden zij “Vrije Baptistengemeenten” genoemd. Sinds kort zijn er echter weer verkenningen tussen de Unie en de Broederschap (nu, na wat fusies, ABC-gemeenten geheten). Wie schuift op naar wie? Ook is er geen duidelijkheid in de vormgeving van de dienst op zondag. Veel Vrije Baptistengemeenten zijn gaan lijken op Evangelische gemeenten met hun reli-entertainment. Er is weinig meer te merken van oprechte eerbied voor God. De vreze des Heren is volledig zoek. Uit alles blijkt: de Bijbelse doop alleen maar navolgen als model is desastreus. Het gaat om oprechte bekering.
     Hierna noemen we de Vergadering van Gelovigen. Deze beweging werd gestart door J.N. Darby (1800-1882). Hij heeft ook Nederland bezocht. Zijn volgelingen proberen op een wettische manier het samenkomen op zondag precies volgens de gegevens van het Nieuwe Testament te doen. Meestal spreken zij over ‘samenkomen rond brood en beker’. Er wordt geen leiding aan de samenkomst gegeven. Iedere man die iets op zijn hart heeft, kan dat doorgeven. In hun optiek wordt zo de leiding overgelaten aan de Heilige Geest. Dat kan pijnlijke situaties opleveren. Een ex-bezoeker van zulke samenkomsten vertelde me een keer 20 minuten van volkomen stilte te hebben meegemaakt tijdens zo’n dienst. Niemand wist blijkbaar wat te zeggen. Bij de ‘gesloten broeders’ was de regel dat de vrouw een bedekt hoofd moest hebben in de samenkomst. Verder moesten de vrouwen zwijgen. Zij mochten trouwens wel meezingen. Als er geen muziekbegeleiding was, dan zetten de vrouwen in. In theorie dachten de broeders op deze manier van samenkomen het Bijbelse model na te volgen. Maar het navolgen van een model is het navolgen van een wet. De echte bewogenheid voor verloren zielen ontbreekt. De verscheurdheid van het Lichaam van Christus raakt hen niet. Men is vooral met zichzelf bezig en met de profetieën over de eindtijd. Er is ontstellend veel Bijbelkennis in het hoofd over bijvoorbeeld de bedelingenleer, de Opname van de gemeente, etc., etc., maar wat zit er in het hart? Dit is al heel lang zo. Spurgeon schetste in “The Sword and the Trowel” een soortgelijk beeld van de Darbisten. Ook Dr. Kalley, de zendingspionier in Brazilië, ondervond de nare effecten van deze beweging. Kort samengevat komt dat negatieve effect hierop neer: bruikbare gelovigen en werkers in Gods Koninkrijk die zich bij de Darbisten aansloten, raakten hun geestelijke bruikbaarheid helemaal kwijt. Zij waren alleen nog maar gefocust op de eigen club en op hun eigen kennis. Dr. Wumkes geeft in het voornoemde boek eveneens een aantal van dit soort gevallen weer. De slinkse wijze, waarop vertrekkende ‘broeders’ geprobeerd hebben zoveel mogelijk mensen mee te krijgen, was ook in Nederland te zien.
     De andere vorm van Nieuwtestamentische ‘modelbouw’, die erg veel voorkomt in Nederland, is de Pinksterbeweging. Daar claimt men de kenmerken van de Nieuwtestamentische gemeente te hebben, omdat zij de Geestesdoop zeggen te kennen. Zij beweren de gaven van de Geest te hebben, maar dat is maar de vraag. De echte Heilige Geest is enorm heilig, en Die laat Zich niet gebruiken. Men heeft het nooit over een grondige bekering, over zondebesef en over de echte vruchten van de wedergeboorte. De eerbied voor God, voor Jezus Christus en voor de Heilige Geest in woord en in daad ontbreekt geheel. In de Bijbel staat duidelijk dat de Heilige Geest niet van Zichzelf maar van Jezus Christus getuigt. In de Pinksterbeweging en de charismatische beweging staat de mens, die zogenaamd met de Heilige Geest vervuld is, centraal. De sfeer tijdens de diensten is oppervlakkig en oneerbiedig. De pinkstergelovigen spelen de baas over hun ‘heilige geest’. Hun ‘heilige geest’ lijkt in niets op de Heilige Geest van de Bijbel. Ter verduidelijking het volgende. Een charismatisch predikant hielp de Heilige Geest zogenaamd een handje door mensen bij het ‘ontvangen’ van de tongentaal een aantal woorden voor te zeggen. Een Pinkstervoorganger zei eens over de frequentie van het profeteren in de gemeente het volgende: “Het gaat net als bij konijnen. Eerst heb je een paar profetieën, dan opeens een heleboel.” Verder komen er duidelijke gevallen van occultisme binnen de Pinksterbeweging voor. Het is verschrikkelijk wat er gebeurt bij de Torontoblessing. Er zijn video’s van samenkomsten, waarbij regelrechte symptomen van sjamanisme te zien zijn. En dat alles moet doorgaan voor een werk van Gods Geest. Het lijkt er in de verste verte niet op. De Bijbel leert ons dat de Heilige Geest Christus openbaart, dat Hij de wereld overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Daarvan is niets te zien. Paulus waarschuwde niet voor niets dat de satan zich kan voordoen als een engel des lichts.

     Bij de gemeentevorming in de Evangelische beweging komt erg veel wildgroei voor. Vaak ontstaat een gemeente rondom een bepaalde persoon. Een groot deel van de gemeenten is charismatisch. Deze noemen zich dikwijls “Evangelische gemeente”, omdat de naam “Pinkstergemeente” niet zo’n goede klank meer heeft vanwege allerlei uitwassen. In de gemiddelde Evangelische gemeente neemt de samenkomst op zondag de centrale plaats in. In die dienst neemt het zingen, vaak onder leiding van een worship leader, een groot gedeelte van de tijd in beslag. De begeleiding gebeurt meestal door een muziekbandje. Via internet zijn er diensten te volgen. We zijn enorm geschrokken van de tekst van de liederen, de sfeer tijdens het zingen en de dingen die er tussendoor gezegd werden. Dit soort reli-entertainment heeft niets meer met het echte geloof in Jezus Christus te maken. Een rondgang langs een aantal sites van Evangelische gemeenten laat dingen zien die plaatsvervangende schaamte oproepen. Er wordt in samenkomsten gedanst en met vlaggen gezwaaid. Wat heeft zoiets nog te maken met het Christendom van de Bijbel?     

Conclusie:
    
De Evangelische gemeenten vormen een kakelbont geheel. Woorden als bekering en wedergeboorte kom je nog zo nu en dan tegen, maar deze zijn hun Bijbelse betekenis allang kwijtgeraakt. Veel dingen in de charismatische hoek worden gepresenteerd als de eerste nieuwe terugkeer naar de Bijbel sinds het boek Handelingen, maar ach, er is niets nieuws onder de zon. In de eerste eeuwen van het Christendom liet Tertullianus zich al het hoofd op hol brengen door precies dezelfde geestdrijverij, het Montanisme, waarin de ‘profetessen’ Maximilla en Priscilla een hoofdrol speelden. In de Middeleeuwen zijn de flagellanten actief geweest. Onder hen kwamen extatische toestanden voor en waren er profetieën over het einde van de wereld. De periode van de Reformatie heeft zijn Schwärmereien gekend. Bekend zijn de ‘Zwickauer Propheten’, die geprobeerd hebben in Wittenberg de zaak van de Reformatie op de kop te zetten in de tijd dat Luther op de Wartburg verbleef. Luther is, zodra dit mogelijk was, teruggekeerd naar Wittenberg en begon een serie actuele, Bijbelse preken te houden. Weldra zagen deze mensen, die door Luther ‘Schwärmer’ werden genoemd, in dat hun kans verkeken was en ontvluchtten zij de stad. De geschiedenis leert ons: geestdrijverij is van alle tijden. Jezus Christus noemde in Mattheüs 7:22 juist daden van geestdrijvers. Daar staat: “Here, Here, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd en in Uw naam boze geesten uitgedreven en in Uw naam vele krachten gedaan?” Jezus Christus heeft die vele geestdrijvers nooit gekend. Het zijn werkers der wetteloosheid (vers 23).
     Symptomatisch voor de oppervlakkigheid van de Evangelische beweging is het materiaal dat aangeboden wordt in de zogenaamde ‘Evangelische Boekwinkels’. Dat valt overigens niet meer te vergelijken met 40 jaar geleden. Er is nu veel prullaria te koop, dat alleen maar heftige verontwaardiging oproept: Spaarvarkens met de tekst “Jesus saves”, en een model van een koe met daarop “Boe, boe, boe, Jesus loves you”. En dan al die bagger van ‘evangelische’ thrillers, hard rock gospel, etc., etc. Wat betreft de rest van de Evangelische beweging hebben we in dit document allerlei charismatische uitwassen als bijvoorbeeld ‘spiritual mapping’ en leiders, die zichzelf ‘apostel’ noemen, maar even buiten beschouwing gelaten. Het is al erg genoeg. Als geheel genomen is de Evangelische beweging een grote Evangelische ramp geworden.


e. Slotconclusie:
     Aan het begin van dit gedeelte stelden we ons de vraag: “Hoe Bijbels is het hedendaagse Christendom?” Na dit overzicht lijkt het er op dat de Bijbel en het hedendaagse Christendom twee verschillende zaken zijn geworden, die weinig meer gemeen hebben. Het bedrieglijke is dat dit Christendom nog altijd de schijn heeft te leven. De kerken zijn nog volop in beweging. Er zijn theologische universiteiten en faculteiten en er verschijnt nog steeds een stroom aan theologische publicaties. Er is een grote evangelische omroep. Er zijn Christelijke kranten en tijdschriften etc., etc. Er worden congressen belegd en herdenkingen gehouden. Er verschijnen nieuwe vertalingen of herziene vertalingen van de Bijbel. Maar waar is de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de Bijbel als het Woord van God? Waar is de kracht van de evangelieverkondiging? Hoe is het met de gehoorzaamheid aan Christus gesteld? Welke gelijkenis vertoont dit Christendom nog met Christus? Waar gaat het in dit Christendom om, om de kerk of om Christus? Men komt in de Christelijke literatuur nauwelijks nog iets tegen dat de Persoon van Jezus Christus als onderwerp heeft. Wel komt uitgebreid de kerk in al haar facetten voor het voetlicht. Wie eerlijk is, zal moeten erkennen dat in de Nederlandse situatie de naam Christendom achterhaald is. De naam kerkendom is meer op zijn plaats. Hoe het zover heeft kunnen komen, wordt in het volgende gedeelte besproken. 

       

V. Wat leert ons de geschiedenis?

    In dit overzicht worden twee historische ontwikkelingen aan de orde gesteld, die de gemeente van Jezus Christus ernstige schade hebben toegebracht. De eerste ontwikkeling hebben we aangeduid met de term ‘corpus christianum’. Dit is de uitdrukking die wordt gebruikt om de Christenheid aan te duiden sinds de tijd van Constantijn de Grote. Het ‘corpus christianum’ bepaalt nog steeds in belangrijke mate het uiterlijk van het huidige Christendom. De andere historische ontwikkeling is de Verlichting. Ze wordt beschouwd als een reactie op het Middeleeuwse denken en is de bepalende factor van het huidige westerse denken. Tot slot volgen een paar opmerkingen over de recente Protestantse theologie tegen de achtergrond van deze twee geschetste ontwikkelingen.

a. Het ‘corpus christianum’.
     Eerst iets over de tijdgeest van de eerste eeuwen van onze jaartelling. Deze was niet nadrukkelijk religieus, maar in belangrijke mate filosofisch geworden. Dit werd veroorzaakt door de Griekse beschaving, die toen was doorgedrongen in het hele Middellandse Zeegebied. De bekendste filosoof was Plato (ca. 427-347 v. Chr.). Hij kan eigenlijk gezien worden als de grondlegger van de filosofische wetenschap. Wat is filosofie eigenlijk? Het is een poging om vat te krijgen op deze werkelijkheid door middel van abstract nadenken. Zo’n poging heeft geen enkele kans van slagen. De twee grote problemen van dit bestaan, de zonde en de dood, moeten bij die poging buiten beschouwing blijven, want geen enkele filosoof heeft daarvoor een oplossing. Hoe heeft Plato de zaak aangepakt? Hij gebruikte een methode die later talloze malen in andere situaties is herhaald. Hij verdeelde als het ware de werkelijkheid in twee lagen, het bovennatuurlijke, dat hij het Rijk der Ideeën noemde, en de gewone natuur, de zichtbare werkelijkheid. Die bovennatuur zou bepalend zijn voor de gewone natuur. Vervolgens claimde hij dat hij door diep nadenken, door abstractie, in staat was die bovennatuur te kennen. Zo dacht hij greep te hebben op heel de werkelijkheid. Een aantal eeuwen later kwam er hernieuwde aandacht voor het denken van Plato, het neoplatonisme. De bekendste vertegenwoordiger van die stroming was Plotinus (ca. 204-270). Heel in ’t kort komt zijn visie erop neer, dat de mens grip kan krijgen op de bovennatuurlijke laag met behulp van het gevoel. Het is daarom niet verwonderlijk dat het neoplatonisme een belangrijke bron is geweest voor de mystiek uit latere eeuwen.
     Hoe heeft de apostel Paulus gereageerd op het denken van zijn tijd? Hij was groot geworden in Tarsus, een stad in het zuidoosten van het huidige Turkije. Uit zijn brieven kunnen we opmaken, dat hij op de hoogte is geweest van de Griekse geschriften en het Griekse denken. Hij veroordeelt het in de meest scherpe bewoordingen. Deze veroordeling komt het best tot uiting in zijn eerste brief aan de gemeente in de hoog beschaafde Griekse havenstad Korinthe. Hier zijn zijn eigen woorden: “
Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven. Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.” (1 Corinthiërs 1:18-24). Paulus laat er geen spaan van heel. Filosofie is dwaasheid, filosofen kennen God helemaal niet.
     In het tweede hoofdstuk van deze brief gaat Paulus nog een stap verder. Daar legt hij uit dat het evangelie van Jezus Christus zich niet laat vangen in menselijke bewoordingen. Paulus zegt daarover: “
Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken” (vers 13). De vertaling van het NBG is niet in overeenstemming met de Griekse grondtekst. De correcte vertaling, die dus ook helemaal in de context past, luidt: “Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij de geestelijke (dingen) door middel van geestelijke (woorden) uitleggen.” (Het hier gebruikte Griekse woord voor “uitleggen” werd in het door Paulus veel gelezen Griekse Oude Testament, de Septuagint, gebruikt in de geschiedenissen over Jozef en Daniël bij het weergeven van dromen “uitleggen”) Het evangelie van Jezus Christus laat zich ten enenmale niet vangen in menselijke woorden en filosofische begrippen. Deze tekst laat zien dat elke poging daartoe door bijvoorbeeld de apologetiek, om daarmee zogenaamd het Christendom te verdedigen tegenover de wereld, tot mislukken gedoemd is. Er komt altijd onheil uit voort. Verderop zullen we dat zien gebeuren.
     We zullen nu concreet nagaan wat de invloed van de Griekse tijdgeest op het Christendom is geweest. Dat is een breed onderwerp. Daarom verdelen we het in een aantal punten.

 

1. De apologeten en de vroege kerkvaders.
    
Twee dingen vallen erg op gedurende de eerste eeuwen van het Christendom. Het eerste is, dat er veel geleden is om het geloof. Keizer Nero heeft hen wreed vervolgd. Christenen werden gediscrimineerd. De Griekse filosoof Celsus omschreef hen als onbeschaafde en domme mensen, die de vreemdste dingen geloven. Het stak de Romeinen met name dat Christenen niet meededen met de keizercultus en zo hun aandeel niet leverden in de opbouw van het rijk. Een tijdlang waren er op diverse plaatsen in het Romeinse rijk vervolgingen. Bekend is de vervolging in Rome onder keizer Nero (64). Ook bekend is het verslag van de vervolging in Smyrna (ca. 165), waarbij Polycarpus ter dood werd gebracht. Onder keizer Decius (250) en Diocletianus (303) werden er vervolgingen georganiseerd van rijkswege. De Romeinse beschaving was bijzonder wreed en ruw. Er is door de Christenen verschrikkelijk geleden. Aan de vervolgingen kwam een einde, toen in 313 keizer Constantijn de Grote vrijheid van godsdienst afkondigde voor de Christenen.
     Het andere opvallende punt is de invloed van het hierboven genoemde Griekse denken op Christenen, zelfs op Christenen die voor hun geloof gestorven zijn. De eerste die we willen noemen is Justinus de Martelaar (103 – ca. 165). Ook werd hij wel Justinus de Filosoof genoemd, want dat was gedurende zijn hele leven het beroep dat hij uitoefende. Hij richtte zich door middel van een geschrift tot keizer Antoninus Pius, opdat die iets zou doen aan de vervolging van Christenen. In deze Apologie bestrijdt hij de vele vooroordelen jegens Christenen en legt hij kort uit wat het Christendom inhoudt. In hoofdstuk 59 van dit geschrift zegt hij dat Plato zijn ideeën over de schepping aan de geschriften van Mozes heeft ontleend. Hij voert geen apart historisch bewijs aan dat Plato echt het Oude Testament heeft gelezen. Blijkbaar was dit idee al een onderdeel van het Christelijke gedachtegoed geworden. Het gaf het Christelijke geloof oudere papieren dan het overheersende Griekse denken van die tijd. In hoofdstuk 13 van de Tweede Apologie geeft hij aan dat er overeenkomsten zijn tussen de leringen van
Plato en die van Christus. Alles wat er aan goede dingen was gezegd, beschouwde Justinus als het eigendom van de Christenen. Zo annexeerde hij het Griekse denken. In hoofdstuk 46 van zijn Eerste Apologie beweerde hij met stelligheid, dat Socrates en Heraclitus Christen waren! Wat moet het begrip “Christen” al ontaard zijn bij Justinus! Het evangelie van Jezus Christus is bij hem totaal verworden tot filosofie. Wat een ramp! De god van deze wereld had hem met blindheid geslagen. Dit staat in schril contrast met het feit dat hij later samen met zes andere Christenen omwille van zijn geloof terechtgesteld is. 
     Ook in het leven van Origenes van Alexandrië (185-253/254) zien we deze tweespalt. Het lijden omwille van het geloof is duidelijk zichtbaar. Zijn vader stierf als martelaar, toen Origenes nog geen twintig jaar oud was. Zelf overleed hij aan de gevolgen van de martelingen, die hij had ondergaan tijdens de vervolging van keizer Decius. Maar in zijn denken stond hij enorm onder invloed van de Grieken. Vanwege zijn leer is hij nooit erkend als kerkvader. Eusebius (ca. 263 – ca. 339), de eerste kerkhistoricus, is echter vol lof over hem. De geschriften van Origenes hebben erg veel invloed gehad. Het belangrijkste thema van zijn geschriften is wijsheid. Op veel plaatsen is de tweedeling van Plato te herkennen. De Bijbeluitleg van Origenes vertoont gelijkenis met de geschriften van de door hem bewonderde Philo (20 v Chr. – 40 na Chr.). Deze gehelleniseerde Jood bracht een synthese tot stand tussen het Oude Testament en de Griekse filosofische geschriften. Op zich kan dat natuurlijk niet. De openbaring van God laat zich niet mengen met menselijke kennis. Philo loste dat op door de allegorische uitlegmethode. Aan de letterlijke tekst kende hij een diepere geestelijke betekenis toe. Dat gaf hem de ruimte om erop los te speculeren. Helaas deed Origenes precies hetzelfde met de hele Bijbel. Deze methode werd later ook gebruikt door Ambrosius en Augustinus. Om beknopt aan te geven hoever Origenes bij het Bijbelse geloof vandaan was geraakt, volgen hier twee concrete voorbeelden. Eusebius vertelt in boek 6 punt 8 van zijn kerkgeschiedenis dat Origenes Mattheüs 19:12 letterlijk is gaan opvatten en daarom zichzelf heeft gecastreerd. Hier zijn geen woorden voor. Zo’n daad laat zien dat hij totaal niets begrepen heeft van de genade, die er is in Jezus Christus. Het andere punt is zijn opvatting van het begrip “kwaad”. Eigenlijk dacht Origenes puur als filosoof. Hij kon geen verklaring vinden voor de oorsprong van het kwaad. Daarom stelde hij het kwaad gelijk met het niet-bestaande. Al het geschapene werd volgens hem geschapen met het doel eeuwig te bestaan. Ook zou al het geschapene uiteindelijk met de almachtige Schepper verzoend worden. In zijn boek De Principiis hoofdstuk 6.5 staat dat de laatste vijand tenslotte ook verzoend zal worden met God. Zijn woorden zijn zodanig dat men voor “de laatste vijand” de duivel kan lezen. Die is immers ook geschapen. Dit is een totaal onbijbelse gedachte. Wat een vervaging! God heeft de duivel en zijn engelen voor eeuwig veroordeeld (Openbaring 20:10). Deze verwarring komt bij diabolos, de meester-verwarrer, vandaan.
     Een andere belangrijke persoon uit die tijd is Cyprianus van Carthago (208 – 258). Hij behoorde tot de gegoede kringen en ging op latere leeftijd over tot het Christendom. De bevolking van Carthago wilde hem graag als bisschop hebben om een einde te maken aan de onrust binnen de kerk. Er waren diverse scheuringen vanwege allerlei bisschopsbenoemingen. In zijn boek “Over de eenheid van de kerk” benadrukt hij de rol van de bisschoppen wat betreft die eenheid. Onder punt 6 zegt hij: “Iemand kan niet langer God als zijn Vader hebben, als hij de kerk niet als zijn moeder heeft.” Dat staat nergens in de Bijbel. De gemeente van Jezus Christus is Zijn bruid. De gelovigen worden beschreven als leden van het Lichaam van Christus (1 Corinthiërs 12:12-27). Verder zegt Cyprianus in zijn brief aan Jubaianus (brief no 73, ed. Philip Schaff no 72) onder punt 21: “Er is buiten de kerk geen redding.” Dit is een totale verdraaiing van de waarheid. Er is buiten Christus geen redding. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Hem (Johannes 14:6). Hij kan volkomen behouden (Hebreeën 7:25). Nergens staat in de Bijbel dat de kerk de genade uitdeelt. Nergens! Als je wel deze dwaling aanhangt, ontstaat er een oceaan aan moeilijkheden. Van een aantal was Cyprianus zelf getuige. Je krijgt de strijd rondom tegenpausen en tegenbisschoppen. Verder krijg je het geruzie over een orthodoxe geloofsbelijdenis, want anders werkt de ‘genademechanica’ van de kerk niet. Je krijgt de discussie over de ware kerk en over de waarde van de sacramenten, die bediend zijn door priesters, die ooit gezwicht zijn tijdens een vervolging. Als één van dat soort jou gedoopt heeft, ben je misschien helemaal niet wedergeboren en ga je voor eeuwig verloren. En als de kerk echt de genade uitdeelt, kan de kerk ook voor iemand de hemel op slot doen door hem te excommuniceren. Handig om een tegenpaus of keizer uit te schakelen.
     Cyprianus is ook in belangrijke mate de veroorzaker geweest van de catastrofe van de kinderdoop. In 253 vond er een concilie in Carthago plaats, waarop 66 bisschoppen onder zijn leiding unaniem besloten dat pasgeboren kinderen zo spoedig mogelijk gedoopt moesten worden. De volgende totaal onbijbelse woorden werden door hem gebruikt: “Wij oordelen allen dat de barmhartigheid en genade van God aan geen geboren mens onthouden dient te worden.” (brief aan Fidus no 64, ed. Philip Schaff no 58). Cyprianus hoorde in het klagen en huilen van pasgeborenen een smeken om de genade van de doop!!??!! (ibid, onder punt 6). (Wat een verschrikkelijke verwarring van vlees en Geest laat Cyprianus hier zien! “Wat uit het vlees geboren, is vlees” (Johannes 3:6)). Volgens zijn opvatting kon de kerk die genade door middel van de priester geven. Oorzaak is de vroeg ontstane dwaling dat de doop de wedergeboorte zou bewerken. Dit zie je al bij Justinus de Martelaar (1e Apologie, hoofdstuk 61). Veelvuldig treft men in de oud-Christelijke literatuur de verkeerde uitleg van Johannes 3:5 aan. Jezus Christus zei daar: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.” Hij bedoelde daar helemaal niet het doopwater, maar het levende water als beeld van de Heilige Geest (Johannes 4:10,14 en hoofdstuk 7:38,39). De wedergeboorte is geestelijk, geheel en al ‘van bovenaf’. Menselijk handelen door middel van een doopbediening kan nooit en te nimmer deze geestelijke geboorte bewerken. Helaas was men daar in Carthago dit licht van het evangelie al helemaal kwijt. Men zag de doop als voorwaarde voor de redding. Zieke kinderen kregen in Noord-Afrika vaak de nooddoop. Vanaf Cyprianus werd daar de kinderdoop als regel ingevoerd. Mede via Augustinus heeft deze onbijbelse ceremonie zich later over de hele Christenheid verbreid. Wie werkelijk op een evenwichtige, wetenschappelijke wijze geïnformeerd wil worden over de dooppraktijk tijdens de eerste eeuwen, verwijzen we naar het onlangs verschenen zeer complete naslagwerk “Baptism in the early church” van Everett Ferguson. Het is verschenen bij uitgeverij Eerdmans, Grand Rapids.
     Ook Cyprianus onderging de marteldood. Tijdens de vervolging onder keizer Valerianus werd hij eerst verbannen en later in 258 met het zwaard onthoofd.

     We hebben uitgebreid deze periode besproken om duidelijk te maken, dat reeds spoedig na de tijd van de apostelen het Christendom ontaard is. De grimmige wolven, waar Paulus het over had, zijn gekomen. De tijdgeest had grote invloed op het denken van de Christelijke leiders. Ze hebben zich niet buiten het bereik van de onheilige holle klanken gehouden van de ten onrechte zo genoemde kennis en zijn het spoor des geloofs bijster geraakt (1 Timotheüs 6:21). Helaas! De Christelijke gemeente raakte haar Joodse wortels kwijt. Zij veranderde van een geestelijke in een wereldse godsdienst, een godsdienst met een Griekse ziel in een Romeins lichaam, dat aangekleed werd volgens de mode van de toenmalige mysteriegodsdiensten. De enige twee inzettingen, die Jezus Christus had ingesteld voor Zijn gemeente, Doop en Avondmaal, kregen het karakter van cultische handelingen, uitgevoerd door priesters, die daartoe geautoriseerd werden door de kerkelijke leiding. Vanaf ongeveer 200 is er aantoonbaar sprake van relikwieënverering. Rond 300 was het een godsdienst geworden, die reeds veel leek op het latere Rooms-katholicisme. Er zijn schattingen, dat in die tijd ongeveer 20 procent van de bevolking van het Romeinse rijk aanhanger van deze godsdienst was geworden. De nieuwe keizer Constantijn zag er wel iets in.

2. Constantijn de Grote en zijn concilie.
     Constantijn de Grote (ca. 280-337) staat te boek als de eerste Christelijke keizer. Dit is een misvatting, want zijn daden bewijzen dat hij niets heeft begrepen van Wie Jezus Christus is, laat staan dat hij Hem navolgde. Constantijn was filosofisch geschoold en hielp tijdens het eerste grote concilie, dat in 325 door hem samengeroepen was te Nicea, met het opstellen van een theologische omschrijving van de positie van Jezus Christus binnen de Goddelijke Drie-eenheid. Toch is er waarschijnlijk geen mens op aarde geweest, die het begrip ‘Christelijk’ erger heeft vervalst dan hij. De daden van zijn leven bewijzen van alles, maar ze hebben niets Christelijks. Hij was een knap strateeg, want hij wist zich omhoog te werken tot alleenheerser in het Romeinse rijk door al zijn tegenstanders één voor één uit te schakelen in een lange serie veldslagen. Hij was een politicus met een vooruitziende blik, want hij zag dat de toekomst van het keizerrijk in het oosten lag, bij Constantinopel, en niet meer in het slecht te verdedigen Rome. Ook was hij een verstandig staatsman, want hij begreep dat die nieuwe godsdienst, die steeds meer in de mode raakte en waar zijn moeder Helena bij hoorde, een verbindende factor kon zijn in zijn grote rijk. Maar verder waren er aan zijn hof dezelfde intriges en complotten en gedroeg hij zich als zijn voorgangers.   
    
Hoe ging één en ander in zijn werk? In 313 kondigde keizer Constantijn de vrijheid van godsdienst af. Hiermee kwam een einde aan de Christenvervolgingen. Nadat hij zijn rivaal in het oostelijke deel van het Romeinse rijk had verslagen, riep hij als staatshoofd (!) in 325 het reeds genoemde concilie bij elkaar. De opzet was om dogmatische verschillen op te lossen, zodat het Christelijke geloof zou functioneren als een verbindende factor voor het hele rijk. Het lukte. De leer van Arius werd veroordeeld en er werd een geloofsbelijdenis opgesteld. Vanaf die tijd doet zich het verschijnsel Staatskerk voor en krijgen we te maken met zogenaamd ‘Christelijke’ volkeren. Dit is een geestelijke ramp. Het wekt namelijk de illusie dat een mens als Christen geboren kan worden. Dat gaat lijnrecht tegen de Bijbel in. Een mens wordt Christen als individu, als enkeling, als bewust levend persoon. Als hij tot bekering komt, wordt hij door Gods Geest wedergeboren en krijgt hij deel aan Christus. Op geen enkele andere manier kan een mens Christen worden. Het ontstaan van deze staatskerk, dit corpus christianum, heeft zeer verstrekkende gevolgen gehad. Door het op een akkoordje te gooien met de keizer heeft de Christenheid van die tijd een knieval gemaakt voor de overste van deze wereld, de duivel (Mattheüs 4:9). In tegenstelling tot Jezus Christus is zij wél bezweken voor de verzoeker. Inderdaad heeft ze er veel wereldse en uiterlijke macht door verkregen, maar in ruil daarvoor is het de duivel, die in zo’n soort Christendom de regie heeft. De Christenheid van toen had beter moeten weten en gehoorzaam moeten zijn aan de Bijbel, het Woord van God.
     Eusebius, de eerste kerkhistoricus, beschreef Constantijn als een redder in de nood. Hij kende hem persoonlijk en prees hem als een soort messias, die een vrederijk kwam brengen. In de praktijk gedroeg Constantijn zich echter helemaal niet als Christen. Na zijn zogenaamde bekering en zijn overwinning op Maxentius (312) met het bekende Christelijke symbool op de schilden was er totaal geen verandering in zijn leven te zien. Zijn triomfboog in Rome ter ere van deze overwinning bevat nog symbolen van de godin Victoria en de zonnegod, maar niet expliciet Christelijke symbolen. Hij bleef de titel van Opperpriester van Jupiter voeren en liet nog munten slaan met de zonnegod erop. In het nieuwe Constantinopel plande hij ook de bouw van heidense tempels. Zijn oudste zoon Crispus liet hij in 326, een jaar na het door hem georganiseerde concilie, terechtstellen. Korte tijd later werd zijn vrouw, keizerin Fausta, op zijn bevel vermoord door haar in een heet bad te laten stikken. Constantijn gaf dit bevel tot moord in opdracht van zijn moeder, “Sint” (!!) Helena. Vlak voor zijn dood liet Constantijn zich door een Ariaanse (!) bisschop dopen (337). Hij dacht daardoor als kind van zijn tijd al zijn zonden tot aan dat moment van de doop kwijt te zijn. Meteen na zijn dood werd hem door de Romeinse senaat de status van godheid toegekend. Hoezo Christelijke keizer? Het andere beeld van Constantijn, de zogenaamde ‘redder’ van de Christelijke kerk, hebben we te danken aan Eusebius met zijn kerkgeschiedenis en aan de legendevorming uit latere eeuwen. De werkelijkheid is dat er in die tijd een Christelijke schijnwereld is gecreëerd, waaronder een aanzienlijk deel van de mensheid tot op de dag van vandaag nog steeds gebukt gaat. Helaas!

 3. Augustinus.
     Een opmerking vooraf over de situatie, waarin Augustinus leefde (354-430). Het Christendom van die tijd was haar Bijbelse fundament kwijt en had een verschrikkelijk compromis met de wereld gesloten door te functioneren als Staatskerk. Je zou de kerk van toen met een Augiasstal kunnen vergelijken. Het Avondmaal, de Eucharistie, had een heidens offerkarakter gekregen, de kerkdienst hing van rituelen aan elkaar, er was relikwieënverering (naast de kerk van Augustinus in Hippo werden in een kapel de relikwieën van Stefanus vereerd), er was die onbijbelse en daarom tevens onmenselijke verdeling in geestelijkheid en lekendom etc., etc. Een door God gezonden dienstknecht zou de bezem hebben gepakt en een grondige schoonmaak hebben doorgevoerd. Zoiets heeft Augustinus niet gedaan. Hij heeft de kerk van zijn tijd niet aan de hand van de Bijbel geconfronteerd met haar dwalingen en zonden, maar juist de bestaande toestand geconsolideerd. Er zou een complete serie boeken nodig zijn om de schade in kaart te brengen, die de eeuwen door tot in onze eeuw veroorzaakt is door het denken van Augustinus. We kunnen hier slechts de grote lijnen van die schade aangeven en we doen dat aan de hand van reeds eerder gebruikte criteria.

- Hoe is de houding van Augustinus ten opzichte van de Bijbel?
     Als we dit nagaan, begint er al veel duidelijk te worden. In zijn geschrift tegen de Manicheërs (hoofdstuk 5) zegt hij: “Ik zou het evangelie niet geloven, tenzij dan daartoe bewogen door het gezag van de katholieke kerk.” De kerk had dus meer gezag voor hem dan de Bijbel. Dat bestaat ten enenmale niet, want dan zouden zondige feilbare mensen de baas kunnen spelen over Gods Woord. Verder maakte hij bij de uitleg van de Bijbel gebruik van de allegorische methode. Hierbij kende hij aan de letterlijke tekst een diepere betekenis toe. Dat kan leiden tot rare resultaten. Zo zegt hij bij de uitleg van Genesis 1, dat de schepping feitelijk slechts in één dag gebeurd is, maar “dat die ene dag zes of zeven maal herhaald is voor onze kennisneming” (De Staat Gods 11,9). Ook heeft hij de eerste opstanding (Openbaring 20:5,6) vergeestelijkt en het beschreven als alleen maar de opstanding van zielen, dat wil zeggen de wedergeboorte (De Staat Gods 20,10). Deze wedergeboorte dacht de kerk uit te kunnen voeren door middel van de doop. Deze leer komt neer op dezelfde dwaling als die van Hymeneüs en Filetus, die ook zeiden dat de opstanding reeds had plaatsgehad (2 Timotheüs 2:18,19). Hierdoor kon Augustinus van het duizendjarig rijk zeggen, dat we daar nu al inzitten en dat de heiligen (lees: de kerk) bezig zijn in dat rijk te regeren. Deze gedachte bestond al, maar is zo in alle verdere eeuwen de leer gebleven van de Rooms-katholieke kerk en van een groot deel van het Protestantisme. Het zet de mensen op het verkeerde been, wat betreft de geestelijke aard van het Koninkrijk der hemelen en de totale verdorvenheid van de wereld. Bovendien versluiert het de betekenis van de wedergeboorte, de bekering en de redding uit de “tegenwoordige, boze wereld” (Galaten 1:4). Kortom, door een allegorische exegese wordt de Bijbel het zwijgen opgelegd. En dan wordt het duister! Later komen we hierop terug.

- Welke definitie van een Christen werd er in de praktijk door Augustinus gehanteerd?      Volgens Augustinus werden mensen wedergeboren door de doop en op die manier Christen. Vaak noemde Augustinus de doop ‘het bad der wedergeboorte”. In zijn tijd werden zowel volwassenen als kinderen gedoopt. De doop bij volwassenen leek veel op een inwijding in een mysteriegodsdienst. Er gingen veel rituelen aan vooraf, zoals bijvoorbeeld duiveluitbanning, beademing, overhandiging van zout. Bij Augustinus werd de eigenlijke geestelijke betekenis van de doop pas een dag van te voren verteld. Bij anderen gebeurde dat in de week erna. Het was een geheim dat alleen de gedoopten mochten weten. De wijze waarop in de Metropolitan Tabernacle van Spurgeon een dopeling werd voorbereid op de doop, staat hier lijnrecht tegenover. Zie appendix II. 
     Augustinus was tevens een fervent voorstander van de kinderdoop. Ongedoopte mensen, dus ook kinderen, gingen volgens hem voor eeuwig verloren, want de doop was naar zijn mening heilsnoodzakelijk. Daarom was het in zijn ogen belangrijk kinderen vroeg te dopen. Hij ging kleine kinderen als gelovigen en boetvaardigen beschouwen via “de woorden van hun ouders en via de kracht van het sacrament en van de Goddelijke genade, die de Here aan de kerk verleend heeft”. (Over verdienste, vergeving van zonden en de doop van kinderen, boek I, hoofdstuk 25). Augustinus zag dus pasgeboren, gedoopte kinderen als wedergeboren Christenen. Hierdoor heeft hij de wedergeboorte ontdaan van de Bijbelse betekenis en er iets mystieks, iets spiritueels van gemaakt. Woorden schieten tekort om het blijvende schadelijke effect van deze dwaalleer te beschrijven. Zijn kerkmodel komt hierop neer: bij de doop van een kind wordt de erfzonde weggedaan. Door de verborgen werking van de Heilige Geest zal een mens steeds meer genade ontvangen tijdens zijn leven. Maar misschien gebeurt dit niet bij iedereen. De gemeente zal niet voor 100 procent uit gelovigen bestaan; er zitten ook naamchristenen bij. Via Calvijn is dit kerkmodel in het Nederlandse Protestantisme terechtgekomen. Daar heeft deze leer over een gemystificeerde wedergeboorte in de vorige eeuw een kerkscheuring veroorzaakt, die diepe wonden sloeg. Eveneens is deze dwaalleer de oorzaak van heel die geestelijke ellende van het hypercalvinisme met al die speculatie over inwendig verbond en uitwendig verbond etc., etc.
       Wat betreft het Christen worden heeft Augustinus niet begrepen wat de Bijbel precies bedoelt met “zonde” en “bekering”. In zijn denken was hij gewoon neoplatonist. Dat ons zondige vlees God vijandig gezind is (Romeinen 8:7), is voor het neoplatonisme onvoorstelbaar. Volgens deze filosofie kan God het kwade niet geschapen hebben. Daarom koppelen zij het kwade aan “niet-zijn”. Zonde is volgens hen dan ook niet verzet tegen God, maar het kiezen voor lagere doelen, lagere geestelijke goederen binnen het bestaande en zo een afzakken naar de grens van het niet-zijn. (Zie de waarschuwende opmerking van Prof. J. Wytzes aan het eind van zijn vertaling van “De Staat Gods”).  Bij Augustinus tref je dan ook niet de geest van de tollenaar aan, die zich op de borst slaat en zegt: “O God, wees mij, zondaar, genadig” (Lucas 18:13). Ook niet iets wat lijkt op de belijdenis van de verloren zoon: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Ik ben niet meer waard uw zoon te heten” (Lucas 15:21). Augustinus beschrijft zijn eigen bekering in heel andere bewoordingen (Belijdenissen, boek 8, punt 11,12). De strijd, die daar geschilderd wordt, vindt plaats in zijn wil. Hij worstelt om hogere, betere verlangens te krijgen naar geestelijke goederen die hoger zijn dan welke hij tot nu toe heeft nagestreefd. Zo wil hij graag zijn verlangens naar het sexuele leven kwijt. Als hij na dat beroemde “Tolle, lege” de Bijbel pakt en de eerste de beste tekst leest, dan gaat het daarover (Romeinen 13:13,14). Het was niet een tekst over Jezus Christus, over Zijn volbrachte werk, over vertrouwen op Hem, maar over de slechte begeerten, die hij zo graag kwijt wilde. Als hij dan de verandering van zijn wil aan zijn moeder gaat vertellen, blijkt dat zijn worsteling plaatsvond tegen de achtergrond van zijn keuze voor een celibatair leven als geestelijke. (Als reactie op zijn mededeling zegt zijn moeder het niet erg te vinden niet meer kleinkinderen te krijgen.) Ten diepste was de bekering van Augustinus niet een belijdenis van persoonlijke schuld ten opzichte van God en vervolgens een hartelijk vertrouwen op de Persoon en het werk van Jezus Christus, maar eerder een capituleren voor de onzichtbare geestelijke druk, die uitging van kerkelijke vrienden en van zijn moeder Monica. Een trieste zaak!  Kerk en familie hebben in de loop der eeuwen enorm veel kapot gemaakt in mensenlevens. Overigens, de relatie tussen Augustinus en moeder Monica was psychisch ongezond. Monica overheerste hem, reisde hem overal achterna en probeerde hem maximaal te beïnvloeden. Zij wilde graag dat hij een gedoopt Christen werd. Maar hij woonde samen met zijn maîtresse, dus eigenlijk leefde hij in zonde. Ze hadden samen een kind. Als Augustinus zich zo liet dopen waren volgens de toenmalige kerkleer de begane zonden weg, maar begon hij in een zondige toestand aan zijn leven als Christen. Niet verstandig dus, want zijn samenwonen met die maîtresse zou zijn zondeschuld weer doen toenemen. Met deze maîtresse trouwen betekende: niet op stand trouwen. Ook niet verstandig volgens moeder. Daarom werd de maîtresse op sterke aandrang van moeder Monica weggestuurd. Deze scheiding heeft Augustinus naar eigen zeggen emotioneel nooit helemaal verwerkt (Belijdenissen boek 6, punt 15). Er werd een verloving geregeld met een jong meisje, dat over twee jaar op huwbare leeftijd zou zijn. Voor de tussentijd nam Augustinus een andere maîtresse. Vanwege zijn voornoemde besluit stopte die relatie en ook het geplande huwelijk ging niet door.      

- Hoe zag Augustinus de functie van de gemeente?
     De gedachten van Augustinus liggen in de lijn van Cyprianus. De kerk is de uitdeelster van de genade. Zij vormt een eenheid door de bisschoppen, het episcopaat. Een schisma mag niet worden getolereerd. Nu was de situatie in Noord-Afrika ten tijde van Augustinus erg gecompliceerd geworden. Eigenlijk bestonden er twee kerken, de kerk van de Donatisten (genoemd naar Donatus (?? – 355) en de Katholieke kerk. Ze waren ongeveer even groot. De Donatisten beschouwden zich als de ware kerk, omdat ze priesters hadden die vrij van doodzonden waren en op geen enkele manier hadden toegegeven tijdens de laatste vervolging onder Diocletianus. Tussen de leden van beide kerken bestond grote onverdraagzaamheid. Dikwijls werd er geweld gebruikt, waarbij ook bloed vloeide. Augustinus heeft zich ingespannen om een eind aan de scheuring te maken vanaf de tijd dat hij bisschop in Hippo werd. Eén en ander culmineerde in een conferentie onder leiding van een keizerlijke gezant, waar de bisschoppen van beide kerken aanwezig waren. Augustinus hield een vurig pleidooi voor de katholieke kerk. De keizerlijke gezant koos voor de katholieken en het Donatisme werd in 411 per edict verboden. Ketterij werd een misdaad tegen de staat. Zo werd het fundament gelegd, waarop de Inquisitie later kon voortbouwen. Er was geen vrijheid van godsdienst meer vanwege de monopoliepositie van de Katholieke kerk. Augustinus was voor dit gebruiken van overheidsdwang ten behoeve van de Staatskerk. Als verdediging hiervoor misbruikte hij de tekst: “Dwingt hen om in te gaan” (Lucas 14:23). Dit kerkbegrip gaat lijnrecht in tegen de enige Bijbelse taak, die de gemeente heeft: getuigen van haar Redder, Jezus Christus. Later volgt hierover meer.

     Na het bovenstaande worden we gedwongen tot de conclusie dat het optreden van Augustinus veel onheil heeft gesticht. Hij was niet de hervormer die zijn tijd zo hard nodig had, maar hij ging juist met die tijd mee. Het wordt ook duidelijk, als u zijn boeken leest. Wie met Bijbelse nuchterheid naar zijn boek “Belijdenissen” kijkt, kan daar helemaal niets mee. Wie God iets te belijden heeft, doet dat in het verborgene en publiceert dat niet in een boek voor het grote publiek. Als je dat wel doet, ben je òf een regelrechte farizeeër, òf een misleide die spreekt tot een soort filosofische godheid, die alleen maar in het eigen denken bestaat. Als ik het gesprek van Augustinus met zijn moeder Monica lees in boek 9 hoofdstuk 10, dan denk ik dat het laatste het geval is geweest bij Augustinus. De basis van hun gesprek is niet een persoonlijke relatie met God door te vertrouwen op Jezus Christus, maar meer een neoplatonische vervloeiing met een soort godheid. Nog een ander raar punt. Aan het eind van de “Belijdenissen” houdt Augustinus een heel betoog tegen God over de schepping. Met zijn woorden doet hij, alsof hij God Zijn eigen schepping uitlegt, maar in werkelijkheid richt hij zich tot zijn lezers, zoals trouwens in zijn hele boek. Wie enigszins eerbied voor de echte God heeft, zal zoiets nooit durven doen. God laat niet met Zich spotten!
     Augustinus heeft veel boeken gedicteerd. Er komt een breedsprakigheid in voor, die haaks staat op de houding van Paulus: “Ik had niet besloten iets te weten onder u dan Jezus Christus en Die gekruisigd.” De boeken van Augustinus werden de hele Middeleeuwen door veel gelezen. Daardoor was zijn invloed erg groot. Karel de Grote, die het Latijn goed beheerste, liet zich tijdens zijn maaltijden uit deze boeken voorlezen. Volgens zijn biograaf Einhard was “De Staat Gods” bij hem favoriet. Van Karel de Grote is algemeen bekend, dat hij, toen hij het gebied van de Saksen veroverd had, hen vervolgens met het zwaard ‘bekeerd’ heeft tot zijn staatsgodsdienst. Hierbij liet hij in 782 bij Verden in het huidige Duitsland op één dag 4500 Saksen onthoofden. Deze moordpartij is één van de dieptepunten in de geschiedenis van de Middeleeuwen. Het ligt voor de hand te vermoeden, dat de bekendheid met de inhoud van de boeken van Augustinus meegeholpen heeft het denkkader aan te leveren, waarbinnen een zogenaamd Christelijk vorst deze gruweldaad kon bedrijven.  

4. De Middeleeuwen.
    
Aan het begin van de Middeleeuwen werd West-Europa gekerstend. Het Germaanse heidendom werd bedekt met een Christelijke vernislaag. Daar zijn tastbare bewijzen voor. De brief, waarin paus Gregorius (ca. 540 - 604) richtlijnen geeft aan zendelingen in Germaanse gebieden voor de ombouw van het heidendom naar de Christelijke godsdienst, is bewaard gebleven door het werk van de Britse monnik Bede (ca. 672 – 735). Zie bijlage. (Hierin is totaal niets meer te herkennen van het evangelie van Jezus Christus. De realiteit van bekering en wedergeboorte ontbreekt geheel. Gregorius verdraait de boodschap van de Bijbel op een verschrikkelijke manier. Wat hij zegt over de godsdienst van het volk Israël bij de berg Sinaï klopt van geen kanten. Zijn interpretatie hiervan komt neer op een soort godsdienst die te vergelijken valt met de aanbidding van het gouden kalf.) Bij deze wijze van kerstening kon het occultisme van het Germaanse heidendom zich ongestoord continueren. Verder zijn er veel kerken gebouwd op de oude heidense offerplaatsen. Dat is te zien aan de archeologische vondsten van Romeinse tempels onder oude kerken en aan de bebouwing van veel dorpen in het oosten van ons land. Vaak is er een voorchristelijke dorpskern aan te wijzen en ontstond er een nieuwe dorpskern rondom de kerk, die was gebouwd op de plaats van de oude heidense offerplaats, welke van oorsprong buiten het dorp lag. Het Christendom van toen werd aangestuurd vanuit Rome door middel van de geestelijkheid, terwijl het kloosterwezen enorm veel werk aan de basis verrichtte. De wereldlijke overheid ondersteunde de kerk. De donkere Middeleeuwen vormen zo de glorietijd van het ‘corpus christianum’. Toen bereikte de Rooms-katholieke kerk haar hoogste machtspositie in deze wereld. Had ze eerst de Romeinse keizer om hulp gevraagd en zich aan zijn macht onderworpen, nu probeerde zij zich boven de wereldlijke heersers te stellen. Keizer Hendrik IV van Duitsland heeft daarmee te maken gehad. Hij moest naar Canossa om daar bij de paus boete te doen (1077). Paus Bonifatius VIII zei het nog een keer duidelijk dat hij de baas was in de hele wereld. (Bul “Unam Sanctam” 1302). Bespottelijk, zo’n aanmatiging van een geestelijk leider. Hier wordt duidelijk dat de uitdrukking ‘corpus christianum’ in feite betekent: ‘imperium christianum’, want het ging de Rooms-katholieke kerk om allerlei soorten macht: om geestelijke macht, om wereldlijke macht, om territoriale macht (bijvoorbeeld in Italië en het Heilige Land), om psychische macht over zielen, kortom, om de totale macht. Zij bleek imperialistisch te zijn tot op het bot. Er werd een kerkelijke geheime dienst opgericht, de Inquisitie. Die pakte elke andersdenkende op en liet die door de wereldlijke overheid terechtstellen. Daar waren veel Joden bij. De kerk wilde over de zielen van de mensen heersen. Daarom moest iedereen verplicht naar de biecht. Ze wilde over het denken van de mensen heersen. Daarom liet ze haar dienares, de theologie, die oude reeds genoemde bovennatuur van Plato door middel van allerlei theologische begrippen vastleggen, compleet met godsbewijzen en al. Zo dacht ze heel de werkelijkheid in haar greep te hebben en zo leefde de Middeleeuwse mens in een door de kerk dichtgespijkerde werkelijkheid. Iedereen was geestelijk gezien haar slaaf geworden. Alle geschiedenisboeken vertellen ons dat men in de Middeleeuwen op het “Jenseits”, op het hiernamaals was gericht. Ach, dat was alleen maar de bankschroef, waarin de geestelijkheid het lekendom had vastgeklemd. De angst voor het hiernamaals was de grote bron van inkomsten voor de kerk hier op aarde. Ze liet zich haar ‘geestelijke’ diensten, het verkopen van aflaten en het lezen van missen voor gestorven familieleden, uitbetalen in geld, aards slijk. Nee, de middeleeuwse werkelijkheid had geen verticale dimensie. En de Middeleeuwse mystiek? Die was een variant op het neoplatonisme, een poging om te vervloeien met een zogenaamd Christelijke bovennatuur. De weg tot mystieke eenwording, zoals die beschreven is door Hadewijch en Ruusbroec, ziet er net zo uit als de mystieke weg in de Oosterse mystiek van bijvoorbeeld het Taoïsme. De Middeleeuwse mystiek komt uit dezelfde occulte bron. Zij bevat hetzelfde losmaken uit de werkelijkheid en dezelfde oplossing van het bewustzijn en heeft totaal niets met het geloof in Jezus Christus te maken.
 
     Deze ideale situatie voor het ‘corpus christianum’ tijdens de middeleeuwen laat iets van haar wezen zien. Daarom volgen hier nog een paar opmerkingen over die situatie:
-  De kerk heeft een sleutelpositie binnen de zichtbare werkelijkheid als heilsorgaan voor zielen.
-  De theologie is in de Middeleeuwen ontstaan. Toen werd ze de ‘koningin der wetenschappen’ genoemd en fungeerde ze als de ‘denktank’ van de kerk. Ze opereerde niet zelfstandig, maar was ondergeschikt aan de leiding van de kerk. Voor kritiek op het functioneren van de kerk vanuit de Bijbel was in het geheel geen ruimte. De kerk stond boven de Bijbel. Treffend zie je dit bij afbeeldingen van de bekendste Middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino. Hij wordt steeds afgebeeld met een geopende Bijbel in zijn linkerhand en een kerkgebouw in zijn rechterhand. Dat is nog steeds het wezen van de  theologie. Ze is dienares van de kerk van het ‘corpus christianum’ Christendom en als zodanig onderwerpt zij zich, ondanks al haar vrome woorden, niet aan de Bijbel, maar aan de kerk.
*  Geloven was een kwestie van weten geworden. Het was alleen nog maar het instemmen met de kerkelijke dogma’s. Het had niets meer met God en met de Bijbel te maken.
*  Er ontstond een scholastiek. Het bovennatuurlijke werd geheel en al in kaart gebracht om grip te krijgen op de werkelijkheid. Er kwamen filosofische godsbewijzen.
*  In de kerk werd het onderscheid tussen geestelijkheid en leken strikt doorgevoerd. Leken waren totaal afhankelijk van de geestelijkheid. Men zou die relatie kunnen omschrijven als geestelijke incest. De leek kon geen kant op en werd geestelijk misbruikt door de priesters, de bisschoppen en de paus.
*  De kerkdienst had niets meer te maken met de wijze van het samenkomen van de eerste Christenen. Het was slechts het uitvoeren van een liturgie, het volgens een jaarrooster verrichten van een vaste serie cultische handelingen.

    De Rooms-katholieke kerk heeft alle eeuwen door één grote vijand gehad, waar ze doodsbang voor is. Het is de Bijbel, het Woord van God. In de Middeleeuwen verklaarde zij het tot een verboden boek. Niemand mocht dit boek in de volkstaal lezen. Alleen de geestelijkheid mocht de Latijnse versie, de Vulgaat, lezen. In de kerk werden tijdens de mis een paar teksten in het Latijn gelezen, maar geen mens die daar iets van snapte of iets aan had. Aan dit verbieden van de Bijbel kunnen we zien, wie er de baas was in die kerk. De duivel had er de regie en deze vader der leugen kan alleen maar bestreden worden met de waarheid van Gods Woord, met de Bijbel. Zo is het steeds weer in de geschiedenis gegaan. Overal waar de Bijbel weer beschikbaar kwam voor het gewone volk, begon het licht van het evangelie te schijnen en reageerde de Rooms-katholieke kerk woedend met boekverbrandingen, ketterjacht en brandstapels. Zo ging het, om maar een paar namen te noemen, bij Petrus Waldus (1150–1198), John Wycliffe (1330–1384), Johannes Hus (ca. 1370–1415) en Maarten Luther (1483-1546). In het laatste geval was de nederlaag van de Rooms-katholieke kerk het grootst. Waar ze nog de overheid aan haar kant had, liet ze Protestantse ‘ketters’ verbranden. Er bleef de Protestanten haast geen andere weg over dan in verzet te komen tegen een Roomse overheid. Zo ontsnapten complete volken aan haar heerschappij.

5. Rome in de laatste eeuwen.
     Nu volgt er een bespreking van de Rooms-katholieke kerk in de laatste eeuwen. De protestantse kerken worden verderop apart besproken.
    
De Rooms-katholieke kerk heeft zich ingespannen om door middel van het Concilie van Trente (1545-1563) haar positie in de Rooms gebleven landen te consolideren. We kunnen ons nauwelijks nog een voorstelling maken van de verscheurdheid van Europa tijdens de godsdienstoorlogen. Rome heeft haar best gedaan zoveel mogelijk gebied en invloed terug te pakken. In Duitsland zijn vreselijke dingen gebeurd tijdens de Dertigjarige oorlog (1618-1648). Een tijdlang had de Rooms-katholieke kerk in Lodewijk XIV (1638-1715) van Frankrijk een trouw bondgenoot. De Protestanten werden grotendeels uit Frankrijk verjaagd. In 1698 werd de bekende Franse Hugenotenleider Claude Brousson na een veelbewogen leven te Montpellier geradbraakt. Het Protestantisme heeft in Frankrijk geen rol van betekenis meer gespeeld.
     Vanaf ongeveer 1700 kwam de Verlichting opzetten. Het was grotendeels een verzet tegen het dichtgespijkerde denken van de Rooms-katholieke Kerk. In Rooms-katholieke landen kwam de Verlichting het felst daartegen in verzet. Zij was één van de oorzaken van de Franse revolutie (1789). De Roomse kerk liep enorme klappen op. Veel priesters kwamen onder de guillotine terecht. Merkwaardig genoeg keerde de Rooms-katholieke kerk na Napoleon helemaal terug. De Jezuïetenorde, die in 1773 onder druk van regeringsleiders voorgoed (!) ontbonden was door paus Clemens XIV, werd in 1814 door de toenmalige paus weer hersteld (hoezo onfeilbaar?). De Roomse kerk kreeg in de 19e eeuw een soort bloeiperiode. In 1854 werd de onbevlekte ontvangenis van Maria afgekondigd en in 1870 de onfeilbaarheid van de paus. In Protestantse landen werd weer de Rooms-katholieke kerkstructuur in het leven geroepen. Na de scheiding van kerk en staat kon dat. Daar heeft de Roomse kerk maximaal gebruik van gemaakt. Het Rooms-katholieke volksdeel in Protestantse landen werd rechtstreeks aangestuurd vanuit Rome en als bruggehoofd gebruikt om politieke macht te verkrijgen. In Rooms-katholieke landen werden, waar mogelijk, de Protestanten verdrukt. Dat gebeurt nu nog steeds, bijvoorbeeld in Mexico. Soms organiseerde de Roomse geestelijkheid pogingen tot lynchen. Dr. Kalley (1809-1888) werd op Madeira de “wolf uit Schotland” genoemd. De Roomse geestelijken hebben de bevolking daar massaal aangespoord hem te lynchen. God heeft Zijn dienstknecht bewaard. Later is hij in Brazilië nog een paar keer ontsnapt aan dergelijke pogingen tot moord. Ook de Frans-Canadese priester Chiniquy (1809-1899), die de Roomse kerk verliet, is enkele malen ternauwernood aan de dood ontsnapt. Tot op de dag van vandaag voert de Rooms-katholieke kerk actie tegen hem. Op websites, die onder invloed van de Rooms-katholieke kerk staan, worden nog steeds leugens over hem verteld en wordt hij belasterd. Op de website van The New York Times zijn daarentegen in het archief nog verscheidene 19e eeuwse krantenartikelen te vinden over de gevaarlijke situaties, waarin Chiniquy zich bevonden heeft.
     Veel mensen zeggen dat het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) een verandering heeft teweeggebracht in het hierboven geschetste denkpatroon. Dat is niet te zien aan de vruchten. Nergens blijkt dat de Roomse kerk zich onder de kritiek van de Bijbel heeft gesteld en is gaan inzien dat er een radicale omkeer nodig is. Nergens blijkt dat zij zich wezenlijk is gaan schamen voor haar bloedrode verleden. De Inquisiteurs hebben wel altijd ervoor gezorgd de gevangengenomen ketters te laten verbranden, opdat de kerk geen bloed aan haar handen zou krijgen (!), maar iedere historicus met een objectief oordeel en enig psychologisch inzicht kan niet anders dan tot de conclusie komen dat de Rooms-katholieke kerk gedurende vele, vele eeuwen voor heel de mensheid een ramp van ongekende omvang is geweest. Al die tijd is zij over de autonomie van de individuele mens heen gewalst. Vanaf het begin van het pausdom in het jaar 600 tot nu toe zijn er tientallen miljoenen mensen gedood, omdat de Rooms-katholieke kerk daartoe aanstichtte. In de Middeleeuwen zijn er complete bevolkingsgroepen uitgeroeid, omdat zij terug wilden naar de Bijbel. Nog steeds is deze kerk op macht uit. Ze pakt het alleen anders aan. Zoals eerder in dit document is gezegd, kan de relatie geestelijkheid – lekendom vergeleken worden met geestelijke incest. De leek is immers totaal afhankelijk van de priester en van de kerk. Nu zijn er bij echte fysieke incestgevallen twee soorten plegers. Je hebt de autoritaire incestpleger en de vleiende incestpleger. De omschrijving duidt op de wijze, waarop de dader het slachtoffer overweldigt en misbruikt. Op het Tweede Vaticaans Concilie heeft de Rooms-katholieke kerk om pragmatische redenen haar rol als autoritaire incestpleger opgegeven om verder te gaan in de rol van de vleiende incestpleger. Dat is alles wat daar gebeurd is. Haar vasthouden aan geestelijke macht over zielen is nog steeds even boosaardig als in vroegere eeuwen. Nog altijd zal ze ook naar wegen zoeken om haar geestelijke machtsgebied uit te breiden. Nu niet op een autoritaire manier, maar op een vleiende manier. Ogenschijnlijk gaat ze links en rechts allerlei dialogen aan, maar de praktijk leert dat zij gedurende de afgelopen decennia op wezenlijke punten nog geen centimeter heeft toegegeven. Het gaat Rome niet om het gesprek, niet om wat de gesprekspartner beweegt; het gaat haar alleen maar om macht. Deze macht spitst zich toe op macht over zielen. Dat is trouwens ook de ergste vorm van macht. U gelooft uw ogen niet, als u “Actus formalis defectionis ab ecclesia catholica” leest. (Formele daad van afval van de katholieke kerk.) Het is een kerkrechterlijk document van het Vaticaan, gepubliceerd op 13 maart 2006 met goedkeuring van paus Benedictus XVI, waarin richtlijnen worden gegeven hoe er gehandeld moet worden als een ex-katholiek erom vraagt geschrapt te worden uit het doopregister. Eerst moet juridisch worden vastgesteld dat zo iemand innerlijk niets meer met de kerk te maken wil hebben en moeten er ook uiterlijke bewijzen van die innerlijke gesteldheid aantoonbaar zijn, dat wil zeggen “een daad van afvalligheid, ketterij of schisma”. Van die daad moet een schriftelijk bewijs getoond worden aan een gezaghebbende vertegenwoordiger van de kerk. Hiermee is de daad van de afval bevestigd en gelden de bijhorende canonieke straffen!! Notabene voor iemand die niets meer met de Roomse kerk te maken wil hebben! De daad van afval wordt vervolgens vastgelegd in het doopregister. Geschrapt wordt er niets. Nee, het is erger. Onder het laatste punt van dit document verklaart de Roomse kerk: “Het blijft in elk geval duidelijk, dat de sacramentele band van het behoren tot het Lichaam van Christus, dat is de Kerk, verleend door het kenteken van de doop, een ontologische (de zijnsleer betreffende, Vert.) en permanente band is, die niet verloren gaat om reden van enige daad of feit van afval.” Het individu heeft dus niet de beschikking over zijn eigen ziel, maar hij of zij moet toestaan dat zijn of haar ziel voor eeuwig verbonden blijft met de Rooms-katholieke kerk. Deze gedachte komt overeen met het middeleeuwse machtsdenken van de kerk. Het is een flagrante schending van de rechten van de mens. Het gemene van de zaak is dat de band gesmeed werd op het moment van de kinderdoop, toen het kind nog weerloos was en niet in staat om te handelen. De profeet Ezechiël spreekt in hoofdstuk 13 over de valse profetessen, die zielen vangen met toverbanden en sluiers (vers 18). Rome doet het door middel van de kinderdoop met de bijhorende fraaie ceremonie en de paar druppels water, maar evenals die valse profetessen hoeft zij niet te denken dat ze haar eigen ziel in het leven zal behouden. God zal ook deze zielenroof vergelden (eveneens in vers 18).
     Nog een laatste opmerking over de huidige misbruikschandalen binnen de Rooms-katholieke kerk. Deze zijn rechtstreeks terug te voeren op de geestelijke incestrelatie tussen geestelijkheid en lekendom met daarbij gevoegd het heidense, onmenselijke celibaat. In 1 Timotheüs 4:1-3 wordt het verbieden van het huwelijk een lering van boze geesten genoemd. Het celibaat is daarom in lijnrechte tegenspraak met de geopenbaarde wil van God en moet dus wel mensen beschadigen. Bij de afwikkeling van de zedenzaken blijkt opnieuw, hoezeer de Rooms-katholieke kerk gewend is uit te gaan van machtsdenken en van haar speciale dominante positie binnen de werkelijkheid. De geschiedenis laat zien dat deze kerk niet zoiets als een geweten heeft. Zij mag liegen en bedriegen van haar wetgeleerden. Johannes Hus heeft dat bijvoorbeeld ondervonden. Alle beloften van een vrijgeleide ten spijt werd hij gewoon gevangengenomen en verbrand. Chiniquy heeft dit gewetenloze handelen van de geestelijkheid heel duidelijk aangetoond in zijn boeken (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 13 van Chiniquy, te vinden op deze site). Ook nu zal deze kerk nooit spontaan zelf met een schuldbekentenis over de brug komen, laat staan met financiële vergoedingen voor het aangedane leed. Gezien haar verleden ligt er voor de huidige maatschappij geen andere weg open dan haar conform de hedendaagse wetgeving aan te pakken zoals alle burgers, die de wet overtreden, aangepakt worden. Op een slachtofferrol van haar kant moet niet worden ingegaan. Dan verdraait zij de feiten.

6. Het probleem van zonde en dood bij het ‘corpus christianum’.
    
We hebben nu uitgebreid de stroming van het ‘corpus christianum’ besproken. Ze doet zich Christelijk voor, maar heeft niets met de Bijbel te maken. Haar oorsprong ligt in de oude Grieks-Romeinse religie en de filosofie van de klassieken. Het is een religieuze poging om vat te krijgen op deze werkelijkheid. Hoe gaat deze stroming om met de twee grote problemen van deze werkelijkheid, die sinds de zondeval dit bestaan kenmerken, de zonde en de dood? Hier blijkt hoe door en door vermenselijkt deze stroming is, met name de Rooms-katholieke kerk. Heel haar denken begint bij de mens en bij deze aarde. Zonde wordt niet gezien in het licht van Gods gerechtigheid, maar als een eigen handelingsfout, die door menselijk handelen ook weer rechtgezet kan worden. De erfzonde wordt afgewassen door de doop. Voor de dagelijkse zonden en doodzonden kunt u terecht bij de priester door bij hem te gaan biechten. Hij zal een boetedoening opleggen. U moet zoveel Weesgegroetjes of Onze Vaders bidden, of andere religieuze dingen doen. De priester verleent absolutie (vergeving, kwijtschelding) namens zijn christus en de Kerk. Dat denkt de priester te kunnen doen, omdat de Kerk leert een heel reservoir aan genade te hebben door het offer van Christus en het overschot aan genade, dat de heilig verklaarde mensen uit het verleden voor zichzelf niet nodig hadden en aan dat reservoir hebben toegevoegd. Het is allemaal te banaal voor woorden. Het heeft totaal niets met de onverdiende genade van Jezus Christus te maken (vergelijk Efeziërs 2:8,9).
     Met het probleem van de dood wordt op soortgelijke wijze omgegaan. Door allerlei ceremoniën denkt men uiteindelijk in de hemel te belanden. Belangrijk zijn het ontvangen van het Sacrament der stervenden, het begraven worden in gewijde grond en aflaten kopen of missen laten lezen om gestorven familieleden uit het vagevuur in de hemel te laten komen. Iedere gelovige komt volgens hun leer na het sterven eerst in het vagevuur. Het maakt een mens misselijk, als hij dit religieuze gesjoemel in de Katechismus van de Rooms-katholieke kerk leest. Wie wil nou op zo’n manier sterven? Het gaat lijnrecht tegen de Bijbel in. Daar wordt nergens over een vagevuur gesproken. “Het is de mensen beschikt eenmaal te sterven en daarna het oordeel” (Hebreeën 9:27). Wat voor Godsbesef moet iemand hebben als hij denkt, dat hij de almachtige God, de Schepper van heel dit bestaan, op zo’n manier naar zijn hand kan zetten. Aan de houding ten opzichte van zonde en dood wordt nogmaals duidelijk dat deze godsdienst een Godonterende én mensonwaardige, heidense religie is.

b.  De Verlichting.
     De Verlichting wordt door de historici gezien als een reactie op het Middeleeuwse denken. Men verzette zich tegen de dichtgespijkerde werkelijkheid van de kerkelijke scholastiek. Als beweging is de Verlichting vooral heftig geweest in Rooms-katholieke landen, bijvoorbeeld Frankrijk. In de regel laat men deze beweging beginnen bij ongeveer 1650 en voortduren tot 1800. Als men het als manier van denken opvat, blijft ze voortduren tot onze tijd toe.
     Het is goed om ons te realiseren, dat de twee lagen van het Middeleeuwse denken, de bovennatuur en de zichtbare natuur, rechtstreeks voortkomen uit de oude Griekse filosofie. De Verlichting is een volgende vergeefse poging van de mens om greep te krijgen op het bestaan in deze wereld. De filosofen van de Verlichting zijn ertoe overgegaan te denken vanuit één laag, de waarneembare werkelijkheid om ons heen, maar zo’n poging is eveneens tot mislukken gedoemd. De eigenlijke problemen van de gevallen werkelijkheid, waarin wij leven, de zonde en de dood, blijven onoplosbaar. Alle wijsheid van deze wereld is door God tot dwaasheid gemaakt (1 Corinthiërs 1:20). Het heeft daarom ook geen zin om met dit Verlichtingsdenken in gesprek te gaan. We zullen slechts een soort historisch overzicht geven om de afval van het Christendom gedurende de laatste eeuwen in kaart te brengen. De veranderingen die hebben plaatsgevonden, vormen een complex geheel. Daarom belichten we enkele aspecten en ronden weer af met de vraag wat voor “oplossingen” de Verlichting heeft aangedragen voor het probleem van de zonde en de dood. De volgende aspecten zullen de revue passeren: 1. Het Verlichtingsdenken tot nu toe. 2. De evolutietheorie. 3. De ontwikkeling van de natuurkunde. 4. De geest van het Verlichtingsdenken. 5. Het probleem van de zonde en de dood bij het Verlichtingsdenken.

1. Het Verlichtingsdenken tot nu toe.
     Het ontstaan van de Verlichting is niet van de één op de andere dag gebeurd. Het is begonnen met een aantal vermetele denkers, zoals Spinoza en Voltaire. In Engeland deed John Locke van zich spreken. Men hechtte grote waarde aan het menselijk verstand. Door de ontwikkeling van de wetenschap en de techniek ontstond er een sterk vooruitgangsgeloof. Bepaalde ontwikkelingen raakten door de Franse revolutie (1789) en de tijd van Napoleon in een stroomversnelling. In veel landen ontstond er een scheiding tussen kerk en staat. De godsdienst werd vaak nog wel positief gewaardeerd, maar zij speelde bij lange na niet meer de rol van vroeger. In Nederland ging de overheid het als haar taak zien een overzichtelijke kerkelijke organisatie in het leven te roepen. Van de dichtgespijkerde werkelijkheid van de Middeleeuwen met de kerk op de dominante positie was niets meer over. De noodzaak om bij het denken van een soort ‘verchristelijkte’ Griekse bovennatuur uit te gaan, was verleden tijd geworden. In toenemende mate gingen filosofen systemen bedenken zonder gebruik te maken van die bovennatuur. Sommigen (o.a. Nietzsche) zijn er zelfs vreselijk tegen tekeer gegaan op de bekende wijze van de olifant in de porseleinkast.
      Het moderne denken van vandaag de dag is een uitvloeisel van de Verlichting. De mens staat er centraal. De mens ziet zichzelf ook als de baas van deze werkelijkheid. Hij duldt niemand boven zich en is van mening dat de mens ook aan niemand verantwoording schuldig is. Hij denkt zijn eigen leven te kunnen bepalen en is van oordeel dat hij zelf kan bepalen hoe deze wereld en deze werkelijkheid ingericht moeten worden. We zullen nog een aantal kenmerken van dit soort denken noemen.
     a. Het agnosticisme: Veel mensen noemen zich tegenwoordig agnost. Dat betekent dat hij of zij van mening is dat de bedoeling van dit bestaan niet te kennen is. Maar meestal is iemands agnosticisme een dooddoener, een handige smoes om gewoon zijn eigen gang te kunnen gaan. Een echte, authentieke agnost brengt zijn leven in wanhoop door. Hij ervaart dat hij vanaf zijn geboorte op onweerstaanbare wijze door de tijd verder wordt geschoven, totdat hij bij zijn dood de definitieve rand aan de andere kant zal passeren. En wat dan? Dat is de vraag, die bij een echte agnost voortdurend op de achtergrond aanwezig is. Die spanning kom je maar zelden tegen.

    b.  Alles kan en alles mag: Er zijn geen absolute waarden en normen meer. Iets is goed als er mee te werken valt. Dit pragmatisme dringt door op steeds meer levensgebieden. Het houdt ook in dat iedereen ervan uitgaat dat het eigen handelen altijd te rechtvaardigen is. Men eist deze handelingsruimte voor zichzelf op en zal die ook aan ieder ander toekennen, mits . . . . .  men er zelf geen nadeel van ondervindt. Zolang alles een beetje loopt, is iedereen OK. De gedachte is: “Jij bent OK, en ik ben OK.” In dit klimaat worden mensen, die nog ergens voor staan, als lastig ervaren. In de regel krijgen ze al snel een etiket opgeplakt. De geijkte termen voor zo’n etiket zijn: “dogmatisch”, “fundamentalistisch”.
     c. Beleef het leven: In toenemende mate is men onder invloed van de reclamemachinerie ertoe overgegaan niet langer na te denken over het leven, maar het alleen nog te beleven. De vraag is niet langer: Is deze handelwijze verantwoord? Of: Is dit rechtvaardig? De vraag, waar het nu om draait, is: Voel ik mij er goed bij? Zo wordt in het moderne verlichtingsdenken het leven gedegradeerd tot een geraffineerde vorm van consumptie.


2. De evolutietheorie.
     De evolutietheorie is opgesteld om het ontstaan van deze werkelijkheid te verklaren zonder daarbij uit te gaan van een Schepper. Hierbij is het verlangen van de Verlichting duidelijk geworden om grip te krijgen op deze werkelijkheid zonder die Middeleeuwse ‘bovenlaag’. Deze hypothese mist echter elke basis. Ze is bedacht in het midden van de negentiende eeuw tijdens de roes van het vooruitgangsgeloof. We zullen in ’t kort een paar bewijzen aanvoeren tegen deze theorie.
     a. De theorie is strijdig met de 2e Hoofdwet van de Thermodynamica. Deze natuurkundewet houdt o.a. de volgende regel in: Bij niet aangestuurde processen is na afloop de mate van chaos groter. Het is een algemeen bekend feit, dat het erfelijk materiaal in elk levend wezen enorm gecompliceerd is. Zoiets kan nooit en te nimmer zichzelf door toeval hebben geordend; het kan zichzelf ook niet naar een hoger niveau ordenen. Er ontstaat geen ordening door toeval. Dat is de dagelijkse ervaring van ons allemaal. Als er bijvoorbeeld per ongeluk een open pak met erwten van het aanrecht gestoten wordt, dan zullen de erwten zich willekeurig over de hele keukenvloer verspreiden en niet allemaal netjes in één hoek gaan klaarliggen om opgeveegd te worden. Er komt nooit spontaan ordening tot stand. Na 100 jaar zullen ze er nog zo liggen, als niemand ze opraapt. Nu bevindt zich in de celkern van een levende cel een reusachtige hoeveelheid informatie. Deze is opgeslagen in de DNA-moleculen. Het is allemaal nodig om de biologische processen in de cel en in het organisme aan te sturen. Die informatie kan er nooit door toeval terechtgekomen zijn. Iemand moet die programma’s ‘geschreven’ hebben. Ik geloof dat God dat heeft gedaan en zo elk organisme ‘naar zijn eigen aard’ (Genesis 1) geschapen heeft.

     b. De biologie zelf bewijst het tegendeel van de evolutietheorie. Vanaf het verschijnen van Darwins boek “On the Origin of Species” in 1859 hebben evolutionisten met man en macht gezocht naar concrete gevallen van evolutie. Tot op de dag van vandaag is er niet één gevonden. Er zit weliswaar een zekere bandbreedte in het erfelijk materiaal van de soorten, waardoor er varianten kunnen ontstaan, maar nergens is ook maar het geringste stapje omhoog naar een gecompliceerdere soort waargenomen. Verder zijn er fossielen gevonden van soorten, die tot op de dag van vandaag nog steeds als levende soorten voorkomen zonder de geringste verandering. In een museum in Duitsland zag ik ze naast elkaar in de vitrine: de fossielen en levende exemplaren van dezelfde soort ernaast. Een mooi voorbeeld van ditzelfde verschijnsel vormen de barnsteeninsluitingen van bestaande insectensoorten. Volgens de evolutietheorie zouden deze insluitingen 20 miljoen jaar oud moeten zijn, maar ze bevatten soorten die vandaag de dag bestaan en er precies net zo uitzien.

     c. In één levende cel vinden enorm veel gecompliceerde biochemische reacties plaats, bijvoorbeeld de fotosynthese. Een chemische fabriek is er niets bij. Er zijn reacties die nog steeds niet volledig begrepen worden. En dit zou allemaal door toeval zo zijn opgestart. Hierbij zou ook nog meteen een reproductie- oftewel voortplantingssysteem moeten zijn gaan functioneren. Überhaupt zou een ‘hogere’ vorm van voortplanting in één mutatiesprong tot stand moeten zijn gekomen, anders gaat er van alles mis. Bij het zogenaamde ontstaan van de zoogdieren zou er bijvoorbeeld ook meteen een mechanisme moeten functioneren, waarbij de bloedvaten in de baarmoederwand tijdens het afstoten van de placenta worden afgesloten, anders bloedt het moederdier dood. Zo’n mutatiesprong, waarbij in één keer alles functioneert, is totaal ondenkbaar.
     Verder is het ontstaan van de zintuigen via evolutie op geen enkele wijze aan te tonen. Het oog is een enorm gecompliceerd orgaan. Bovendien staat het niet op zichzelf, maar wordt het door zenuwen verbonden met het gezichtscentrum in de hersenen. En dit zou zich door toeval ontwikkeld hebben??!!
     d. Vaak zie je bij de presentatie van deze theorie plaatjes van vissen, waarvan de vinnen veranderen in pootjes. Dit is in volkomen tegenspraak met de hedendaagse biologische realiteit. Dieren die in een voor hen steeds slechter wordend milieu leven, sterven heel simpel uit. Dit is juist de reden waarom er zoveel diersoorten in onze tijd uitsterven. Merkwaardig overigens, hoe iemands waarneming en denken gekleurd kan zijn zonder dat hij dat zelf onderkent. Eind jaren zestig liep ik college Latijn, Grieks en Patristiek bij Prof. J.Wytzes. Hij behoorde nog tot de oude garde en was niet meegegaan in het accepteren van de evolutietheorie. Meestal doceerde hij in kaarsrechte houding van achter zijn bureau, als er tenminste niets op het bord geschreven hoefde te worden. Maar als hij iets bijzonders had te vertellen, ging hij midden voor zijn studenten staan, nam zijn leesbril af en gaf dan zijn visie in korte duidelijke zinnen. Zo luchtte hij op een keer zijn hart over de evolutietheorie. Hij woonde al lange tijd in Rotterdam en had daar van nabij het dempen van de Coolsingel meegemaakt. Elke dag was hij er langs gekomen en elke dag had hij gezien dat er zich steeds minder water in de singel bevond. Hij had ook gezien wat er met de vissen was gebeurd. Helder en duidelijk herhaalde hij een paar keer met zijn hoge, wat hese stem de waarneming, waaruit hij zijn conclusie had getrokken: “Ze kregen géén pootjes, mijne heren, ze kregen géén pootjes! Ze gingen gewoon  . . . dóód!” Wij als studenten grijnsden met z’n allen. Bij ons was de schakelaar al om. Niemand geloofde nog in de schepping, zoals die in Genesis 1 beschreven wordt. In elk geval kwam niemand daar openlijk voor uit. De ogen gingen mij pas weer open bij mijn bekering, een paar jaar later. Toen zag ik in, dat Prof. Wytzes met zijn afwijzing van de evolutietheorie het grootste gelijk van de wereld had. Waarvan akte!

     e. Veel scholieren worden met de evolutietheorie geconfronteerd tijdens het vak aardrijkskunde, als het gaat over de geschiedenis van de aardkorst. Een bekend onderwerp is bijvoorbeeld de vorming van steenkool. In de lesboeken staat dat dit ongeveer 300 miljoen jaar geleden plaatsvond. Het wordt allemaal gepresenteerd alsof de wetenschap van de geologie dit ontdekt en bewezen heeft. Maar het is in strijd met de harde feiten van de werkelijkheid. Er wordt met een enorm gekleurde bril naar het verleden gekeken. Deze bril heet “actualisme”. Het betekent de aanname dat de aardse geschiedenis verklaard kan worden met dezelfde geologische processen die we in het heden waarnemen zoals bijvoorbeeld erosie en sedimentatie (afzetting). Deze aanname werd opgesteld door de Schotse geoloog James Hutton (1726-1796) en gepropageerd door Charles Lyell (1797-1875). Darwin had het boek van Lyell bij zich op zijn reis met de Beagle. Zonder veel tegenstand werd de gedachte van een zeer lange ontwikkeling het fundament van de hele geologische wetenschap. Ze klopt echter niet met de praktijk. We nemen nu alleen even het proces van fossilisering. De bodem bevat erg veel fossielen. Aan de vondsten blijkt dat de fossilisering plotseling moet hebben plaatsgevonden. Daar zijn erg veel voorbeelden van bijvoorbeeld een gefossiliseerde roofvis, die net bezig is een andere vis op te eten. Zo’n proces gebeurt niet in onze werkelijkheid. Er worden op dit moment geen fossielen gevormd. Niemand weet hoe het fossiliseringsproces precies heeft plaatsgevonden. De aanname van het actualisme klopt dus niet. Al die miljoenen jaren zijn pure speculatie, die nergens op slaan. Wat betreft de steenkool nog het volgende. De geologie neemt aan dat de steenkool is ontstaan uit materiaal dat daar ter plekke is gegroeid. Dit is in strijd met de werkelijke feiten. In de steenlaag eronder zitten geen sporen van beworteling. Bovendien komt het vaak voor dat steenkoollagen zich horizontaal splitsen in twee lagen boven elkaar. Dat is te zien op kaarten van dwarsdoorsneden van steenkoolmijnen. De laag aan de ene kant van de splitsing moet in dezelfde tijd ontstaan zijn als de twee lagen aan de andere kant. De speculatie dat de vorming van deze lagen steenkool miljoenen jaren zou hebben geduurd, is geheel onhoudbaar. Ook zijn er verkoolde boomstammen teruggevonden, die rechtop in de steenkoollaag staan. Volgens geologen zou het ondereind van één ervan zes miljoen jaar ouder moeten zijn dan het boveneind. Uitgaande van de overvloed aan deze feiten en nog veel meer keiharde feiten is er slechts één conclusie mogelijk: de steenkoollagen zijn ontstaan door afzetting van grote hoeveelheden drijvend plantaardig materiaal op lage vlakke kusten gedurende een zeer korte tijdsperiode. Meteen daarop werden ze bedekt met een laag zand. Dit bewijst, dat er een enorme catastrofe moet hebben plaatsgevonden, waarbij een massale hoeveelheid water de bepalende factor was. De ontstaansgeschiedenis van steenkool duidt op omstandigheden die overeenkomen met die van de zondvloed. 

 3. De ontwikkeling van de natuurkunde.
    
Tegelijk met het ontstaan van het Verlichtingsdenken hebben zich ook veranderingen in de wetenschap van de natuurkunde voltrokken. Als wetenschap is zij erg belangrijk, want het uiterlijk van de wereld waarin wij leven, is grotendeels door haar bepaald. De hoge vlucht van de techniek is alleen maar mogelijk geweest door de ontdekkingen van natuurkundigen. Na het tijdperk van de stoommachine kwam die van de elektriciteit en de atoomenergie. Daarna kwam de computer. De uitvinding van de transistor (1947) had uiteindelijk een sneeuwbaleffect. De hele digitale wereld heeft de transistor als fundament. Door de dominante plaats van de techniek in onze wereld hebben mensen als vanzelf de neiging absolute waarde toe te kennen aan het vak natuurkunde en aan de natuurkundewetten, die in de loop der eeuwen ontdekt zijn. Dit is niet terecht. Daarom volgen er nu een paar opmerkingen over de ontwikkeling van de natuurkunde.
     Er zijn drie perioden te onderscheiden in de geschiedenis van de natuurkunde. De eerste periode betreft de Griekse oudheid en de Middeleeuwen. Dit wordt de antieke natuurkunde genoemd. De tweede periode is die van de klassieke natuurkunde. Zij duurde van ca. 1650 tot ca. 1900-1930. Daarna volgde de periode van de moderne natuurkunde. Deze is nog in ontwikkeling. Deze drie perioden zijn erg verschillend van karakter. We zullen heel in ’t kort een schets geven van de drie periodes.
     Bij de Grieken was de natuurkunde ingebed in het geheel van de filosofie en bestond ze niet zozeer als aparte wetenschap. Aan de ene kant had men al concrete zaken ontdekt, zoals bijvoorbeeld de omtrek van de aarde, aan de andere kant dacht men de natuurkundige verschijnselen te kunnen begrijpen door gewoon diep na te denken. Dat heeft wat betreft de astronomie en de wiskunde wel geleid tot een bruikbaar fundament voor heel de latere geschiedenis. Dit gold niet voor de natuurkunde. Zintuiglijke waarneming zet de mens gemakkelijk op het verkeerde been, als hij probeert natuurkundige verschijnselen te verklaren. Verder was er niet het technische niveau om goede apparaten te maken voor de noodzakelijke experimenten. Bij verklaringen ging men al gauw over op speculatie. In de Middeleeuwen borduurde men voort op het Griekse denken. Bijzonder was dat alle kennis, ook de natuurkundige kennis, onderdeel ging uitmaken van de theologie en zo leer van de Rooms-katholieke ker
k werd.
 
     De opkomst van de klassieke natuurkunde is uitvoerig beschreven door E. J. Dijksterhuis in zijn bekende boek “De mechanisering van het wereldbeeld”. De klassieke natuurkunde begon met Copernicus (1473-1543). Zijn voorstel om de zon als uitgangspunt te nemen, maakte de berekening van de positie van de planeten eenvoudiger. Galileï (1564-1642) schaarde zich achter dit idee aan de hand van waarnemingen met de pas ontdekte telescoop. Hierdoor kreeg hij conflicten met de kerkleiding, omdat die het wereldbeeld van Ptolemeüs leerde, waarbij de aarde in het centrum stond. De volgende stap in het zich realiseren van het mechanische aspect van de natuurkundige werkelijkheid ging als volgt. Europese wetenschappers hadden de grootste moeite het begrip “leegte” te accepteren, toen Torricelli zijn kwikbarometer presenteerde (1643). Aristoteles had immers gezegd dat de natuur een afkeer van leegte had en dat leegte niet bestond. Wat bevond zich boven het kwikniveau in de barometerbuis? Dat was de grote vraag. Er waren de meest vreemde speculaties. Blaise Pascal (1623-1662) bewees het bestaan van leegte en verklaarde de werking van de barometer in relatie met de luchtdruk. Het mechanische wereldbeeld kreeg zijn beslag, toen Newton (1643-1727) met zijn krachtwetten aantoonde, dat de hemellichamen aan dezelfde wetten onderworpen zijn als voorwerpen op aarde. Vanaf die tijd heeft de klassieke natuurkunde zich snel ontwikkeld. Dit werd mede mogelijk gemaakt door de steeds verdergaande wiskunde, waardoor de resultaten van de natuurkundige waarnemingen adequaat konden worden verwerkt. Zo ging het door tot rond 1900. Aan het eind van de 19e eeuw waren er natuurkundigen die het vermoeden uitspraken dat het niet lang meer zou duren, of de natuurkunde zou alles ontdekt hebben wat er viel te ontdekken. Het huidige natuurkunde-onderwijs op de middelbare scholen bestaat voor het overgrote deel uit de ontdekkingen van de klassieke natuurkunde en hierdoor kan bij leerlingen gemakkelijk datzelfde idee ontstaan, dat de menselijke wetenschap alles aan de weet kan komen. Het is echter een vervormd beeld van het geheel van de natuurkundige werkelijkheid. Dat blijkt uit de resultaten van de moderne natuurkunde.
    
Het allereerste begin van de moderne natuurkunde is te zien bij Max Planck (1858-1947), die in 1900 verslag deed van de door hem gedane waarneming dat energie zich niet in oneindig kleine pakketjes laat verdelen, maar dat er een soort ondergrens is. Dit kleinst mogelijke pakketje werd ‘kwantum’ genoemd. Albert Einstein bewees in 1905 de correctheid van de waarneming met een artikel over het foto-electrisch effect. In hetzelfde jaar publiceerde hij ook een artikel over de speciale relativiteitstheorie. Deze breidde hij later uit tot de algemene relativiteitstheorie (1915). Tijd bleek geen absoluut begrip meer te zijn, maar gekoppeld te zijn aan het begrip ruimte. Er sneuvelden meer vaste zekerheden. Vanaf de jaren twintig werd de moderne natuurkunde met haar kwantummechanica en relativiteitstheorie steeds meer geaccepteerd. Alle gedane experimenten bewezen de correctheid ervan. Op het niveau van atomen en nog kleinere deeltjes blijken de wetten van de klassieke natuurkunde niet op te gaan. De begrippen ‘plaats’ en ‘tijd’ krijgen in die situatie een heel andere inhoud. Er zijn deeltjes, die tijdens de zeer korte periode dat ze bestaan, tegen de tijd in bestaan. In de tachtiger jaren werd zelfs experimenteel bewezen dat in sommige gevallen bij bepaalde kleine deeltjes de verder algemeen geldende regel van oorzaak en gevolg wordt omgedraaid. In tegenstelling tot de klassieke natuurkunde kan de moderne natuurkunde geen absolute uitspraken doen. Haar uitspraken hebben slechts statistische waarde. Op het hoogtepunt van de klassieke natuurkunde had de Franse filosoof en wiskundige Laplace (1749-1827) nog gezegd, dat alles onderworpen is aan oorzaak en gevolg en dat, als we op moment x de hele werkelijkheid kenden, we dan ook haar verleden en toekomst zouden kennen. Zo’n zekerheid zal de moderne natuurkundige nooit kunnen geven. Hij kan slechts spreken over kansen en moet erkennen dat er grenzen zijn, waar hij niet overheen kan kijken, niet vanwege het gebrek aan nauwkeurigheid bij zijn meetinstrumenten, maar omdat de natuur zelf het niet toestaat iets aan de weet te komen over wat er achter die grens gebeurt. De moderne natuurkunde heeft wetten opgesteld over het grensgebied dat nog kenbaar is. Deze bestaan alleen maar in formulevorm. Er is geen enkele concrete voorstelling meer van te maken. Ze zijn helemaal niet geschikt als oriëntatiepunt bij het zoeken naar het wezenlijke van dit bestaan. Laat u nooit van de wijs brengen door opmerkingen, dat de Bijbel niet waar zou zijn, omdat de ‘moderne wetenschap’ door middel van de natuurkundewetten zou bewijzen dat de wonderen, die in de Bijbel beschreven staan, nooit gebeurd zijn. Iemand die zulke opmerkingen maakt, kent de echte feiten niet en gaat uit van een achterhaald en vertekend beeld van deze werkelijkheid.

4. De geest van het Verlichtingsdenken.
    
De resultaten van het Verlichtingsdenken, de wetenschap en de techniek, hebben ervoor gezorgd dat de moderne tijd er totaal anders uitziet dan welke periode uit de geschiedenis ook. Het voert te ver om dat uiterlijk in z’n geheel te beschrijven. We noemen slechts een paar dingen, waar de mensheid twee eeuwen geleden in ’t geheel geen weet van had: het spoorwegnet, stoomschepen, vliegverkeer, auto’s, atoombommen, kernenergie, radio en televisie, ruimtevaart, harttransplantaties, computers, cd-spelers, opwarming van de aarde, biotechnologie, nanotechnologie, mobiele telefoons, internet, twitter, etc., etc. Het vervoer van personen en goederen heeft een megagroei doorgemaakt. De hoeveelheid beschikbare nuttige informatie en wetenschappelijke kennis is duizelingwekkend geworden.
     En de mens zelf. Wat is er met de mens zelf gebeurd? Op de keper beschouwd niet veel bijzonders. Welke grenzen er ook verlegd zijn, de twee belangrijkste grenzen zijn nog steeds precies hetzelfde gebleven. De mens komt dit bestaan binnen via de grens van zijn geboorte en hij verlaat dit bestaan via de grens van zijn dood. Wat we ook aan menselijke kennis hebben vergaard, we zijn met die kennis geen stap verder gekomen wat betreft de betekenis van de dood. Dat is verschrikkelijk, want als een mens niet weet wat sterven inhoudt, hoe kan hij zich daar dan tijdens zijn leven op voorbereiden? Uiteindelijk zijn we allemaal op weg naar dat vaste eindpunt. Het kan een korte reis zijn of een lange, dat maakt niet uit. Vroeg of laat komen we op dat eindpunt aan. We kunnen ons voor van alles verzekeren in dit leven. Maar we kunnen ons niet verzekeren tegen onze dood. Natuurlijk kunnen we een uitvaartverzekering afsluiten, maar als we de grens van leven en dood gepasseerd zijn, hebben we daar zelf niets aan. Zo blijven voor het menselijke denken deze vragen onopgelost: “Waarom sterft een mens?” en daaraan gekoppeld: “Wat is de zin van dit bestaan?”
     De Middeleeuwse denkers hebben geprobeerd om dit bestaan onder controle te krijgen. Ze gingen daarbij in navolging van de Griekse denkers en de apologeten uit van een soort christelijke bovenlaag. Hun abstracte godsbewijzen waren niet zozeer bedoeld om het bestaan van de echte God aan te tonen, maar ze dachten dat het aan hun denksysteem een soort fundament gaf. Via die bovenlaag, waar zij ook hun filosofische god een plek gaven, dachten ze de regie over dit bestaan in handen te hebben. Dat heeft iets met hun waarneming gedaan. Feiten die niet in overeenstemming waren met hun denksysteem, werden genegeerd of anders geïnterpreteerd. Zouden die feiten namelijk waar zijn, dan zou hun denksysteem niet kloppen en dan zou hun complete wereld in elkaar storten. Dat kon niet waar zijn, want zij hadden het immers bij het rechte eind. Daarom kreeg Galileï op z’n 69ste huisarrest, want hij had op grond van waarnemingen hardop gezegd dat inderdaad de zon in het midden stond en niet de aarde. Daarom duurde het ook even voordat het begrip ‘leegte’ werd geaccepteerd. Dat kwam door het dogma van Aristoteles, en dus ook van de Rooms-katholieke kerk, dat er geen leegte bestaat, omdat de natuur een afkeer van leegte heeft. Zelfs iemand als René Descartes had nog gespeculeerd dat de ruimte bovenin de kwikbuis van Torricelli zich door het glas heen had gevuld met ‘subtiele materie’, voordat uiteindelijk Pascal met doorslaggevende bewijzen van het vacuüm kwam. 
     Het ten koste van alles de regie willen houden en een ontregelde waarneming hangen nauw met elkaar samen. In het verleden had ik te maken met een groep ernstige anorexiapatiënten. Dit zijn in de regel meisjes met een bovengemiddelde intelligentie. Ze ervaren hun eigen lichaam als erg dik, terwijl ze vreselijk mager zijn. Op een enorm rigide manier proberen ze de absolute regie over hun lichaam te houden door heel precies op een bepaald laag gewicht te blijven. Soms is er bij hen een grote psychische ontreddering te zien, als blijkt dat hun gewicht bij weging bijvoorbeeld 200 gram hoger is dan zij gepland hebben. O, die paniek die er ontstaat, als men geconfronteerd wordt met dat vreselijke gevoel van het kwijtraken van de regie!!      
     Zowel het Verlichtingsdenken als het Middeleeuwse denken zitten in een vergelijkbare kramp. Beide proberen de regie te hebben over dit bestaan. Het Verlichtingsdenken gaat uit van één laag, de zichtbare werkelijkheid. Dat was een reactie op de twee lagen van de Middeleeuwen, maar uiteindelijk is de geest erachter dezelfde. Waarnemingen die niet in overeenstemming zijn met het Verlichtingsdenken worden, net als in het Middeleeuwse denken, genegeerd of anders geïnterpreteerd. Zo moet volgens het Verlichtingsdenken de evolutietheorie waar zijn, want anders zou je moeten uitgaan van een Schepper en dat kan volgens de overgrote meerderheid van de westerse mensheid niet. Men voelt onbewust aan dat men dan de regie kwijt is. De harde objectieve feiten zijn, dat er volgens de 2e Hoofdwet van de Thermodynamica nooit spontaan ordening kan ontstaan en dat er sinds 1859, toen Darwins boek verscheen, tot op de dag van vandaag nog geen enkel miniscuul stapje omhoog is ontdekt in de opeenvolgende generaties van biologische organismen. Maar deze feiten worden genegeerd of verdraaid, net als vroeger bijvoorbeeld het vacuüm in de kwikbuis. Er wordt veel energie gestoken in het bewijzen van het eigen gelijk. De NASA is met een duur ruimtevaartprogramma krampachtig op zoek naar evolutie door het heelal af te speuren naar buitenaards leven. Die kramp wordt zichtbaar in hun pogingen door middel van media-aandacht hun ‘onderzoeksresultaten’ bij het grote publiek te laten ‘landen’. Ook in de speurtocht naar de oerknal via het kleine deeltjes onderzoek zit die drang. Volgens de ‘geleerden’ zou de oerknal 13.700.000.000 jaar geleden hebben plaatsgevonden. Al die nullen staan er om het geloof in een Schepper zover mogelijk weg te duwen. Maar dat helpt niet, al zouden er nog tien nullen bij komen. In de berekeningen van de moderne natuurkunde wordt überhaupt met superkleine en supergrote getallen gewerkt en staan er hele reeksen nullen voor of achter de komma. Al die ‘bewijzen’ die tegenwoordig het begin van het bestaan willen verklaren zonder God, kortom, dat God niet zou bestaan, zijn net zoveel waard als vroeger die Middeleeuwse filosofische ‘bewijzen’ dat God wel bestaat. Dat wil zeggen, wat betreft hun geestelijke waarde. Die is nul. In dollars uitgedrukt is er echter wat betreft de gemaakte kosten een immens verschil. De kosten van inkt en papier vallen in het niet bij de kosten van ruimtevaartuigen en deeltjesversnellers. Wat een geldverspilling! Wat een kramp!
 
     Dezelfde intolerantie, die het Middeleeuwse denken kenmerkte, zit ook in het Verlichtingsdenken. We zullen slechts twee symptomen daarvan noemen. Een groot deel van de Tweede Kamer staat op de achterste benen als wordt gevraagd in het biologie-onderwijs naast de evolutiehypothese ook de mogelijkheid te behandelen, dat God de ons omringende natuur geschapen heeft. Vanwaar die verbetenheid? Het geloven in de Schepper doet de naaste geen kwaad. Het is ook geen belemmering voor het denken. Lees “Gedachten” van Blaise Pascal maar. Het punt op de achtergrond is echter: wie is de baas van dit bestaan, de mens of God. Wie heeft de regie?
     Het andere symptoom is de manier waarop de homobeweging actie voert. In Nederland hebben homoseksuelen zo ongeveer alles voor elkaar gekregen wat ze graag wilden. Ze mogen officieel trouwen, ze mogen kinderen adopteren, ze hebben een behoorlijk grote plek in de berichtgeving via de media, ze krijgen de gelegenheid in de publieke ruimte van de Amsterdamse grachten hun Gay-prides te houden. Toch worden ze als het ware ertoe gedreven om actie te voeren, als in 10 procent van de Nederlandse gemeenten onder de vele trouwambtenaren van zo’n gemeente er één is, die omwille van zijn geweten en zijn geloof in de Schepper weigert twee mensen van hetzelfde geslacht met elkaar in het huwelijk te verbinden. Nee, dat kan niet, want iedereen moet net zo denken als zij. Waarom die intolerantie? Er wordt hen geen strobreed in de weg gelegd. Trouwambtenaren genoeg bij wie ze terecht kunnen. Ze worden niet gekwetst en als mens volkomen serieus genomen. Er is geen andere verklaring voor deze merkwaardige intolerantie te vinden dan de angst om de regie over dit bestaan, deze werkelijkheid, kwijt te raken. Om die reden kunnen zij mensen, die de geboden van de Schepper willen gehoorzamen, niet verdragen.

5. Het probleem van zonde en dood bij het Verlichtingsdenken.

    
Het Verlichtingsdenken sluit de ogen voor de zonde. Hierdoor is de huidige wereld nog kwetsbaarder geworden dan ze al was. Ieder mens is van nature zelfzuchtig en op zijn eigen voordeel uit. Vroeg of laat geeft dat enorme botsingen. Vanaf het moment dat het Verlichtingsdenken invloed kreeg op het politieke handelen, is de wereld er echt niet beter op geworden. Het begon met de Franse revolutie. Daarna zijn er nog verscheidene revoluties geweest. Deze hebben vele tientallen miljoenen mensen het leven gekost. In de vorige eeuw hebben de ‘verlichte’ volkeren van deze wereld twee keer op een afschuwelijke manier oorlog met elkaar gevoerd. Daarna heeft men energie noch geld gespaard om massavernietigingswapens te ontwikkelen. Er zijn er zoveel, dat hiermee de hele aarde een x aantal malen verwoest kan worden. Dat zijn de vruchten van de Verlichting. Over zonde gesproken.
    
De afgelopen tientallen jaren heeft de wereldeconomie een ongekende groei meegemaakt. Het is een fictie om te denken dat dit nog lang zo door kan gaan. Men is bezig de aarde leeg te roven wat betreft grondstoffen en verstoort het klimaat door de opwarming. Het bankwezen blijkt in toenemende mate helemaal geen dienende taak te hebben en bovendien ruimte te geven voor het ontstaan van een graaicultuur bij de leidinggevende laag. Verder is de hele wereldeconomie door de globalisering zeer kwetsbaar geworden. Kleine oorzaken krijgen steeds grotere gevolgen. Als de economie vastloopt, zal ook de politiek ontregeld raken. Helaas zijn daarvan voorbeelden in de geschiedenis. De achterliggende oorzaak hiervan is het egoïsme, de zonde van de mens. Dat de moderne mens deze zondige aard ontkent, maakt de situatie alleen maar ernstiger.
     Wat betreft het onderwerp van de dood het volgende. Het Verlichtingsdenken heeft hierop geen antwoord. De evolutietheorie laat de mens op dit punt volkomen in de kou staan. Deze theorie kan niet meer zeggen dan dat de mens een levend iets, een organisme, is. Doodgaan of sterven betekent het stoppen van de biologische processen in dat organisme. Het ene organisme zou zich volgens de evolutionist door toeval wel verder ontwikkeld hebben dan het andere, maar er kan geen oorzaak worden genoemd voor een kwalitatief verschil. Dat is vreselijk, want dat zou erop neerkomen, dat de mens op dezelfde wijze doodgaat als zijn hond of zijn kat. Of als de vlieg, die wordt platgeslagen op de muur van de kamer. In al die gevallen houdt een levend iets, een biologische entiteit, op te functioneren. Wie kan nu naar zo’n einde toe leven! Het is niet verwonderlijk dat o.a. via de New Age beweging het reïncarnatiegeloof steeds meer aanhangers vindt, maar ach, dan denkt men voorlopig gevangen te zitten in de uitzichtloze tredmolen van het rad der geboorte. Wat zou het een fantastisch feest zijn als heel veel mensen deel kregen aan dezelfde levende hoop, die Christenen hebben door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petrus 1:3-5).

  
c. De Protestantse theologie.
    
Wat er nu volgt gaat over de theologische ontwikkelingen binnen het Nederlandse Protestantisme gedurende de laatste anderhalve eeuw. Dat is niet een precieze weergave van wat er bij de mensen in de diverse kerken leefde. Daar was vaak veel meer echt geloof en vertrouwen op God te vinden dan bij de theologen. Kerkleden, die in het gewone dagelijkse leven stonden, leefden noodzakelijkerwijs dikwijls dichter bij de grote zegen van de Reformatie, de Bijbel, dan mensen die een groot deel van hun leven doorbrachten op hun studeerkamer temidden van volle boekenkasten. Inderdaad gingen, zoals iemand schreef, de theologen voorop in het loslaten van het geloof.
     Binnen het kader van dit document beschrijven we een tweetal ontwikkelingen. In de eerste plaats de ‘stille revolutie’ in de Gereformeerde Kerken. In de tweede plaats het verschijnsel van de ‘refozuil’. Vervolgens worden beide ontwikkelingen in een breder verband geplaatst.

1. De ‘stille revolutie’.
     Deze vond plaats in de Gereformeerde Kerken tijdens de zestiger jaren van de twintigste eeuw. In een tijdsbestek van ruim 10 jaar veranderde een orthodox Protestantse kerk in een vrijzinnige kerk. We hebben dit proces heel bewust meegemaakt. Het was erg beklemmend.

    
De ‘stille revolutie’ begon met het morrelen aan Genesis 1. Daarna kwamen er hoe langer hoe meer waarheden op de tocht te staan. Er vond een enorme aanpassing plaats aan het Verlichtingsdenken. Bij de uitleg van de Bijbel werd de historisch-kritische methode gebruikt. Abortus, homofilie, euthanasie, moderne literatuur, alles werd goedgepraat door Bijbelteksten te verdraaien of ‘eigentijds’ te interpreteren. Berucht werd de uitspraak van Prof. Rothuizen over homofilie: “Paulus wist niet beter in zijn tijd.” De hele omwenteling vond zijn afsluiting in het rapport “God met ons” (1980). Daarin wordt gezegd dat de waarheid niet absoluut is, maar relationeel. Zo mocht volgens de Gereformeerde synode in ’t vervolg iedereen z’n eigen gang gaan.
     Het schokeffect van deze verrassende ontwikkeling was groot. Niemand had dit in de nadagen van Kuyper en Bavinck tijdens de jaren vijftig vermoed. Toch had dit verschijnsel zich al een aantal keren eerder voorgedaan. Spurgeon had heftig tegen hetzelfde soort afglijden geprotesteerd tijdens de Down Grade (1887), maar zonder effect. De leiding van de Baptistenunie stelde alles in het werk om de zaak te sussen en de vrijzinnigen de hand boven het hoofd te houden. Spurgeon koos voor de enig juiste weg: hij verliet de Baptistenunie.
     Een bijna soortgelijke omwenteling als in Nederland had zich in de Verenigde Staten voltrokken. Princeton Seminary was ooit een bolwerk van het calvinisme. Bekende namen waren Charles Hodge (1797-1879), Archibald Hodge (1823-1886), Benjamin Warfield (1851-1921). Kuyper hield er zijn Stone-lezingen in 1898 en Bavinck sprak er in 1908. In de tachtiger jaren van de 19e eeuw werd een voorstander van de vrijzinnige historisch-kritische Bijbelexegese, een zekere Dr. Briggs, uit het ambt gezet, maar later gebeurde het omgekeerde. In de twintiger jaren zag J. Gresham Machen (1881-1937) zich gedwongen te vertrekken vanwege zijn orthodoxe principes en later werd hem zelfs het ambt ontnomen (1936). De koers van de Northern Presbyterian Church was 180 graden gedraaid. Ook in Engeland was er tijdens diezelfde periode sprake van een omslag bij de Non-conformisten.
     Op dit moment is er in Nederland op een aantal plaatsen een soortgelijke omwenteling begonnen, o.a. bij de Theologische Universiteit in Kampen (Gereformeerd (vrijgemaakt)) en bij de Evangelische Omroep. De ontwikkeling bij de EO springt het meest in het oog. Toen in 1980 het rapport “God met ons” verscheen, trokken EO-prominenten fel van leer met de tegenpublicatie: “De Bijbel in de beklaagdenbank”. Knevel en Ouweneel leverden hun aandeel hieraan en lieten niet na op tv publiekelijk hun afkeuring uit te spreken. Nu beginnen ze zelf de historiciteit van Genesis 1-3 op te geven en opnieuw gebeurt dat . . . . publiekelijk.

     De situatie na zo’n ‘stille revolutie’ vertoont een merkwaardig beeld. Het meest opvallende is dat de Bijbel als gezaghebbende bron van de openbaring van God is losgelaten. In de regel gaat het stap voor stap. Eerst wordt er een klein beetje toegegeven aan de historisch-kritische exegese, maar het wordt hoe langer hoe erger. Er is dan al een verkeerde houding ten opzichte van de Bijbel als Gods Woord. Men onderwerpt zich niet meer aan het gezag van Gods Woord, maar gaat zijn eigen gang. De bekende nieuwtestamenticus, professor Eta Linneman, die bij haar bekering radicaal brak met de historisch-kritische methode, had helemaal gelijk toen ze zei: “Evenmin als een beetje zwanger, kan men een beetje historisch-kritisch zijn.”
     Deze manier van exegetiseren laat niets van de Bijbel over. We zullen een paar consequenties noemen:
- Wie de historiciteit van Genesis 1 tot en met 3 opgeeft, ontkent de zondeval, ontkent het probleem van de zonde en de dood en laat zo niets over van het verlossingswerk van Jezus Christus. Jezus Christus zou dan tevergeefs gekruisigd zijn en gestorven zijn. Alle stichtelijke woorden ten spijt heeft zo iemand het evangelie van Jezus Christus tot een belachelijke zaak gemaakt. Desondanks blijft de dominee preken en komen er nog mensen luisteren. Waarom eigenlijk?
- Volgens de moderne theologen van het Oude Testament hebben Abraham, Izaäk en Jakob nooit echt bestaan. Ooit heb ik hun theologische werken zelf moeten bestuderen (R. de Vaux, Martin Noth). De aartsvaders zouden slechts bestaan in volksverhalen die in het oude Israël rondom een heiligdom werden verteld en opgeschreven. Het zouden dus volksverhalen, fabels zijn. Als Jezus Christus later in het Nieuwe Testament zegt: “God is niet een God van doden, maar van levenden”, zou dat volgens hun interpretatie neerkomen op: “God is niet een God van doden, maar van fabels.” Wat is hier nog over van geloof in de echte God?
- De moderne theologen van het Nieuwe Testament laten niets meer van de boodschap van het evangelie over. Ze geloven niet dat Jezus Christus uit de maagd Maria geboren is; zij ontkennen Zijn opstanding en weigeren te accepteren dat Jezus Christus plaatsvervangend voor zondaren gestorven is. Ondanks dat alles vinden ze zichzelf wel Christelijk. Op grond waarvan?
 - Naar het oordeel van deze theologen heeft Paulus niet de Pastorale brieven (1 en 2 Timotheüs, Titus) geschreven. Toch noemt Paulus zichzelf heel duidelijk als schrijver en verwijst hij naar concrete gebeurtenissen in zijn leven. Volgens die theologen zou de Bijbel dus voor een deel het werk van fraudeurs zijn. Ondanks dat besteden ze erg veel tijd aan dat in hun ogen frauduleuze boek. Waarom?

     Als de Bijbel als de enig gezaghebbende openbaring van God is losgelaten, heeft het Christelijk geloof geen enkele basis meer. Men kan zich in gemoede afvragen waarom er überhaupt een vrijzinnig Christendom bestaat. Er is geen enkele reden toe. Iemand als Prof. Kuitert heeft bijna alle geloofsartikelen eraan gegeven. Toch blijft hij in de kerk zitten. Met welk doel? Er is geen andere verklaring te vinden dan dat het in dit soort Christendom niet om de God van de Bijbel gaat, maar om de kerk. Dan kan men zelfs zover gaan dat er in die kerk een niet-bestaande god wordt verkondigd (ds. Hendrikse). Blijkbaar maakt het geen zier meer uit wat er vanaf de preekstoel gezegd wordt. Als er maar gepreekt wordt.

2. De refozuil.
     Op 1 april 1971 verscheen de eerste editie van het Reformatorisch Dagblad. Het is het belangrijkste herkenningspunt van wat na verloop van tijd de ‘refozuil’ werd genoemd. Er kwamen Reformatorische scholen; de Reformatorische Maatschappelijke Unie werd opgericht. Inmiddels is er een Reformatorische Omroep. Hoe verhoudt zich deze zuil tot het evangelie van Jezus Christus? Welk evangelie klinkt er van de kansel in de diverse bevindelijke kerken?
     Het verlammende van de Reformatorische kerken is de dubbele boodschap, die er vanuit gaat. Aan de ene kant krijgen de kerkleden het idee dat ze Christen zijn. Ze zijn ‘gedoopt’, hebben belijdenis gedaan, betalen hun kerkelijke bijdrage etc. Ze houden zich aan de gedragscodes en kledingcodes. Op zaterdagavond voor 12 uur thuis, geen tv in de huiskamer. Vrouwen dragen rokken en ’s zondags in de kerk een hoed. Psalmen worden niet-ritmisch gezongen en ‘Here’ schrijf je als ‘Heere’. Aan de andere kant krijgen de kerkgangers te horen dat ze geen Christen zijn. Er moet iets bijzonders in hun leven hebben plaatsgevonden, waardoor ze de zekerheid gekregen hebben, dat ze bekeerd zijn of, zoals men wel eens hoort, dat zij “de Heere mochten leren kennen”. Er wordt eindeloos geschreven over de verhouding van aanbod en belofte, over de standenleer, etc. Het trieste verschijnsel doet zich voor dat de leiders van de diverse kerken niet meer echt communiceren met wat er op het grondvlak leeft. Men heeft slechts oog voor één ding: hoe houden wij de regie binnen ons kerkgenootschap? Hiervoor ziet men maar één oplossing: ten koste van alles vasthouden aan het oude. Dat levert leiders op, bij wie het ontvangstgedeelte van het communicatie-apparaat is uitgeschakeld. Alleen het zendgedeelte werkt nog. De oude leer wordt via de vaste kanalen van kerkblad en kansel tot in het oneindige herhaald. Kerkleden die door het indienen van een gravamen of door publicaties proberen de ogen van de leiding te openen voor de echte vragen, worden uitgerangeerd. Dit overkwam bijvoorbeeld Prof. Blaauwendraad. Ondertussen blijft de dominee doorgaan met preken, want gepreekt moet er worden. Wat wordt er eigenlijk gepreekt? Als tot geloof komen betekent in lijdzaamheid afwachten, totdat ‘het’ komt, als de belofte “Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden” met allerlei onbijbelse voorwaarden wordt omkleed, dan komt de prediking in de bevindelijke kerken neer op de prediking van een onbereikbare god.

3. De vergissing.
     Wat is er mis met de Protestantse theologie, als binnen die theologie een orthodoxe richting in 10 jaar tijd kan omslaan naar een vrijzinnige richting? Hoe komt het dat er binnen het Protestantisme de ruimte aanwezig is een niet-bestaande god te verkondigen en tevens op een andere plek een onbereikbare god? Geestelijk gesproken is in dit alles het werk van de duivel herkenbaar. Die doet zijn best om de redding van zielen te voorkomen. Hij heeft nergens meer een hekel aan dan aan een Bijbelse evangelieverkonding.
     Als we de vraag in historisch perspectief plaatsen, komen we tot het volgende:
De grote vergissing van de Protestantse theologie is, dat zij denkt de boodschap van het Nieuwe Testament als uitgangspunt te nemen, terwijl zij in werkelijkheid uitgaat van de heidense filosofie van Augustinus. Binnen de Protestantse theologie speelt Augustinus een hoofdrol. Dat is rampzalig. Als we bij het licht van de Bijbelse openbaring terugkijken, ontkomen we er niet aan Augustinus de meest invloedrijke dwaalleraar uit de geschiedenis van het Christendom te noemen. Dadelijk meer over zijn dwalingen. Zijn invloed op de Nederlandse Protestantse theologie is gemakkelijk meetbaar. We noemen hier slechts twee feiten. Deze spreken voor zich. 1. Calvijn verwijst in zijn “Institutie” 288 keer naar Augustinus. Daarentegen verwijst hij 0 keer naar Luther (nul keer, u las het goed), terwijl Luther juist door God gebruikt is om de genade door Jezus Christus opnieuw te verkondigen. 2. Van Prof. H. Bavinck (1854-1921) is bekend dat er in zijn werken meer citaten van Augustinus dan van Calvijn staan.
     Waarin dwaalde Augustinus? Heel kort gezegd komt het hier op neer: in zijn werken ontbreekt de gekruisigde Christus. En dan ontbreekt echt totaal alles. Als neo-platonist gaat Augustinus uit van de schepping door God en niet van de redding door Jezus Christus. Dit is overal terug te vinden, zelfs in één van de meest bekende citaten van hem: “ ..want Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U” (Belijdenissen 1,1 vert. Prof Sizoo). Hier is duidelijk de invloed van het toenmalige neoplatonisme herkenbaar. In die filosofie gaat het erom dat al het geschapene uiteindelijk op de plek terecht komt, die door de Schepper is bedoeld. Dit is echter in strijd met de Bijbel. De oorzaak van ons rust vinden bij God ligt niet in bepaalde eigenschappen van onze schepping door God, maar in onze redding door Jezus Christus. Paulus schrijft in Romeinen 5:1: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus.”  
     Binnen dit beknopte document zullen we twee desastreuze effecten van het werk van Augustinus op het Protestantisme bespreken. De gevolgen ervan zijn tot op de dag van vandaag merkbaar.

 -  in het denken van Augustinus komt de wedergeboorte van beneden.   
    
Door de geschriften van Augustinus heeft de vermenselijking van de wedergeboorte zich verder voortgezet. Volgens hem bewerkt de doop de wedergeboorte, zowel bij volwassen dopelingen als bij kleine kinderen. Volwassenen die zich lieten dopen, dachten daardoor wedergeboren te worden. In Belijdenissen 9,6 vertelt Augustinus dat zijn vriend Alypius ervoor koos ‘tegelijk met hem wedergeboren te worden’ door zich eveneens tijdens dezelfde dienst te laten dopen. Wat betreft het dopen van kinderen schrijft Augustinus aan het begin van hoofdstuk 21 van zijn boek “Over het huwelijk en de sexuele begeerte”, dat kinderen niet uit God, maar uit de wereld geboren worden. Dat komt door de schuld van de seksuele begeerte waarmee deze kinderen verwekt werden. Die schuld wordt volgens Augustinus kwijtgescholden als het kind wordt gedoopt en zo wordt wedergeboren uit God. Een hoofdstuk verder zegt Augustinus dat ongedoopte kinderen in de macht van de duivel blijven. Op andere plaatsen (bijvoorbeeld “Over verdienste, vergeving van zonden en de doop van kinderen”, boek I, hoofdstuk 35) zegt hij dat de doop, omdat zij de wedergeboorte bewerkt, een voorwaarde tot redding is. Het menselijke handelen bij de doop wordt zo beslissend voor de redding. Dit past precies in het plaatje van de toenmalige mysteriegodsdiensten. Deze dwaling is even erg als het promoten van de besnijdenis bij de gemeenten van bekeerde heidenen in Galatië door de Joodse dwaalleraars. Paulus heeft die dwaling over de besnijdenis in de meest scherpe bewoordingen veroordeeld. Hij zou precies hetzelfde gedaan hebben met de leer van Augustinus. Laten we ons dat toch goed realiseren!!
     De koppeling wedergeboorte – kinderdoop sticht verwarring tot op de dag van vandaag. De Rooms-katholieke kerk, de Anglicaanse kerk en de Lutherse kerk leren het nog steeds. Calvijn geeft een zeer verward geluid. Hij geeft zijn betoog over dit onderwerp geen correcte Bijbelse onderbouwing. Leemtes in zijn bewijsvoering vult hij aan met speculaties. In zijn “Institutie” (III,3,13) gaat hij mee met Augustinus en zegt hij dat het Sacrament wedergeboren doet worden. In zijn bespreking van de doop (IV,15,10 en 15,11) zegt Calvijn dat de doop niet van de erfzonde verlost. Het zou wel de verdoemenis wegnemen en er zou een levenslang proces van doding beginnen (?). Soms kent hij de doop eigenschappen toe, die alleen mogelijk zijn bij de geloofsdoop. Onder paragraaf 13 zegt hij bijvoorbeeld dat we met onze doop openlijk belijden dat wij “bij het volk van God begeren geteld te worden”. Als hij dan even later de kinderdoop verdedigt (IV,16,17) ontkomt hij er niet aan heel vaag te blijven over de wedergeboorte. Hij zegt daar letterlijk: “Maar hoe worden dan de kinderen wedergeboren, die nog geen kennis hebben van goed of kwaad? – Wij antwoorden dat het werk Gods, ook al valt het niet onder ons begrip, toch aanwezig is.” Onder paragraaf 18 en 19 koppelt hij de wedergeboorte los van het horen van de verkondiging van het Woord Gods, geheel tegen Romeinen 10:17 en 1 Petrus 1:23 in. (“Zo is dan het geloof uit het horen” en “als wedergeborenen niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God.”) Hierdoor kan hij wedergeboorte ook bij kleine kinderen mogelijk achten en  . . .  de Roomse kinderdoop handhaven en goedpraten. Dit heeft tot een dramatische mystificatie van de wedergeboorte geleid.
     Sinds Calvijn zijn gereformeerde theologen aan het worstelen geweest hoe het zit met die wedergeboorte. Kuyper kwam met zijn veronderstelde wedergeboorte voor, tijdens of na de kinderdoop. Bavinck spreekt over het zaad der wedergeboorte, dat jarenlang verborgen kan blijven (Zie Inleiding van zijn boek “Roeping en Wedergeboorte”). Volgens hem kunnen mensen dus al vele jaren wedergeboren zijn, voordat zij bekeerd zijn. Dit staat nergens in de Bijbel. De meeste scheuringen in de gereformeerde gezindte werden veroorzaakt door polemieken over de wedergeboorte. Op internet is een brochure te vinden van Dr. K. Schilder die gaat over de breuk tussen de Gereformeerde kerken en de Christelijk Gereformeerde Kerken. (“Dr. A. Kuyper en het “Neo-Calvinisme” te Apeldoorn veroordeeld?” 1925). Hierin verdedigde Schilder op polemische wijze Abraham Kuyper tegenover docent J.J. van der Schuit, die in een rectorale rede in Apeldoorn Kuyper ervan had beschuldigd, dat hij een “dormante” (sluimerende) wedergeboorte had geleerd. Schilder beschuldigde op zijn beurt Van der Schuit ervan, dat hij dit allemaal had gezegd om de volgens Schilder onnodige breuk tussen de Christelijk Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken te benadrukken. Zo’n pennenstrijd heeft helemaal niets meer met de boodschap van de Bijbel te maken. Het betreft slechts de genademechanica van het eigen kerkgenootschap. Bedroevend is het, dat dit heeft kunnen gebeuren. Nam in 1925 Schilder het nog voor Kuyper op, later werd de kerkelijke dwang tot het aanvaarden van Kuypers leer over de veronderstelde wedergeboorte onder leiding van diezelfde Schilder juist de oorzaak van de scheuring van de Vrijmaking. Tot op de dag van vandaag woeden dergelijke ruzies voort. Laten we ons toch realiseren dat niet de Bijbel, maar de dwaalleer van Augustinus en de zijnen uiteindelijk de oorzaak is van deze karikaturen van de redding door Jezus Christus. George Whitefield had helemaal geen moeite met de tekst “Gij moet wederom geboren worden” (Johannes 3:7). Hij preekte er meer dan 1000 keer over. En de Heilige Geest zegende zijn woorden, want er kwamen vele duizenden tot bekering  . . . en wedergeboorte. 

-  het Koninkrijk der hemelen is bij Augustinus een koninkrijk van deze aarde geworden.
    
In 410 werd Rome door de Goten onder leiding van Alarik geplunderd. De oude Romeinse elite gaf het Christendom hiervan de schuld. Augustinus schreef ter verdediging een uitgebreid apologetisch werk: “De Staat Gods”. De wijze waarop hij hierin de verhouding tussen het Koninkrijk der hemelen en het koninkrijk van deze wereld beschrijft is totaal onbijbels. De Bijbel zegt over deze twee rijken het volgende: Het Koninkrijk der hemelen is een geestelijk Koninkrijk. Alleen mensen die van bovenaf geboren zijn, die uit de Geest geboren zijn (Johannes 3) en die geestelijk zijn (1 Corinthiërs 2:14,15) begrijpen dit Koninkrijk der hemelen. Het kennen van de geheimenissen van dit Koninkrijk is niet een kwestie van intelligentie. Het wordt een mens gegeven (Mattheüs 13:11). Kinderen en zij die het als een kind ontvangen, krijgen het (Lucas 10:21, Mattheüs 18:3). Dit Koninkrijk is gekomen door het werk van Jezus Christus hier op aarde (Mattheüs 4:17). Hij zet dit werk voort in Zijn gemeente (Handelingen 1:3). Zo wordt in het boek Handelingen de evangelieverkondiging van de redding door Jezus Christus vaak het Koninkrijk Gods genoemd. De mensen die echt bekeerd zijn en het leven van God in zich hebben, vormen samen het Koninkrijk der hemelen. Zij zijn de gemeente van Jezus Christus.
     De Bijbel spreekt zeer negatief over deze wereld. Wie een vriend van deze wereld wil zijn, wordt daardoor een vijand van God (Jacobus 4:4). Johannes schrijft dat ‘de gehele wereld in het boze ligt’ (1 Johannes 5:19). Paulus noemt in 2 Corinthiërs 4:4 de duivel ‘de god dezer eeuw’, die de mensen met blindheid geslagen heeft. De duivel is de god van deze tijd, waarin wij leven. De geestelijke strijd, waar we ons als Christenen hier op aarde in bevinden, omschrijft Paulus met de woorden: “Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.” Met andere woorden, een Christen bevindt zich hier op aarde op vijandelijk gebied. In Galaten 1:4 zegt Paulus dat Jezus Christus ons getrokken heeft ‘uit de tegenwoordige boze wereld’. In Galaten 6:14 blijkt dat deze scheiding met de wereld voltrokken wordt door het kruis van Golgotha. Dit komt overeen met wat Jezus Christus zegt in Johannes 12:32: “Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken. En dit zei Hij om aan te duiden welke dood Hij sterven zou.” Het kruis van Golgotha maakte een eeuwige scheiding tussen deze gevallen wereld en het Koninkrijk der hemelen.
     Augustinus spreekt in zijn boek “De Staat Gods” heel anders over deze twee rijken. Opnieuw is duidelijk de invloed van de heidense filosofie van het neoplatonisme herkenbaar. Al het geschapene moet zijn plek krijgen in de uiteindelijke grote ordening. Augustinus keurt daarom de wereld niet categorisch af, maar ziet er nog goede dingen in. Hij stelt de twee rijken niet tegenover elkaar maar onder elkaar. De wereldse staat is niet een vijand van God. Zoiets was onvoorstelbaar in de toenmalige filosofie. Daar bleef men worstelen met de oorsprong van het kwaad. Bij Augustinus is het kwaad niet de veroorzaker van slechte dingen (causa efficiens), maar duidt het kwaad op een tekort aan ‘zijn’ (causa deficiens). Zelfs de duivel, voor zover die geschapen is, heeft nog wel iets goeds (vergelijk hoofdstuk 2 van boek 12). De wereldse staat was slechts van een lagere orde dan de Staat Gods. Bovendien, de kerk als staatskerk had de wereldse staat, in die tijd het Romeinse keizerrijk, nodig voor het bestrijden van ketterij. De Donatisten waren net bestreden. Daarom is Augustinus redelijk positief over het wereldse rijk. Exegetisch denkt hij het te kunnen onderbouwen met zijn allegorische uitleg van Openbaring 20. Volgens hem leefde men toen reeds in het duizendjarig rijk. De eerste opstanding (vers 5,6) was volgens Augustinus de wedergeboorte van de gelovigen. Die wedergeboorte dacht de kerk zelf in de hand te hebben door de ceremonie van de doop. Deze dwaling over het reeds aanwezige duizendjarige rijk bestond reeds voor Augustinus. Eusebius spreekt er ook over in zijn kerkgeschiedenis.
     Overigens, als Augustinus de Staat Gods beschrijft, laat hij die beginnen bij de kinderen van Adam (boek 15,1) en niet bij de komst van Jezus Christus. Zo begint hij dus ook hier bij de schepping en niet bij de redding, terwijl het Koninkrijk der hemelen juist alles te maken heeft met de verlossing door Jezus Christus. Christus begon Zijn werk met te verkondigen: “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” (Mattheüs 4:17). Er is nog meer aan te voeren, maar voorlopig laten we het hierbij. Samenvattend kunnen we zeggen dat bij de gedachten van Augustinus over het Koninkrijk der hemelen zichtbaar wordt dat hij niet uitgaat van de waarheid van de Bijbel, maar van een heidense filosofie, het neoplatonisme. Het wordt een koninkrijk van deze aarde.
     Bij Calvijn is er helaas geen duidelijke afwijzing van het denkkader van Augustinus te zien. De 288 verwijzingen naar hem in Calvijns hoofdwerk zijn een duidelijk symptoom hiervan. Had hij maar niet naast de Bijbel ook de werken van Augustinus als leidraad genomen. Dan had hij geweten dat wij als gelovigen niet op edelen moeten vertrouwen (Psalm 118:9, 146:3), of vlees tot onze arm stellen (Jeremia 17:5). Nu zag hij evenals Augustinus het als een taak van de wereldlijke overheid om ook de eerste tafel van de Tien Geboden dwingend op te leggen (Institutie, IV,20,9). Hoe kan een overheid haar burgers verplichten tot het Christelijk geloof? Zoiets gaat lijnrecht tegen de Bijbel in. Zo’n staatskerk is een vijand van God. Hoezeer Calvijn vasthield aan het idee van één staatskerk blijkt uit zijn afwijzende reacties op het godsdienstgesprek in Poissy (1561). De Franse Protestanten wilden het liefst na alle ellende van de vervolgingen kiezen voor de optie van twee kerken in Frankrijk. Calvijn wilde dat er ondergronds zou worden doorgewerkt, totdat de hele kerk in Frankrijk Protestants zou worden en er zo een Protestantse natie zou ontstaan. Zelf werkte Calvijn in Genève. Daar was de Protestantse kerk staatskerk. Daar is ook de ketter Servet door de overheid geëxecuteerd. Door de waarde die Calvijn aan Augustinus hechtte, zag hij niet het onbijbelse fundament van dit soort Christendom. Een land, een volk of een stad kan niet Christelijk zijn. Verder keurde Calvijn de gedachte van het chiliasme ten sterkste af (Institutie III,25,5). Wijst men echter het chiliasme af, en gaat men ervan uit dat we nu in het Vrederijk van Christus leven, dan krijgt men een totaal verkeerd beeld van deze gevallen werkelijkheid. De afgelopen tweeduizend jaar vormen een aaneenschakeling van bewijzen dat we nu niet in het Vrederijk leven. 
     Door de werken van A. Kuyper (1837-1920) en H. Bavinck (1854-1921) kwam via Calvijn Augustinus weer volop in beeld. Kuyper en Bavinck stonden veel te open voor de wereld. Hun Stone-lezingen uit 1898 en 1908 staan bol van cultuurfilosofische opmerkingen. De eenvoud van het kinderlijke vertrouwen op Jezus Christus ontbreekt helaas. Kuyper had het over de ‘gemene gratie’, de algemene genade, die de verdorvenheid van de mensen binnen de perken hield, waardoor er nog positieve elementen in de cultuur zouden zijn overgebleven. Je hoort als het ware Augustinus praten. Volgens Kuyper had Augustinus reeds het Calvinisme in zijn diepste gedachte gegrepen (1e Stone-lezing). Bavinck zegt aan het eind van zijn lezing over “Openbaring en Cultuur” dat het evangelie
huwelijk en huisgezin, maatschappij en staat, natuur en geschiedenis, kunst en wetenschap liefheeft” (hoofdstuk 9 Wijsbegeerte en Openbaring) (cursivering b.k.). Tijdens het uitspreken van deze lezing in Amerika gebruikte Bavinck zelfs voor “liefheeft” het woord “koestert”. Dit alles is een noodlottige verdraaiing van de waarheid van de Bijbel. Het evangelie van Jezus Christus is, dat Hij voor zondaren gekruisigd is. Hij is niet op Golgotha gestorven voor de bevordering van bijvoorbeeld maatschappij, kunst en wetenschap. Toen ik bovenstaand citaat van Bavinck voor de eerste keer las, riep dat heftige verontwaardiging bij mij op. Hoe durft iemand te beweren dat het sterven van Jezus Christus iets te maken heeft met dingen zoals bijvoorbeeld sportverenigingen (maatschappij), of de Nachtwacht van Rembrandt (kunst) of de krachtwetten van Newton (wetenschap). God zij gedankt voor de waarheid, dat Jezus Christus uit liefde gestorven is voor verloren zondaren. Dat is voor nu het hele evangelie. Door Augustinus en Calvijn na te volgen raakte Bavinck heel ver bij de Bijbelse waarheid vandaan. Het Koninkrijk der hemelen betreft op dit ogenblik alleen de bekeerde, wedergeboren zondaren en meer niet. De gemeente heeft geen cultuuropdracht. Ze heeft alleen de opdracht te getuigen van het evangelie van Jezus Christus, opdat er in deze genadetijd mensen, individuen, gered worden. We leven nu nog niet in het 1000-jarig vrederijk. Jezus Christus heeft Zijn discipelen er nadrukkelijk op gewezen, dat Zijn zichtbare rijk later komt (Lucas 19:11,12 en Handelingen 1:7,8). Heel deze schepping is nu nog aan de vergankelijkheid onderworpen (Romeinen 8:21). Ook Prof. K. Schilder (1890-1952) volgde Kuyper en Bavinck op dit dwaalspoor van Augustinus, toen hij in zijn boek “Christus en Cultuur”, geheel tegen bovenstaande Bijbelteksten in, het 1000-jarig vrederijk liet beginnen op de Eerste Pinksterdag bij de uitstorting van de Heilige Geest. Helaas is de invloed van deze foute Bijbeluitleg niet beperkt gebleven tot studeerkamers, collegezalen en universiteitsbibliotheken. 
     Kuyper, Bavinck en Schilder hebben zich maximaal ingespannen voor iets, waarvan zij dachten dat het het Koninkrijk der hemelen was. Echter, het bleek een koninkrijk te zijn, dat niet haar fundament in de hemel had, maar dat een plek had op de aarde hier beneden. Hun strijden voor dit koninkrijk was niet met geestelijke wapens, maar met de vleselijke wapens van het menselijk intellect, dezelfde wapens die hun tegenstanders gebruikten. Als u alleen al let op de titel van de Stone-lezingen van Bavinck: “Wijsbegeerte der openbaring”, dan ziet u daaraan dat dit geestelijk gezien een onmogelijke combinatie is. Wijsbegeerte en openbaring staan lijnrecht tegenover elkaar. Wijsbegeerte komt van beneden, openbaring komt als genadegave van boven. Ze kunnen niet samengaan, maar botsen maximaal. God heeft de wijsheid van deze wereld tot dwaasheid gemaakt (1 Corinthiërs 1:20). De wijsbegeerte is een wapen dat de gebruiker zelf verwondt en uiteindelijk doodt. Dat heeft de geschiedenis laten zien. De door Kuyper, Bavinck en Schilder opgerichte en gesteunde Christelijke universiteit, de Vrije Universiteit, leek in het begin een bolwerk van geloof te zijn. Een tijdlang werd er zelfs de ‘Parade der Mannenbroeders’ gehouden. Daarna bleek dat
hun openstaan voor de cultuur en hun strijd tegen het moderne ongeloof een menselijke basis had. Dat is de verklaring voor een verschijnsel als de ‘stille revolutie’. Na een periode van aanpassing heeft het Verlichtingsdenken het orthodox Protestantse denken van Kuyper en Bavinck totaal weggevaagd, evenals vele eeuwen geleden in Noord-Afrika de Islam het Christendom van Augustinus onder de voet gelopen heeft. Onlangs nog heeft men aan de VU een leergang opgesteld voor de door hen geplande opleiding tot boeddhistisch of hindoeïstisch geestelijke. Die lesstof beheersen ze aan de VU blijkbaar goed. Kan de schande nog groter worden?  
     De ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn enorm triest. Zeker in het begin van de geschiedenis van deze kerken was de geest van Augustinus duidelijk herkenbaar. Zie bijvoorbeeld de gedachten over de ‘ware’ kerk als heilsorgaan en de prominente rol van de theologie. De wedergeboorte werd in de praktijk gelijkgesteld met het geboren worden uit kerkelijke ouders en het gedoopt worden, net als bij Augustinus. Ook is er geprobeerd om dat vervalste koninkrijk Gods, dat door Augustinus verdedigd werd, zoveel mogelijk gestalte te geven in deze werkelijkheid door al die vrijgemaakt-gereformeerde organisaties op te richten. Het maakt de al jaren geleden begonnen ‘stille revolutie’ in deze kerken des te schrijnender.
     De leer van Augustinus over een Christelijk rijk hier op aarde heeft nog een rampzalige consequentie. Mensen zouden van dat rijk deel kunnen uitmaken zonder bekeerd te zijn. Hierdoor ontstaat er ruimte om zich te houden aan allerlei Christelijke gewoonten, zoals de kinderdoop, kerkgang, psalmen zingen, bidden, Bijbellezen, terwijl men ondertussen kan blijven rondlopen met het idee dat men nog geen Christen is. Dit is het geval in de bevindelijke kerken. Men gaat daar uit van een soort driedeling van deze werkelijkheid. Er zijn ongelovigen, er zijn ongelovige kerkleden (uitwendig verbond) en er zijn gelovige kerkleden (inwendig verbond). Dit zouden dan de weinige uitverkorenen zijn. Wat zei Augustinus hierover? Opnieuw uitgaande van zijn filosofische gedachten over de scheppingsorde beweerde hij dat er evenveel uitverkoren mensen in de Staat Gods waren als gevallen engelen. Echter, tijdens het dicteren van de tekst van dit boek bedacht hij zich blijkbaar en werd hij nog wat ruimer en meer gunnend in zijn spreken. Hij voegde er namelijk aan toe dat het er misschien wel meer kunnen zijn. (Boek 22, einde hoofdstuk 1). Zulke speculaties zijn verschrikkelijk. Wat is hier nog van Gods liefde voor zondaren te zien? Deze driedeling is helemaal niet Bijbels! In de Bijbel is er slechts een tweedeling: deze wereld en het Koninkrijk der hemelen. Als men Christen wordt en deel krijgt aan Christus, gaat men daardoor weg uit het rijk van deze wereld en wordt men burger van een rijk in de hemelen (zie bijvoorbeeld Johannes 12:32, Efeziërs 2:6, Colossenzen 1:13). Er bestaat geen rijk Gods buiten de wedergeboren mensen. “Gij moet wederom geboren worden” (Johannes 3). Tussen de beide rijken bevindt zich géén niemandsland. Het is òf – òf. Het gevolg van de driedeling is dat men in de bevindelijke hoek een andere invulling geeft aan de bekering dan er in de Bijbel staat. Het is een soort gevoelsmystiek geworden. Bij Augustinus nam het gevoel ook een prominente plaats in. Een ‘bekering’ à la Augustinus doet het goed in bevindelijke kringen. Er is die bijzondere ‘leiding’, namelijk het horen van het “Tolle, lege”, er is die Bijbeltekst over het losbandige leven en dan het gevoel van vreugde. Door de jaren heen hebben we een heel aantal bevindelijke bekeringsgeschiedenissen gelezen. Ook hebben we diverse gesprekken gevoerd. Het gaat allemaal vooral over de gemoedstoestand van de ‘bekeerde’, hoe hij ‘tot ruimte is gekomen’ en nu ‘de Heere mag kennen’ en wat voor uitdrukkingen er verder nog mogen bestaan in de ‘tale Kanaäns’. Jezus Christus staat niet in het centrum. Evenals Spurgeon hebben we een afkeer van ingevingen, gemoedstoestanden, etc., etc. als zekerheid van iemands redding. Ons geloof rust op Gods Woord, de Bijbel, en op de beloften, die God daar geeft. Wanneer Gods Woord door de Heilige Geest diep tot het hart doordringt, dan wordt dat zichtbaar in het doen en laten van de bekeerde. In de Metropolitan Tabernacle werd hiernaar gekeken. Zie appendix II.
     Er is nog een reden aan te wijzen, waarom die door Augustinus gesuggereerde driedeling totaal onbijbels is. De wet is geestelijk (Romeinen 7:14). Onwedergeboren mensen hebben een hekel aan de geestelijke wet. Van onszelf zijn we ‘vlees’. Pas als Gods Geest in ons komt wonen bij de wedergeboorte, gaan we ons verlustigen in de wet van God (Romeinen 7:22). Alleen het houden van de wet met een gelovig hart is welgevallig bij God, anders is het een poging om de eigen gerechtigheid te doen gelden (Romeinen 10:3). Waar zijn al die leden van het uitwendig verbond nu feitelijk mee bezig? Zij proberen zich aan Gods wet te houden vanuit de natuurlijke mens met een ongelovig hart. Maar dat is de fatale valkuil van de eigen gerechtigheid!! Deze driedeling van Augustinus, de aardse staat, de Staat Gods met daarin wettisch levende naamchristenen en de groep ‘uitverkorenen’, gaat daarom lijnrecht tegen het evangelie van Jezus Christus in.

   Tot zover de bespreking van de Protestantse theologie. Tot zover ook de behandeling van de vraag: “Wat leert ons de geschiedenis?

 

VI. Terug naar Golgotha.

     Er is enorm veel misgegaan in de geschiedenis van het Christendom. Toch zijn er momenten aan te wijzen, waarop de hand van God zichtbaar werd en Zijn boodschap met kracht verkondigd werd, of de mensen het nu wilden horen dan wel nalieten om te horen. Van die momenten willen wij in het kader van dit document er drie noemen. In de eerste plaats bespreken wij Maarten Luther (1483-1546). Hij is door God als breekijzer gebruikt om veel zielen te laten ontsnappen aan de macht van de Rooms-katholieke kerk. De boodschap van Luther kan kort worden samengevat in deze twee motto’s: “niet de traditie, maar de Bijbel” en “niet de kerk, maar Christus redt”. Het eerste motto is te zien in het voorwoord van Luthers commentaar op de Romeinenbrief. Hier klopt het hart van het evangelie. Hoe belangrijk is het om in te zien dat de wet geestelijk is. Alleen zo komt het eigen onvermogen van de mens om de wet te houden aan het licht en zoekt de mens zijn toevlucht bij Christus! Luther legt daar nog meer begrippen uit, zoals geloof en gerechtigheid. Slechts op deze wijze kan de Bijbel begrepen worden. Dan waarschuwt hij expliciet geen andere betekenis aan deze begrippen te geven en zich niet te laten verleiden. Letterlijk zegt hij: “Weest daarom op uw hoede voor iedere leermeester die een andere uitlegging heeft voor deze woorden; het geeft niet wie het is, of het nu Hiëronymus, Augustinus, Ambrosius, Origenes of enig ander is, of leermeesters die nog beroemder zijn dan zij.”
     Het tweede motto: “niet de kerk, maar Christus redt” is overal terug te vinden in de geschriften van Luther. Het jaar 1520 valt in dit verband op. In dat jaar lanceerde Luther een rechtstreekse aanval op de Rooms-katholieke kerk met zijn boek “De Babylonische gevangenschap van de kerk”. Hij schreef het in het Latijn. Heel scherp viel hij de Rooms-katholieke mis aan. De Roomse leer over de mis diende als fundament voor de leer dat de kerk uitdeelster van de genade is. Van de zeven sacramenten hield Luther er uiteindelijk maar twee (Doop en Avondmaal) voor Bijbels. De rest keurde hij af. In hetzelfde jaar schreef hij “De vrijheid van een Christen”. Hierin legde Luther het evangelie van Jezus Christus uit aan de paus en aan ieder die het maar wilde horen. Het wonder van de genade is, dat de gelovige door het geloof één wordt met Christus en zo deel krijgt aan de gerechtigheid van Christus. In dit boekje schittert de kerk door afwezigheid. Christus redt zonder tussenkomst van de kerk. Na vele, vele eeuwen duisternis scheen het licht van het evangelie weer helder.
     De furieuze reactie van de Rooms-katholieke kerk is typerend. Dit publiceren van de Bijbelse waarheid moest volgens de leiding zo snel mogelijk de kop worden ingedrukt. Waarom? Als de Roomse geestelijkheid het heil van de mensen op het oog had gehad, dan had ze blij moeten zijn met de bijdrage van Luther. Nu spande zij zich in om zo snel mogelijk Luther uit te schakelen en heel de beweging uit te roeien met alle mogelijke middelen: politieke macht, laster, leugens, de banbul, brandstapels, etc., etc. Zo liet ze haar ware aard zien. Het ging haar alleen maar om de macht van de kerk. Daarom werd de waarheid van de Bijbel niet getolereerd. Zo werd openbaar wie de regie had (en heeft) in de kerk van Rome. Dat is de duivel. Luther schreef er aan het eind van zijn leven nog een boek over.
     Het volgende moment dat we aan de orde willen stellen, is de periode van het midden van de 19e eeuw. Sinds de Franse revolutie waren kerk en staat gescheiden. Dat gaf de Rooms-katholieke kerk de ruimte om haar kerkelijke organisatie ook in Protestantse landen weer op te bouwen. Er werden vanuit katholieke landen kloosters gevestigd op strategische plaatsen. In Engeland kwam er een beweging op gang om de Anglicaanse kerk weer zoveel mogelijk terug te winnen. Deze beweging heette het Puseyïsme. Charles Spurgeon (1834-1892), één van de bekendste, zo niet de bekendste evangelieprediker uit de 19e eeuw, zag het allemaal voor zijn ogen gebeuren. Het werd een steeds grotere geestelijke last voor hem. Op 5 juni 1864 hield hij hierover een preek: “De verwerping van de wedergeboorte door middel van de doop”. In niet mis te verstane bewoordingen ontmaskerde hij het bedrog van deze dwaling. Hij stelde het gedrag van de evangelische predikanten in de Anglicaanse kerk aan de kaak. Hoe konden zij door het ondertekenen van de geloofsbelijdenissen van de Anglicaanse kerk zweren dat deze ketterij van de wedergeboorte door de doop waar was en ondertussen nog doorgaan met de oproep tot bekering en wedergeboorte vanaf de preekstoel? Hoe konden zij zo’n dubbelrol op zich nemen voor Gods aangezicht? Hoezeer het Spurgeon ernst was, is te zien in het volgende citaat: “Wij hebben opnieuw John Knox nodig. Praat me niet van aardige en vriendelijke mensen, van beschaafde manieren en welgekozen woorden. Wij hebben de felle Knox nodig en zelfs al zou zijn heftigheid ‘onze preekstoelen aan splinters slaan’, dan zou dat een goede zaak zijn, als ons hart daardoor maar in actie kwam. We hebben Luther nodig om de mensen in gewone, niet mis te verstane woorden de waarheid te vertellen. De laatste tijd hebben onze predikers fluweel op de tong gekregen, maar we moeten ons van onze mooie buitenkant ontdoen en de waarheid, niets dan de waarheid, moet worden gesproken. Van alle leugens, die miljoenen naar de hel hebben gesleept, beschouw ik deze als één van de meest gruwelijke - dat er in een Protestantse kerk sommigen zijn die zweren dat de doop de ziel redt. Noem iemand een Baptist, of een Presbyteriaan, of een Dissenter, of een Anglicaan, dat kan me niet schelen - als hij zegt dat de doop de ziel redt, val hem aan, val hem aan. Hij beweert wat God nooit heeft geleerd, wat niet in de Bijbel staat en wat nooit verkondigd dient te worden door mensen die belijden dat de Bijbel, de hele Bijbel, de godsdienst van de Protestanten is.” Spurgeon wist dat de gevolgen van de gedrukte preek enorm groot zouden zijn. Een student van het Pastors College vertelde dat Spurgeon de erop volgende maandagmiddag geen les aan de studenten gaf, maar dat zij samen een bidstond hielden. De preek riep inderdaad een storm van protest op. Er kwam een breuk met de Evangelische Alliantie. Desondanks werd dit Spurgeons meest verkochte toespraak.
     Drie weken later herhaalde Spurgeon zijn oproep in zijn preek “Laten wij uitgaan”. Letterlijk zegt hij daar: “
We moeten er echter voor zorgen, dat we naar Christus toegaan; niet naar een partij, niet naar een denominatie; maar naar niets anders dan alleen Christus en Zijn waarheid. Weg met het denominationalisme, of iets anders dat niet de geur van Christus Jezus heeft! Of het nu de baptistenkerk is, of de Episcopaalse kerk, of de Presbyteriaanse kerk, die afdwaalt van de weg van Christus, het maakt een ieder van ons niets uit welke het mag zijn; het is Christus om Wie we geven en om Christus’ waarheid en dit moeten wij volgen over heggen en sloten van menselijke makelij, regelrecht naar Christus.”
    
Het derde moment vond plaats in de zestiger jaren van de vorige eeuw. In die tijd dachten veel Protestanten (ten onrechte zoals later bleek), dat de Rooms-katholieke kerk door het Tweede Vaticaans Concilie open was gaan staan voor een dialoog met het Protestantisme. Verder was er de Wereldraad van Kerken, waar veel vrijzinnig Protestantse kerken lid van waren. In toenemende mate werd ervan uitgegaan dat ook de Rooms-katholieke kerk zich hierbij zou aansluiten. Bijna niemand zag het geestelijke gevaar van dit alles. Op 18 oktober 1966 gaf de bekende evangelieprediker Martin Lloyd-Jones een luid en duidelijk alarmsignaal af. Al jaren had hij gewezen op de valse oecumene. Men krijgt geen eenheid door een bepaald project voor die eenheid op te zetten. Echte eenheid is een logisch gevolg als men Christen is, zoals het in de Bijbel staat. Lloyd-Jones had dat tijdens lezingen uitgelegd en dit in het boekje “The Basis of Christian Unity” (1962) gepubliceerd. Als evangelisch leider, wiens standpunt wel degelijk bekend was, was hem gevraagd op de Second National Assembly of Evangelicals de openingstoespraak te houden over het onderwerp “kerkelijke eenheid”. Deze toespraak is te vinden in “Knowing the times” (1989), een bundel toespraken van Lloyd-Jones. Lloyd-Jones legde zijn toehoorders de situatie van dat moment uit. De evangelische afdelingen in de diverse vrijzinnige kerken probeerden zo goed mogelijk in het gareel van hun eigen kerk te lopen en ondertussen evangelisch te blijven. Daar ging hun energie in zitten. Ze gehoorzaamden ongelovige leiders. Ondertussen zaten hun werkelijke broeders en zusters in de evangelische afdelingen van andere kerken. Lloyd-Jones gaf aan dat dit niets anders is dan de zonde van schisma, verdeeldheid. Ook wees hij op het gevaar van de oecumene met Rome met de volgende woorden: “Wij staan in de positie van de Protestantse Hervormers. Zijn we dit moderne idee aan het accepteren, dat de Reformatie de grootste tragedie was, die er ooit plaatsvond? Als u wilt zeggen dat het een tragedie was: hier was de tragedie, dat de Roomse kerk zo verrot was geworden, dat het noodzakelijk voor de Hervormers was geworden om te doen wat ze deden. Het was niet het vertrek van de Hervormers, dat de tragedie was. Het was de toestand van de Roomse kerk. Dat was de tragedie.” Lloyd-Jones riep de evangelische groeperingen op niet langer met hun diverse kerken mee te doen, maar een gemeenschap of een verband van evangelische gemeenten te gaan vormen. Zo’n onderneming kan niet uitgevoerd worden in menselijke kracht. Lloyd-Jones zei hierover: “We zullen grote genade nodig hebben. We zullen het nodig hebben om vervuld te worden met de Geest. We zullen het allemaal nodig hebben verootmoedigd te worden. Maar als we slechts één doel hebben, namelijk de eer van de Here en het welslagen van Zijn Koninkrijk, dan denk ik dat we geleid zullen worden door de Geest naar het ware antwoord op deze diverse problemen.”
    
Na deze toespraak gebeurde er iets, waardoor er een scheiding van geesten zichtbaar werd. De voorzitter van de vergadering, John Stott, week af van het programma. Hij sloot de vergadering niet, maar raadde in een korte speech de mensen af in te gaan op de oproep van Lloyd-Jones. De geschiedenis zou het tegendeel bewijzen en het overblijfsel zou zich binnen de kerk en niet erbuiten bevinden. Hij hoopte dat niemand overhaast zou handelen. De impact van dit verschil in visie tussen Lloyd-Jones en Stott was en is groot. Er ontstond een wereldwijde verdeeldheid binnen de evangelische beweging. Vaak is er met een beschuldigende vinger naar Lloyd-Jones gewezen. Hij zou de oorzaak van de verdeeldheid zijn vanwege zijn ‘separatistisch’ standpunt. Maar de zaak ligt anders. Lloyd-Jones toonde door zijn toespraak aan dat de Evangelische beweging het eigen kerkgenootschap boven Christus stelde. De interventie van Stott liet zien hoezeer hij vasthield aan de eigen menselijke regie en tevens hoe hij zelf bij de keuze Christus òf de kerk, koos voor de kerk, alle vrome woorden ten spijt. Nog steeds zijn er evangelische leiders, die diezelfde verkeerde kant kiezen zoals bijvoorbeeld Jim Packer en Alister McGrath. Packer schreef in 1970 samen met Roomsgezinde Anglicanen het boek “Growing into Union”. Dit noodzaakte Lloyd Jones om voorgoed met Packer te breken.
 
    
De invloed van de Rooms-katholieke kerk is de laatste tijd weer sterk aan het toenemen. Dat heeft niets te maken met een soort innerlijke kracht, die die kerk zou bezitten, of met het feit, dat zij zich nog voor een deel aan de waarheid zou houden. Er is eerder sprake van een soort geestelijke bedwelming, die van haar uitgaat. Deze bedwelming heeft effect op de Protestantse kerken en de Evangelische beweging vanwege de enorme geestelijke armoede die daar heerst. Er speelt nog iets mee in dit geheel. De invloed van Rome op de Protestantse kerken wordt mede veroorzaakt door hun vasthouden aan het Roomse bijgeloof van de kinderdoop. Spurgeon blijkt helemaal gelijk te hebben gehad, toen hij in 1873 tijdens een toespraak het volgende zei:
“Ik zal grote aanstoot
geven als ik nu verderga en zeg, als voor Gods aangezicht, dat ik ervan overtuigd ben dat, zolang als de kinderdoop wordt gepraktiseerd in een christelijke kerk, het pausdom er een deur heeft, die wijd open staat voor haar terugkeer. Het is één van die nesten, die uit de boom moet worden gehaald, of anders zullen de smerige vogels er weer in gaan bouwen. We moeten terugkeren tot de wet en tot de getuigenis, en elke inzetting die niet duidelijk onderwezen wordt in de Schrift, moet worden weggedaan. Zolang als u de doop geeft aan een onwedergeboren kind, zullen mensen zich inbeelden dat het kind er iets goeds door krijgt, want ze zullen zich de vraag stellen: ‘Als het kind er niets goeds door krijgt, waarom wordt het dan gedoopt?’ De stelling dat het kinderen in het verbond plaatst of hen tot leden van de zichtbare gemeente maakt, is slechts een versluierde vorm van de fundamentele dwaling van de wedergeboorte door middel van de doop. Als u aan de inzetting vasthoudt, zult u altijd mensen hebben, die op een bijgelovige manier geloven dat de baby er iets goeds door krijgt en wat is dat anders dan onvervalst pausdom? Aangezien het kind niet kan begrijpen wat er wordt gedaan, zal al het goeds wat het krijgt, tot hem moeten komen op de occulte manier, die zozeer in zwang is bij bijgelovige mensen. Is het een wonder dat er paapse geloofsideeën uit ontstaan?”
 
 
     Er zijn veel voorbeelden te vinden van die toegenomen invloed. Een paar willen wij noemen. Het mediaspektakel van de EO en de RKK in Gouda, The Passion. Dit vond plaats op Goede Vrijdag 2011. Er was een groot optreden van allerlei wereldse artiesten op een podium op de markt. Ondertussen liepen mensen met een groot verlicht neonkruis vanaf de buitenwijken van Gouda naar die markt toe. We hebben geen woorden voor deze blasfemische en banale show, zo erg vinden wij het. Ds. Glashouwer, de oprichter van de EO, zou zich, bij wijze van spreken, omkeren in zijn graf, als hij zag dat de EO zich zou verlagen tot zo’n soort optreden en zo’n verbintenis met Rome. Een ander voorbeeld is het Evangelisch Werkverband. Deze evangelische club heeft voor 2012 een evangelisatiecampagne gepland in samenwerking met de Roomse kerk. Zoiets maakt duidelijk dat deze mensen zelf totaal niets begrijpen van het evangelie en dat het hen niet om Christus gaat maar om de kerk. Ooit was er een tijd dat we met onze eigen ogen de ‘wolven’ van de moderne theologie de kudde zagen binnendringen, maar zijn deze evangelischen niet evenzeer ‘wolven in schaapskleren’?  
     Verder zijn er nog de diverse conferenties te noemen, waarop Protestantse en Rooms-katholieke theologen met elkaar in gesprek gaan. De bereidheid van de Protestanten om water bij de wijn te doen is verbluffend. Zo zou men de uitdrukking ‘vervloekte afgoderij’ als aanduiding van de Roomse mis uit de Heidelbergse Catechismus willen verwijderen, terwijl deze uitdrukking nog steeds precies de waarheid weergeeft. Ook is het frappant dat er Rooms-katholieke instellingen deel uitmaken van Refo500, een comité van de Reformatieherdenkingen. Wat voor waarde hecht men dan nog aan het feit dat God een Luther heeft gegeven om opnieuw de Bijbelse boodschap te brengen? Is men vergeten, waarvoor de martelaren gestorven zijn?  Ze werden gemarteld, verbrand, verdronken, opgehangen, geradbraakt ter wille hun Bijbelse geloof in Jezus Christus. Lees de geschiedenis!! Rome heeft op geen enkel wezenlijk punt haar leer veranderd. Lees het boek “50 jaren in de kerk van Rome” van Chiniquy! Terwijl tegenwoordig hoe langer hoe meer duidelijk wordt wat voor grote beerput de Rooms-katholieke kerk is, zijn de Protestantse theologen nog steeds stekeblind. Laten we toch nuchter worden en waakzaam zijn.

     Wat moet er nu gebeuren? Laten we met het oog hierop nog een keer naar Luther, Spurgeon en Lloyd Jones kijken. Bij alle drie zien we een grote bewogenheid voor zielen. Alle drie hebben zij zich tot het uiterste toe ingespannen om het evangelie van Jezus Christus zo goed mogelijk uit te leggen aan de mensen van hun tijd. Hierbij sloten ze geen enkel compromis met de tijdgeest. Zij kwamen niet aanzetten met een kerkelijke, collectieve, dus menselijke oplossing van het probleem van de zonde en de dood, maar zij verkondigden het zuivere evangelie van de gekruisigde Christus aan iedere individuele zondaar. Ook lieten de laatste twee zich niet bedwelmen door het moderne denken. Zij bagatelliseerden het probleem van de zonde en de dood op geen enkele wijze. Deze zuivere verkondiging van het evangelie van Jezus Christus is nu het eerst noodzakelijke.
     Misschien maakt u die dit leest, zich grote zorgen over de huidige kerkelijke situatie. Terecht. Maar al uw zorgen zullen niets uitwerken, als u niet eerst uw persoonlijke zonde en uw persoonlijke dood tot uw grootste zorg hebt gemaakt. Hebt u zich werkelijk helemaal als enkeling toevertrouwd aan Jezus Christus wat betreft uw eigen zonde en uw eigen dood? Als u dat nog niet hebt gedaan, maak daar dan nu ernst mee. Dringend vraag ik u uzelf op dit punt niet voor de gek te houden. God kent uw hart.
     Wie zichzelf helemaal aan Jezus Christus heeft toevertrouwd, gaat een ander leven leiden. Jezus Christus krijgt daar de regie. Hoe vreemd het mag klinken: dat is pas echte vrijheid. Zo ervaarde Paulus het (Galaten 5:1). Hiervan getuigde Luther in “De vrijheid van de Christen”. Het is goed om onszelf op de proef te stellen en ons af te vragen, of Jezus Christus alleen de regie in ons leven heeft. Hij deelt die regie niet met u, ook niet met uw kerkgenootschap, of met uw vrienden, of met uw familie. Als Hij niet uw enige Heer is, kan Hij ook niet uw Redder zijn (Lucas 9: 23,24).

    

     In de Bijbel staan een paar heel belangrijke dingen om nu over na te denken, om die met God te bespreken, en er naar te handelen. Als Gods Geest niet in een kerk is, door wiens geest wordt er dan gesproken? In zo’n situatie gelden de woorden uit 1 Timotheüs 6:20,21 en 2 Corinthiërs 6:14-18.

O Timotheüs, bewaar wat u is toevertrouwd, houd u buiten het bereik van de onheilige, holle klanken en de tegenstellingen der ten onrechte zo genoemde kennis. Sommigen, die woordvoerders daarvan zijn, zijn het spoor des geloofs bijster geraakt.”

Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

Daarom gaat weg uit hun midden,
en scheidt u af, spreekt de Here,
en houdt niet vast aan het onreine.  
en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn
en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn,
zegt de Here, de Almachtige.”

     Als u uit een kerk weggaat, ga dan in de stilte met God. Jezus zegt: “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden.” Daar komt het op aan. Als u werkelijk Jezus Christus wilt volgen als uw Heer, dan geldt voor u de belofte uit Psalm 32: 8: “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; Mijn oog is op u.” Op Zijn tijd zal Jezus Christus levende stenen samenvoegen tot Zijn huis. Hijzelf zal Zijn gemeente bouwen. Mensen, wier hart volkomen uitgaat naar Jezus Christus, zullen niet rusten, voordat zij anderen hebben gevonden, bij wie hetzelfde het geval is.
 
 
De gemeente bestaat uit mensen die vanuit hun hart het volgende kunnen zeggen of zingen:

I STAND AMAZED IN THE PRESENCE  

I stand amazed in the presence
of Jesus the Nazarene,
and wonder how He could love me,
A sinner, condemned, unclean

How marvellous! How wonderful!

And my song shall ever be:
How marvellous! How wonderful!
Is my Saviour’s love for me!

For me it was in the garden He prayed,
“Not My will, but Thine”:
He had no tears for His own griefs,
but sweat drops of blood for mine.
 
He took my sins and my sorrows,
He made them His very own;           
He bore the burden to Calvary,
And suffered and died alone.

When with the ransomed in glory
His face I at last shall see
‘T will be my joy through the ages
To sing of His love for me.


Ik sta verwonderd in de tegenwoordigheid

Ik sta verwonderd in de tegenwoordigheid
van Jezus de Nazarener,
en vraag me af hoe Hij mij lief kon hebben,
een zondaar, veroordeeld, onrein.


Hoe wonderbaar! Hoe groot!
Mijn lied zal altijd zijn;
Hoe wonderbaar! Hoe groot!
Is de liefde van mijn Heiland voor mij!

Voor mij was het, dat Hij in de hof bad:
“Niet Mijn wil, maar de Uwe”:
Hij had geen tranen voor Zijn eigen leed,
Maar zweetdruppels van bloed voor dat van mij.

Hij nam mijn zonden en mijn verdriet          
Hij maakte ze tot die van Hem;
Hij droeg de last naar Golgotha,
En leed en stierf eenzaam.

Wanneer ik tenslotte met de vrijgekochten,
in de heerlijkheid Zijn gelaat zal zien,
zal het de eeuwen door mijn vreugde zijn
Te zingen van Zijn liefde voor mij.

Charles Gabriel (1856 – 1932)  Copyright Kingsway Music (50 Golden Hymns)

Kingsway Music gaf ons toestemming om de muziek van het bovenstaande lied op deze site te plaatsen. Het copyright berust bij Kingsway Music !!
Als u hierboven op de Engelse titel klikt, wordt de muziek gedownload. Dit duurt even. Zeer waarschijnlijk krijgt u een nieuw scherm. Als de muziek begint te spelen, kunt u het nieuwe scherm onder in de werkbalk zetten door rechtsboven op het min-teken te klikken. Vervolgens kunt u bovenstaande tekst meelezen.


 

APPENDIX  I.  De brief van paus Gregorius.

Een kopie van de brief, die paus Gregorius stuurde naar abt Mellitus, die toen naar Brittannië ging. (A.D. 601)

Toen de hiervoor genoemde boodschappers waren vertrokken, stuurde de heilige vader Gregorius hen brieven achterna, die het waard zijn in herinnering gehouden te worden en waarin hij duidelijk toont wat voor zorg hij besteedde aan de redding van ons volk. De brief was als volgt:

“Aan zijn meest geliefde zoon, de abt Mellitus; Gregorius, de dienstknecht van de dienstknechten van God. We zijn erg in zorg geweest sinds het vertrek van onze congregatie, die bij u is, omdat we geen verslag hebben gekregen van het succes van uw reis. Wanneer de Almachtige God u daarom zal brengen bij de zeer eerwaarde bisschop Augustinus, onze broeder, vertel hem dan, wat ik na rijp beraad heb besloten over de zaak van de Engelsen, namelijk dat de tempels van de afgoden in die natie niet verwoest behoren te worden, maar laten de afgodsbeelden, die erin staan, vernietigd worden; laat er heilig water gemaakt worden en in de genoemde tempels gesprenkeld worden, laten er altaren worden opgericht en relikwieën worden geplaatst. Want als die tempels goed gebouwd zijn, is het nodig dat ze omgebouwd worden van de aanbidding van duivelen tot de dienst van de ware God, opdat het volk, als ze zien dat hun tempels niet verwoest worden, de dwaling uit zijn hart mag wegdoen en opdat zij, nu ze de ware God kennen en aanbidden, met des te meer vertrouwdheid steeds weer hun toevlucht mogen nemen tot de plaatsen, waaraan ze gewend waren. En omdat ze gewoon waren veel ossen te slachten bij de offers aan de duivelen, moet er voor hen hiervoor een plechtigheid in de plaats komen, zoals die op de dag van de wijding, of het geboortefeest van de heilige martelaren, wier relikwieën daar worden bewaard, dat zij dan voor zichzelf hutten van boomtakken bouwen rond die kerken, die voor dat gebruik veranderd zijn vanuit hun toestand als tempel, en de plechtigheid vieren met een godsdienstig feest, en niet langer dieren offeren aan de duivel, maar bij hun eten vee slachten tot de eer van God en de Gever van alle dingen dankzeggen voor hun levensonderhoud; met het doel dat, terwijl hen een paar uiterlijke genietingen worden toegestaan, zij des te gemakkelijker mogen instemmen met de innerlijke vertroostingen van de genade van God. Want het lijdt geen twijfel, dat het onmogelijk is meteen alles uit te wissen uit hun verstokte geest, omdat hij die zich inspant op te stijgen naar de hoogste plaats, dat trede voor trede, stap voor stap doet, en niet met sprongen. Zo maakte de Here Zichzelf bekend aan het volk Israël, en toch stond Hij hen bij Zijn eigen eredienst het gebruik van de offers toe, die zij gewend waren te offeren aan de duivel; om hen zo te bevelen bij Zijn offer dieren te doden, met het doel dat, bij het veranderen van hun hart, zij een deel van het offer aan de kant zouden leggen, terwijl zij een ander deel zouden houden, opdat zij, terwijl zij dezelfde dieren offerden, die zij gewoon waren te offeren, die aan God zouden offeren en niet aan de afgoden; zo zouden het niet langer dezelfde offers zijn. Het betaamt uw liefde om dit aan onze tevoren genoemde broeder mee te delen, opdat hij, als hij daar aanwezig is, mag overwegen hoe hij alle dingen moet ordenen. God beware u veilig, zeer geliefde zoon.

“Gegeven de 17de juni, in het negentiende jaar van de regering van onze heer, de zeer godvruchtige keizer, Mauritius Tiberius, het achttiende jaar na het consulschap van onze genoemde heer. De vierde indictie.”


APPENDIX  II        Dooponderzoek.

DOOPONDERZOEK

Voordat er iemand bij C.H. Spurgeon gedoopt werd, vond er een noodzakelijk dooponderzoek plaats. Men moest het werk van de Heilige Geest duidelijk zien in de persoon, die graag gedoopt wilde worden, voordat er gedoopt werd. Er werd gekeken of de volgende drie punten bij de doopkandidaat aanwezig waren.
1. 1. Was de persoon, die van zichzelf wist een zondaar te zijn en niet in staat om zelf iets aan zijn redding te doen, naar God gegaan, smekend om ontferming en had hij zijn ziel totaal aan Christus toevertrouwd in het geloof aan de reddende verdienste van Zijn dood aan het kruis? Deze individuele ervaring van de ziel met God was de onveranderlijke en fundamentele noodzaak; zonder dat werd iemand niet als echt bekeerd erkend.
2. 2. Was de persoon een nieuw leven binnengegaan, waardoor hij een verandering van gevoelens, overwinning over zonde, liefde voor Gods Woord en een verlangen om anderen voor Christus te winnen, ervaarde?
3. 3. Bezat hij of zij een basiskennis van de leer der genade, waarbij die persoon erkende, dat behoud niet begon bij zichzelf of zijn eigen wil, maar bij Gods keuze en daad en dat God, Die hem redde, hem zou vasthouden in tijd en eeuwigheid?


Citaat uit “Spurgeon, a new biography”, Arnold Dallimore.

 

   

                                 INHOUD (tevens te gebruiken als "bookmarks")

                        .
I.         Inleiding. 
II.        Wie is Christen?  
             a. Wat is het getuigenis van de Bijbel over Jezus Christus?
                        1. Getuigenis Oude Testament.
                        2. Getuigenis Nieuwe Testament.
                                      - Zijn leven en werk hier op aarde.
                                     - Golgotha.
                                     - Opstanding en hemelvaart.
             b. Wat zegt de Bijbel over het deel krijgen aan Christus?
III.      Wat is de Gemeente?
IV.      Hoe Bijbels is het hedendaagse Christendom?
            a. De Rooms-katholieke kerk.
            b. De Vrijzinnig Protestantse Kerken.
            c. De Orthodox Protestantse Kerken.
            d. De Evangelische Beweging.
            e. Slotconclusie.
V.        Wat leert ons de geschiedenis?
            a. Het ‘corpus christianum’.
                        1. De apologeten en de vroege kerkvaders.
                        2. Constantijn de Grote en zijn concilie.
                        3. Augustinus.
                        4. De Middeleeuwen.
                        5. Rome in de laatste eeuwen.
                        6. Het probleem van de zonde en de dood bij het ‘corpus christianum’ .
            b. De Verlichting.
                        1. Het Verlichtingsdenken tot nu toe.
                        2. De evolutietheorie.
                        3. De ontwikkeling van de natuurkunde.
                        4. De geest van het Verlichtingsdenken.
                        5. Het probleem van de zonde en de dood bij het Verlichtingsdenken.
            c. De Protestantse theologie.
                        1. De ‘stille revolutie’.
                        2. De refozuil.
                        3. De vergissing.
VI.      Terug naar Golgotha.

Appendix   I   Brief van Gregorius.
Appendix  II   Dooponderzoek.
Inhoud.


 
 

Copyright  B. Kroeze, Doldersum 2011

Contact: info@reformatorischebaptisten.nl

Copyright van deze website: St. Reformatorische Baptisten Nederland